Einde inhoudsopgave
De procesovereenkomst (BPP nr. XIII) 2012/8.4.3
8.4.3 Literatuur
M.W. Knigge, datum 24-10-2012
- Datum
24-10-2012
- Auteur
M.W. Knigge
- JCDI
JCDI:ADS387148:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Scheltema 1935, p. 419-420.
Noot P. Scholten onder HR 31 maart 1933, NJ 1933, p. 1333,1337.
Van Schaick 2006, p. 134; zie ook Asser/Van Schaick 2004 (5-IV), p. 217, nr. 260. Zie verder Verstijlen 2008, p. 129; Van der Wiel 2002a, p. 222; Hofmann/Abas 1977, p. 8-9; Hülsmann 1938, p. 126.
Stein/Rueb 2011, p. 320.
Snijders 1992a, m.n. p. 18-20; zie over dit standpunt nader hoofdstuk 2.
Snijders 1992a, p. 40 e.v.; zie ook Snijders 1995, p. 9.
Pitlo/Hidma 1981, p. 28-29; zie m.b.t. de bewijsovereenkomst verder Asser/Kleijn (5-IV) 1988, p. 309, nr. 403; noot J.J.M. Petit bij HR 26 november 1954, AA 1954-55, p. 116,120; Swane 1942, p. 327; m.b.t. de overeenkomst tot prorogatie Van Rossem/Cleveringa 1972, p. 828, voetnoot 2.
Meijer 2011, p. 209-211; zie verder Van Leyenhorst 2009, p. 71-72. Zie over de omschrijving in art. 1020 lid 2 Rv ook par. 8.4.2.
Kuypers 2008, p. 261-262. Zie verder, m.b.t. de procesovereenkomst in zijn algemeenheid Asser 1999, p. 26; Zonderland 1976, p. 18. Zie m.b.t. de bewijsovereenkomst Clavareau 1947, p. 111; Van Oven 1935a, p. 277-281; Van Oven 1935b, p. 539-543.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2010 (6-III*), p. 28, nr. 35.
In de literatuur bestaat verschil van mening over de vraag, of uit procesovereenkomsten verbintenissen voor partijen voortvloeien. Met name in het kader van de bewijsovereenkomst is deze vraag aan de orde gesteld.
De auteurs die menen dat de procesovereenkomst geen obligatoire overeenkomst is, wijzen hiertoe vaak op het feit dat een dergelijke overeenkomst gevolgen heeft op het gebied van de toepasselijkheid van de regels van procesrecht. Daarom zou zij geen verbintenissen voor partijen meebrengen. Zie in deze zin bijvoorbeeld Scheltema met betrekking tot de bewijsovereenkomst:
‘Contractuele bewijsregelingen (.) hebben deze inhoud, dat partijen goed vinden, dat in een aanstaand proces de rechter, bij de bepaling van de bewijspositie, in stede van de gewone, wettelijke bewijsregel, zal toepassen de door partijen ontworpen, daarvan afwijkende regeling. De beoogde werking der overeenkomst is dus niet, dat de ééne partij jegens haar wederpartij iets praesteert, doch dat de rechter zich overeenkomstig de door partijen geformuleerde regel gedraagt, of, zooals men het ook kan zeggen, dat de rechter, in stede van de wettelijke, de contractuele regeling op de bewijspositie van partijen toepast.'1
Ook volgens Scholten verplicht men zich bij een bewijsbeding 'niet tot eenige praestatie', maar neemt men 'alleen een bewijsrisico op zich'.2 Van Schaick wijst erop dat partijen door middel van een bewijsovereenkomst derogeren aan de regels van bewijsrecht. Volgens hem is de bewijsovereenkomst dan ook geen obligatoire overeenkomst, maar 'veeleer een partij-instructie aan de rechter die de aanwezige bewijsmiddelen met betrekking tot een feit in geschil moet waarderen'.3 Rueb merkt met betrekking tot de procesovereenkomst in zijn algemeenheid op dat kenmerk hiervan is dat zij betrekking heeft op een processueel resultaat en niet op materiële rechten en verplichtingen van partijen.4
De auteurs die menen dat de procesovereenkomst wel een obligatoire overeenkomst is, zien in het feit dat dergelijke overeenkomsten een afwijking van het procesrecht tot gevolg hebben, geen belemmering om aan te nemen dat hieruit daarnaast verbintenissen voor partijen voortvloeien. Een voorbeeld hiervan is Snijders. Hij betoogt dat op burgerlijkrechtelijke verschijnselen die zich voordoen in of rond het burgerlijk proces, het burgerlijk recht onverkort van toepassing is, behoudens procesrechtelijke legitimatie voor differentiatie.5 Toegepast op de procesovereenkomst brengt dit volgens hem mee dat dergelijke overeenkomsten rechten en verplichtingen van partijen in het leven roepen. De wederpartij die een prorogatieovereenkomst schendt, is naar zijn mening aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade. Dat uit procesovereenkomsten mede gehoudenheid kan voortvloeien voor de rechter, is volgens Snijders iets anders.6
Zie met betrekking tot de bewijsovereenkomst bijvoorbeeld Hidma:
‘Schending van een verplichting die uit een bewijsovereenkomst voortvloeit is niet goed mogelijk. Wij hebben hier, zoals vaker wanneer de contractuele verplichting een immateriële is, te doen met een geval waarin het contractueel niet-mogen tevens een niet-kunnen is.'7
Met betrekking tot de overeenkomst tot arbitrage heeft Meijer betoogd dat sprake is van een obligatoire overeenkomst. Daarbij wijst hij op de omschrijving die van deze overeenkomst in artikel 1020 lid 2 Rv wordt gegeven. Gesproken wordt hier immers over een overeenkomst 'waarbij partijen zich verbinden'.8 Verder gaat Kuypers er met betrekking tot de overeenkomst tot forumkeuze van uit, dat zij de verplichting inhoudt om de vordering bij de aangewezen rechter in te stellen. Het inleiden van een procedure voor een ander gerecht dan partijen hebben aangewezen levert een (toerekenbare) tekortkoming op, die in beginsel leidt tot schadeplichtigheid.9
Met betrekking tot de vraag naar de obligatoire werking van procesovereenkomsten nemen Hartkamp en Sieburgh een tussenstandpunt in. Zij merken met betrekking tot de bewijsovereenkomst op dat zij geen obligatoire overeenkomst is, omdat zij haar werking met name heeft in het burgerlijk proces. Zij sluiten echter niet uit dat de overeenkomst obligatoire aspecten heeft.10
In de literatuur bestaat kortom verschil van inzicht met betrekking tot de vraag of een procesovereenkomst gezien kan worden als een obligatoire overeenkomst. Opvallend is daarbij dat de discussie een groot 'welles-nietesgehalte' heeft. De auteurs die menen dat geen sprake is van een obligatoire overeenkomst, wijzen er steevast op dat de overeenkomst gevolgen heeft met betrekking tot de toepasselijke procesregels. Waarom uit deze overeenkomst daarnaast niet ook verbintenissen zouden kunnen voortvloeien, onderbouwen zij niet. Wellicht lijkt het deze auteurs weinig zinvol om ook verbintenissen van partijen aan te nemen, aangezien de rechter immers reeds de overeengekomen regels zal toepassen. Zoals hiervoor in paragraaf 8.1 is gebleken, is dit laatste onjuist.
Daarentegen wordt ook de mening dat uit procesovereenkomsten wel rechten en verplichtingen voor partijen ten opzichte van elkaar ontstaan, nauwelijks gemotiveerd. Meestal wordt volstaan met de opmerking dat naast een gehoudenheid van de rechter ook verbintenissen voor partijen uit de overeenkomst voortvloeien.
De literatuur biedt kortom weinig houvast. Er worden geen doorslaggevende argumenten gegeven, op grond waarvan geconcludeerd kan worden of procesovereenkomsten obligatoire overeenkomsten zijn.