Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/4.2.6
4.2.6 Wetboek van 1830
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS385878:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Telders e.a. 1935, p. IX.
Het ontwerp is opgenomen in Telders e.a. 1935, p. 368 e.v. en plaatst de Nederlandse vertaling naast de oorspronkelijke Franse tekst. De regelingen van de beperkte genotsrechten komen dermate overeen met het Franse recht en het Nederlandse burgerlijk recht van 1838 dat een afzonderlijke behandeling overbodig is. De gelijkenissen zijn af te lezen in Telders e.a. 1935, p. 100-183.
Voorduin IV, p. 446.
Voorduin IV, p. 445.
Naar Frans recht moesten de legale hypotheken van de minderjarige op de goederen van de voogd en van de getrouwde vrouw op haar huwelijksgoederen evenzeer worden ingeschreven. Deze namen echter rang in naar de dag dat het beheer resp. het huwelijk was aangevangen en niet naar het moment van inschrijving. Zie art. 2134 en 2135 CC. Om de belangen van minderjarigen te waarborgen, verplicht het ontwerp de voogd om de minderjarige een hypotheek te geven. Zie art. 441 Wetboek van 1830, opgenomen in Het Nederl. Burg. Wetboek, de Code civil, het Wetboek Lodewijk Napoleon en het Burgerlijk Wetboek van 1830 met verwijzingen tot elkander en tot de overige wetboeken, Leijden en Amsterdam: Gebhard 1850, p. 123.
Eerdere commissies hadden deze beginselen reeds tot uitgangspunt genomen voor het hypothecaire systeem, doch geen van hen had zich weten te ontdoen van de generale en legale hypotheken. Genoemd kunnen worden de ‘personele kommissie’ van 1814 en de wetgever van de Code civil.
Zie de redevoeringen van de leden van de commissie Sypkens en Van Crombrugghe in Voorduin IV, p. 452-477 resp. p. 477-490.
Ontwerp 1824, boek 2, titel 19, art. 16, Telders e.a. 1935, p. 373.
Zie Herman, diss. 1914, p. 126 en 127.
Zie Herman, diss. 1914, p. 151-153.
Zie Voorduin IV, p. 345-347.
Zie Ontwerp 1824, boek 2, titel 20, art. 4, Telders e.a. 1935, p. 403.
Zie Ontwerp 1824, boek 2, titel 19, art. 18, Telders e.a. 1935, p. 375.
Sypkens typeert de toepassing van het beginsel qui prior est tempore, potior est iure in een systeem waarin gerechtelijke hypotheken voorkomen, als zeer onrechtvaardig. Zie Voorduin IV, p. 475.
Voorduin I,I, p. 355, Land 1899, p. 123 en Lokin & Zwalve 2014, p. 375.
Voorduin I,I, p. 357 en 358.
KB 24 februari 1831, Stb. 1831, no. 1 en Voorduin I,I, p. 359 en 360.
Onder dit Zuid-Nederlandse overwicht stelde de commissie in 1824 de titels vast met betrekking tot het zekerhedenrecht.1 Hoewel de uiteindelijke redactie van dit zogeheten Ontwerp 1824 voor grote delen woordelijk overeenstemde met de Code civil, had men zich blijkens de beraadslagingen over de grondbeginselen van het hypotheekrecht niettemin sterk afgezet tegen het Franse systeem.2 Zo werden om te beginnen de gerechtelijke hypotheken niet overgenomen uit de Code.3 Daarnaast werden ook de legale hypotheken geschrapt omdat deze niet waren te verenigen met het beginsel van publiciteit.4 Degenen die naar Frans recht een hypotheek aan de wet ontleenden, konden hun zekerheidsrecht bedingen zodat ook deze hypotheken voor schuldeisers kenbaar zouden zijn.5 Het andere beginsel waarop het hypothecaire stelsel is gebaseerd – te weten dat van specialiteit – noopte tot afschaffing van generale hypotheken.6 Zo was van een slaafse overname van de Code civil op dit onderwerp allerminst sprake. De afkeer van de generale en ‘verborgen’ hypotheken heeft geleid tot een systeem waarin iedere hypotheek kenbaar was voor derden.7 Het ontwerp bepaalde immers dat een hypotheek eerst na de inschrijving rechtsgeldig tot stand is gekomen.8 Tevens ging de inrichting van de registers op de schop. Naar Frans recht geschiedde de hypothecaire inschrijving op de naam van de eigenaar, waardoor de enige sleutel tot de registers de naam van de eigenaar van het onroerend goed was.9 De Commissie van redactie verkoos een stelsel dat gericht was op het perceel boven een stelsel op de persoon en bepaalde dat een hypotheek op de goederen van de hypotheekgever diende te worden ingeschreven.10 Uit de registers viel dan de gehele rechtstoestand van het perceel op te maken, zodat een schuldeiser zich omtrent de afwezigheid van andere hypotheken en goederenrechtelijke lasten kon vergewissen.
Het ontwerp plaatste daarnaast geen geprivilegieerde schuldeisers meer boven hypotheekrechten.11 De voorrechten werden weliswaar ten behoeve van enkele schuldeisers behouden, maar zij genoten nog slechts voorrang boven schuldeisers zonder hypotheek.12 De rang van de hypothecaire schuldeisers werd thans volledig in overeenstemming met de prioriteitsregel bepaald naar de dagtekening van de inschrijving van de hypotheek.13 Met de afschaffing van legale en gerechtelijke hypotheken was voor een schuldeiser het gevaar geweken dat na de verkrijging van zijn recht nog onbekende hypotheken opdoken die hoger in rang stonden.14 De voor de geldigheid van de hypotheek vereiste inschrijving maakte bovendien de verhouding tussen verschillende conventionele hypotheekhouders inzichtelijk. De dag van inschrijving was beslissend zonder acht te slaan op het uur waarop de inschrijving was gedaan. Aan twee op dezelfde dag ingeschreven hypotheken werd dezelfde rang toegekend.
Nadat in 1829 nog enkele redactionele wijzigingen waren doorgevoerd en het wetboek doorlopend was genummerd, besloot de Koning het jaar erop om het ‘Wetboek van 1830’ te laten drukken en per 1 februari 1831 in werking te laten treden.15 De invoering van het wetboek werd echter opnieuw verijdeld door politieke gebeurtenissen, dit maal de uitgebroken Belgische opstand. De daaruit voortgekomen onafhankelijkheid van België noopte de Koning ertoe de inwerkingtreding van het wetboek te schorsen.16 Hij beval dat het wetboek eerst moest worden herzien en in overeenstemming moest worden gebracht met de belangen van de Oud-Nederlandse provinciën.17