Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/1.3.3.3
1.3.3.3 Rechtskracht en executoriale titel
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS377016:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze werking van een rechterlijke beslissing wordt aangeduid als 'gezag van gewijsde' (Hugenholtz/Heemskerk (2002), nr. 121).
Zie bijvoorbeeld het in Duitsland bestaande 'Vollstreckungsklauselverfahren' (Baumbach/Lauterbach/Albers/Hartman, Zivilproze$ordnung (1992), Grundz § 7046ff. Zie tevens de reeds genoemde procedure tot het gelasten van een 'writ of execution' (Halsbury's Laws of England, Vol. 17, para. 420 et seq.).
Met 'eerder' wordt hier gedoeld op het moment waarop de uitvoerbaarheid van een beslissing intreedt.
Art. 46 lid 3 EEX-Vo (vgl. art. 38 lid 3 EEX-Verdrag).
De mogelijkheid tot het aanwijzen van een niet-rechterlijke instantie voor het verlenen van een exequatur wordt mijns inziens wel in art. 39 EEX-Vo gecreëerd ('...het gerecht of de bevoegde autoriteit...'). Volgens de Toelichting bij het voorstel voor de EEX-Verordening kan slechts een administratieve of gerechtelijke autoriteit worden aangewezen (COM (1999) 348 def., p. 24). Uit de bij dit artikel behorende bijlage (Pb EG C 12 van 16 januari 2001, p. 19) blijkt echter dat geen enkele lidstaat hiervan gebruik heeft gemaakt. Zie ook Kennett (2000), p.219 en Kropholler (2002), p.437.
In sommige rechtssystemen heeft een rechterlijke beslissing zowel rechtskracht als executoriale kracht. De rechtskracht van een beslissing ontstaat door het wijzen van de beslissing door de rechter. Daardoor ontstaat een nieuwe, in rechte afdwingbare (rechts)toestand.1 Voor de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing is echter een executoriale titel nodig. In Nederland bepaalt art. 430 lid 1 Rv dat onder andere de beslissingen van de Nederlandse rechters een titel tot executie opleveren. In sommige rechtssystemen levert een rechterlijke beslissing geen executoriale titel op. Alvorens tot een executie over te gaan, is het noodzakelijk om in een aparte procedure deze executoriale titel te verkrijgen.2 In het kader van de EET-procedure kunnen dergelijke verschillen tot problemen leiden. Welke rechter moet dan de executoriale titel geven? Moet het de rechter van de lidstaat zijn alwaar de EET-procedure wordt gevoerd of de rechter van de lidstaat waar de beslissing moet worden ten uitvoer gelegd? Zou men voor het tweede kiezen, dan rijzen problemen indien in de lidstaat van tenuitvoerlegging een procedure tot het verkrijgen van een titel tot executie niet bestaat en de beslissing (nog) geen executoriale kracht heeft. Om dergelijke moeilijkheden te voorkomen is reeds in art. 38 lid 1 EEX-Vo bepaald dat 'de beslissingen die in een lidstaat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, ... in een andere lidstaat ten uitvoer [kunnen] worden gelegd,...'(curs. MZ). Dit betekent dat de vraag of een beslissing uitvoerbaar is, beoordeeld dient te worden aan de hand van het recht van de lidstaat waar de beslissing is gewezen. In dit systeem kan echter sprake zijn van een ongelijke behandeling die wordt veroorzaakt door de verschillen in het moment van het intreden van de uitvoerbaarheid van een beslissing. Er kan zich de situatie voordoen dat een nationale beslissing eerder ten uitvoer wordt gelegd dan een beslissing van de rechter van een andere lidstaat.3
De bestaande regelingen maken geen onderscheid tussen een definitieve beslissing en een beslissing die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. De executoriale rechtskracht van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beslissing wordt niet opgeschort, indien daartegen een rechtsmiddel wordt aangewend. Wordt de beslissing in een rechtsmiddelprocedure vernietigd, dan komt de executoriale kracht van deze beslissing te vervallen. Door het wegvallen van de executoriale kracht vervalt de titel om de executie voort te zetten. De ontstane wijzigingen in de rechtstoestand moeten worden 'teruggedraaid'. Teneinde deze nadelige gevolgen van de tenuitvoerlegging te beperken bevat de EEX-regeling de mogelijkheid dat de rechter in de lidstaat van tenuitvoerlegging aan het toestaan van de tenuitvoerlegging van de beslissing een zekerheidstelling verbindt. Dit onafhankelijk van het feit of aan de ten uitvoer te leggen beslissing in de lidstaat van herkomst tevens een zekerheidstelling is verbonden.4
In het systeem van erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen onder de EEX-Verordening wordt de uitvoerbaarheid van een beslissing op twee momenten bepaald. Ten eerste dient overeenkomstig het recht van de staat waar de beslissing is gegeven te worden bepaald wanneer een beslissing voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Ten tweede moet de rechter van de staat waar de tenuitvoerlegging wordt verricht een exequatur verlenen. Het valt mijns inziens te betreuren dat evenmin het bij de herziening van het EEX-Verdrag en de omzetting daarvan in een verordening niet gelukt is om de bevoegdheid tot het verlenen van een exequatur aan een niet-rechterlijke autoriteit toe te kennen in plaats van deze bevoegdheid slechts aan een rechter voor te behouden.5 Dit zou mijns inziens het verloop van de procedure aanzienlijk vereenvoudigen, aangezien exequaturverlening door een niet-rechterlijke autoriteit aan minder formele eisen gebonden is. De afschaffing van de tussenkomst van een rechter stuit bij de meeste lidstaten nog steeds op verzet. In de exequatur-procedure - hoe uitgekleed deze ook is - ziet men een restant van het soevereiniteitsbeginsel.