Einde inhoudsopgave
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/8.3.4
8.3.4 Na 1945
Mr. D.M.A. Bij de Vaate, datum 30-12-2014
- Datum
30-12-2014
- Auteur
Mr. D.M.A. Bij de Vaate
- JCDI
JCDI:ADS354718:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Richardi 2011, p. 32; Gscher 2001, p. 110.
Gscher 2001, p. 110-118; A. Hueck 1970, p. 14.
Zie AG Wiesbaden 14 augustus 1947, WA 1948, nr. 63; AG Bochum 28 september 1948, SAE 12/1948, nr. 59. Vgl. Gscher 2001, p. 111 en 114.
Grundgesetz für die Bundesrepublik Deutschland vom 23. Mai 1949, BGBl. I 1949 p. 1.
A. Hueck 1970, p. 14; Galperin1950, p. 150; Bulla 1949, p. 396.
Kontrollratsgesetz nr. 40, Amtsblatt des Kontrollrats (ABl KR) 1946, p. 229. Vgl. Berkowsky 2009, § 108 Rn. 15; A. Hueck 1970, p. 17.
Gscher 2001, p. 40.
Richardi 2011, p. 33; Gscher 2001, p. 64; A. Hueck 1970, p. 17.
Richardi 2011, p. 33; J. Bauer 2009, p. 16; Gscher 2001, p. 64; A. Hueck 1970, p. 17.
Preis 2012b, A. Geschichtliche Entwicklung, verfassungs- und europarechtliche Grundlagen des Kündigungsrechts Rn. 15; Gscher 2001, p. 65; A. Hueck 1970, p. 17.
Richardi 2011, p. 33; A. Hueck 1970, p. 18.
Overigens bouwde het Hattenheimer Entwurf voort op een door de Wirtschaftsrat in 1949 opgesteld ontwerp, dat niet de goedkeuring had gekregen van de geallieerden. Zie Richardi 2011, p. 33; Gscher 2001, p. 73; A. Hueck 1970, p. 18-20.
Tekst van het ontwerp weergegeven in RdA 1950, p. 58-66. A. Hueck & Nipperdey 1963, p. 622.
A. Hueck 1970, p. 20.
A. Hueck 1970, p. 21.
BGBI 1951 I, p. 499.
Richardi 2011, p. 34; Berkowsky 2009, § 108 Rn. 17-18.
Begründung des Kündigungsschutzgesetz, RdA 1951, p. 58.
Begründung des Kündigungsschutzgesetz, RdA 1951, p. 63. Vgl. Wolter 2003, p. 1070.
Begründung des Kündigungsschutzgesetz, RdA 1951, p. 63; BAG 5 november 1964, AP KSchG § 7 Nr. 20. Vgl. Dörner & Vossen 2012, § 1 KSchG Rn. 1 en 58.
A. Hueck/G. Hueck & Von Hoyningen-Huene 1980, p. 16.
Begründung des Kündigungsschutzgesetz, RdA 1951, p. 66.
BGBI. I 1972, p. 13.
Na de oorlog deed zich de vraag voor of de Arbeitsplatzwechselverordnung nog gelding had. Een uitdrukkelijke opheffing van de verordening door de geallieerden bleef uit.1 Het merendeel van de gerechten ging ervan uit dat de verordening nog onverkort van kracht was, daar controle van de overheid op de arbeidsinzet ook voor de overgang van een oorlog- naar een vredeseconomie onontbeerlijk was.2 Enkele gerechten gingen er daarentegen vanuit dat de Arbeitsplatzwechselverordnung als nationaalsocialistisch gedachtegoed geen gelding meer had.3 Pas met de komst van het Kündigungsschutzgesetz in 1951 (zie hierna) is de Arbeitsplatzwechselverordnung formeel opgeheven. In 1949 was overigens al wel, door de invoering van het recht op vrije arbeidskeuze in art. 12 van het Deutsches Grundgesetz,4 het toestemmingsvereiste van het arbeidsbureau voor opzegging door de werknemer afgeschaft.5
In tegenstelling tot de Arbeitsplatzwechselverordnung is het nationaalsocialistische Gesetz zur Ordnung der nationalen Arbeit (AOG) na de Tweede Wereldoorlog wel formeel door de geallieerden met ingang van 1 januari 1947 opgeheven.6 Daarmee verloor ook de daarin neergelegde ontslagbescherming zijn wettelijke grondslag en ontstond een leemte in de wetgeving.7 De Franse en Amerikaanse zone gingen als gevolg daarvan ieder over tot een eigen regeling van de ontslagbescherming.8 In de Britse en de Sovjet zone kwam geen nieuwe regeling tot stand, maar gebruikte men de algemene regels uit het BGB.9 Als gevolg hiervan versplinterde de ontslagbescherming in de daaropvolgende tijd volledig.10 Deze rechtstoestand werd als uitermate onbevredigend ervaren en de roep om uniforme wetgeving was groot.11
In december 1949 spoorde de West-Duitse regering werkgevers- en werknemersverenigingen daarom aan om via onderhandelingen tot voorstellen te komen voor nieuwe wetgeving. De Deutscher Gewerkschaftsbund en de Vereinigung der Arbeitgeberverbände kwamen vervolgens van 9 tot 13 januari 1950 samen in Hattenheim, hetgeen resulteerde in het zogenoemde Hattenheimer Entwurf.12 Dit ontwerp vormde de basis voor het regeringsontwerp voor een Bundeskündigungsschutzgesetzes.13 De regering sloot zich aan bij de wensen van sociale partners.14 Op 27 maart 1951 werd het regeringsontwerp samen met een toelichting aan de Bundestag aangeboden. Precies vier maanden later, op 27 juli 1951, stemde de Bundestag vervolgens in met het, overigens wel op belangrijke punten gewijzigde, wetsontwerp.15 Op 13 augustus 1951 trad vervolgens het – ook vandaag de dag nog geldende – Kündigungsschutzgesetz16 (KSchG) in werking (voor West-Duitsland).17 De toelichting bij het regeringsontwerp meldt over het doel van de wet:
‘Das Gesetz wendet sich nicht gegen Entlassungen die aus triftigem Grund erforderlich sind, sondern lediglich gegen solche Kündigungen, die hinreichender Begründung entbehren und deshalb als eine willkürliche Durchschneidung des Bandes der Betriebszugehörigkeit erscheinen’.18
Naar het eerste artikel van deze wet is de opzegging nietig (rechtsunwirksam), wanneer zij niet sociaal gerechtvaardigd is (zie paragraaf 8.4.2). Het beschermde rechtsgoed is de arbeidsplaats als het basisprincipe van het economische en sociale bestaan van de werknemer.19 Het Kündigungsschutzgesetz is daarmee een Bestandsschutzgesetz en geen Abfindungsgesetz: de wet ziet op bescherming van de arbeidsovereenkomst en niet op het enkele verkrijgen van een ontslagvergoeding.20
Tegelijkertijd met de inwerkingtreding van het KSchG is de Arbeitsplatzwechselverordnung formeel opgeheven.21 De toelichting bij het Kündigungsschutzgesetz meldt daarover slechts dat de Verordnung overbodig is geworden met de inwerkingtreding van het KSchG.22
Verdere significante verandering in het ontslagrecht bracht het Betriebsverfassungsgesetz (BetrVG) van 15 januari 1972.23 Deze wet regelt onder andere de preventieve toetsing van een opzegging door de OR en bouwt daarmee voort op het BRG uit 1920 (zie hierover paragraaf 8.5).