Sfeerovergangen in de winstsfeer
Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/3.4.7.1:3.4.7.1 Moeilijk te waarderen vermogensbestanddelen
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/3.4.7.1
3.4.7.1 Moeilijk te waarderen vermogensbestanddelen
Documentgegevens:
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630484:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Besluit van 22 april 2018, nr. 26 874.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de eerste plaats blijkt uit de economische literatuur dat het heel moeilijk is de ‘waarde in het economische verkeer’ te bepalen. Zeker voor incourante vermogensbestanddelen of in situaties van slecht functionerende markten (zoals tijdens de kredietcrisis). Een illustratief voorbeeld hiervan is de Chinese vaas (paragraaf 3.4.3.2.2). Deze Chinese vaas werd in eerste instantie door een gerenommeerde taxateur gewaardeerd voor een bedrag van € 15.000. De vaas bleek echter veel meer waard te zijn en werd uiteindelijk op een veiling verkocht voor een bedrag van € 23 mln.
Waarderingen moeten worden gezien als een indicatie van de waarde en als startpunt voor onderhandelingen. De uiteindelijke verkoopprijs wordt niet bepaald door een waardering, maar aan de hand van de prijs die men bereid is om voor een bepaald object te betalen. Deze prijs kan pas bij uiteindelijke verkoop worden bepaald. Ook dan is pas duidelijk wat de draagkrachtvermeerdering is. Een veel gebruikte methode om de waarde in het economische verkeer vast te stellen is de dcf-methode. Deze methode is gebaseerd op schattingen van de toekomstige kasstromen en de disconteringsvoet. Bij andere methoden zoals het gebruik van marktgegevens is de vergelijkbaarheid vaak een probleem. Om een juiste vergelijkingsmaatstaf te kunnen maken is het noodzakelijk dat er meerdere vergelijkingstransacties zijn, waarbij correcties worden aangebracht om de objecten vergelijkbaar te maken met het te waarderen object. Zeker bij specifieke vermogensbestanddelen, zal het moeilijk zijn om goede vergelijkbare objecten te identificeren. Omdat de waarde in het economische verkeer lastig is te bepalen, werken waarderingsdeskundigen niet met 'een waarde' maar met een waarde-range. Ook binnen de fiscale context wordt op andere plaatsen erkend dat het voor bepaalde vermogensbestanddelen onmogelijk is om een juiste waarde te bepalen. In paragraaf 64 van de OESO-richtlijn is daarom bepaald dat bij immateriële activa (die moeilijk zijn te waarderen) niet moet worden uitgegaan van de waarde op het overgangstijdstip, maar moet worden aangesloten bij de nadien behaalde resultaten.
Bij de overdracht van immateriële activa zoals bijvoorbeeld octrooien, kan het moeilijk zijn om op het moment van de overdracht de waarde daarvan vast te stellen, omdat onvoldoende inzicht bestaat in de toekomstige voordelen en risico’s. In paragraaf 6.34 van de OESO-richtlijnen wordt voor die gevallen opgemerkt dat indien onafhankelijke ondernemingen in vergelijkbare omstandigheden een prijsaanpassingsclausule zouden hebben geëist de Belastingdienst moet worden toegestaan de prijsstelling op basis van een dergelijke clausule te bepalen. In het verrekenprijzenbesluit wordt hierbij aangesloten en wordt opgemerkt dat dit ertoe leidt dat belastingheffing dan meer aansluit bij de werkelijk behaalde voordelen:1
‘Bij de overdracht van immateriële activa zoals bijvoorbeeld octrooien, kan het moeilijk zijn om op het moment van de overdracht de waarde daarvan vast te stellen omdat onvoldoende inzicht bestaat in de toekomstige voordelen en risico’s. (…) Het overeenkomen van een voordeelafhankelijke vergoeding draagt er toe bij dat de belastingheffing meer aansluit bij de werkelijk behaalde voordelen. Ook de Nederlandse belastingdienst zal onder omstandigheden het standpunt innemen dat het onzakelijk is een vaste prijs overeen te komen wanneer de waardering op het tijdstip van de transactie hoogst onzeker is, daar onafhankelijke derden in een soortgelijke situatie geen vaste prijs zouden zijn overeengekomen. In dergelijke gevallen dient een aanpassingsclausule te worden opgenomen in de overeenkomst tussen de gelieerde partijen waarbij de prijs mede afhankelijk is van de latere inkomsten. Een voorbeeld hiervan is de situatie waarin een nieuw immaterieel activum is ontwikkeld dat aan een gelieerde onderneming wordt overgedragen op een moment dat het succes daarvan nog onvoldoende zichtbaar is, bijvoorbeeld omdat het immateriële activum nog geen opbrengsten heeft gegenereerd en aan het inschatten van de toekomstige opbrengsten belangrijke onzekerheden zijn verbonden. In die situatie is de waardering op het tijdstip van de transactie hoogst onzeker en ligt het opnemen van een prijsaanpassingsclausule in de rede (zie bijvoorbeeld ook Hoge Raad 17 augustus 1998, nr. 32.997).’
In HR 17 augustus 1998, nr. 32 997, BNB 1998/385 had de belastingplichtige een nieuw immaterieel activum ontwikkeld dat aan een gelieerde onderneming werd overgedragen op een moment dat het succes van het activum nog niet voldoende zichtbaar was. De Hoge Raad accepteerde toen ook een prijsaanpassing, ondanks dat deze niet contractueel was overeengekomen tussen partijen. Hoogendoorn merkt in zijn noot bij dit arrest op dat hij in dergelijke gevallen ervoor wil pleiten uit te gaan van het eindresultaat van het project en dit eindresultaat, aan de hand van een functieanalyse, toe te delen. Deze lijn is begrijpelijk en leidt tot een gewenste belastingheffing. Het uiteindelijke gerealiseerde resultaat werpt immers het beste zicht op de waarde ten tijde van de overdracht (behoudens wanneer het verschil komt door feiten en omstandigheden in de tussenliggende periode). Deze lijn zal mijns inziens daarom ook moeten worden toegepast bij moeilijk te waarderen vermogensbestanddelen bij een sfeerovergang.