Misleidende beursberichten
Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/6.3.2.2:6.3.2.2 Bastian v. Petren Resources Corporation
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/6.3.2.2
6.3.2.2 Bastian v. Petren Resources Corporation
Documentgegevens:
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655764:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bastian v. Petren Resources Corporation, 892 F.2d 680, 683 (7th Cir. 1990).
Terzijde merk ik op dat de opinion is geschreven door Judge Posner (de bekende rechtseconoom).
Bastian v. Petren Resources Corporation, 892 F.2d 680, 684 (7th Cir. 1990).
Bastian v. Petren Resources Corporation, 892 F.2d 680, 685 (7th Cir. 1990).
Binnen de Second Circuit valt onder meer de Southern District Court of New York. Daarmee is de Second Circuit de belangrijkste appelrechter voor de financiële sector van New York.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een tweede belangrijke uitspraak waarin de loss causation-eis centraal stond, was de uitspraak Bastian v. Petren Resources Corporation van de Seventh Circuit uit 1990 (hierna: ‘Bastian’).1 In deze zaak waren de eisende beleggers door een misleidend prospectus (een zogenoemd ‘offering memorandum’) bewogen te investeren in een limited partnership die was opgericht ter exploitatie van een olieproject. De misleiding had betrekking op de ‘compentence and integrity’ van de initiatiefnemers van het project. Deze was in het prospectus te gunstig voorgesteld. Het project mislukte uiteindelijk, waardoor de beleggers met waardeloze aandelen bleven zitten. De beleggers houden de initiatiefnemers aansprakelijk voor het door hen geleden beleggingsverlies. Zij leggen aan hun vordering ten grondslag dat zij zonder het misleidende prospectus de litigieuze aandelen niet zouden hebben gekocht.2 Volgens hen doet niet ter zake wat precies de reden is van het mislukken van het project. Zij redeneren simpelweg dat als zij niet door het misleidende prospectus zouden zijn bewogen de litigieuze aandelen te kopen, hen het thans geleden beleggingsverlies bespaard zou zijn gebleven. Deze redenering wordt door de appelrechter verworpen.3 Volgens de appelrechter is wel van belang waarom het project is mislukt.4 Kan worden vastgesteld dat het project ook zou zijn mislukt als de initiatiefnemers wel de competentie en integriteit zouden hebben gehad zoals voorgesteld in het prospectus, dan komt het rechtens vereiste causaal verband niet vast te staan, aldus de appelrechter. Vervolgens oordeelt hij dat het project waarschijnlijk is mislukt vanwege de plotseling (sterk) dalende olieprijs en hij wijst de vordering van de beleggers af. Aan het slot van zijn uitspraak legt de appelrechter nog even uit hoe de loss causation-eis volgens de Seventh Circuit moet worden begrepen:5
‘We have tried to explain why [the loss causation requirement] should exist, and now we add a note on its scope which suggests that some of the cases that express disagreement with the doctrine may be reconcilable with it. Suppose a broker gives false assurances to his customer that an investment is risk-free. In fact it is risky, the risk materializes, the investment is lost. Here there can be no presumption that but for the misrepresentation the customer would have made an equally risky investment. On the contrary, the fact that the broker assured the customer that the investment was free of risk suggests that the customer was looking for (…) a safe investment. Liability in such a case (…) is therefore consistent with nonliability in a case such as the present. The plaintiffs in the present case were not told that oil and gas partnerships are risk-free. They knew they were assuming a risk that oil prices might drop unexpectedly. They are unwilling to try to prove that anything beyond the materializing of that risk caused their loss.’ (toevoeging en curs. ACWP)
Volgens de Seventh Circuit is het voor loss causation relevante criterium dus kennelijk ‘materialization of the concealed risk’. Dit houdt in dat wanneer op het moment van aangaan van de litigieuze transactie een bepaald risico niet wordt vermeld (of het risico wordt wel vermeld, maar het wordt te rooskleurig voorgesteld) en later blijkt dat juist dát risico zich (ten kwade) heeft gerealiseerd, dat dan het volledige daaruit voortvloeiende beleggingsverlies in voldoende causaal verband staat met het informatieverzuim.