Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.3.2.1:II.5.3.2.1 Inleidend
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.3.2.1
II.5.3.2.1 Inleidend
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623198:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Anders dan bij de facultatieve verbintenis, is voor de alternatieve verbintenis wel een keuze vereist. Er is hier met andere woorden geen sprake van ‘in de plaats van’. Het staat van meet of aan nog niet vast wie schuldeiser zal zijn.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 94, met verwijzing naar Zwalve 1983 en Parl. Gesch. Boek 6, p. 1213 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de vraag of en in hoeverre het mogelijk is om te delegeren ten aanzien van het subject van het legaat, kan gelet op het verbintenisrechtelijke karakter van het legaat worden aangeknoopt bij hetgeen ik reeds opmerkte in paragraaf 4.3.8. In deze paragraaf werd ingegaan op de vraag wie schuldenaar resp. schuldeiser kan zijn. Schuldenaar of schuldeiser kunnen zijn: individueel aangewezen personen en in een bepaalde hoedanigheid aangewezen personen. Dat is bij het legaat uiteraard niet anders. Legataris kan zijn ‘mijn broer X’ of ‘de burgemeester van de stad Maastricht ten tijde van mijn overlijden’. In paragraaf 4.3.8 kwam voorts naar voren dat schuldenaar of schuldeiser ook kunnen zijn vervangbaar gestelde personen (zie paragraaf 4.3.8.2), zoals ‘nader te noemen meesters’. Geldt dit ook voor legatarissen?
De ‘vervangbaar gestelde persoon’ ofwel de ‘facultatieve schuldeiser resp. schuldenaar’ stond centraal in paragraaf 4.3.8.2. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat bij het aangaan van de verbintenis een primaire schuldeiser optreedt, die evenwel de bevoegdheid heeft om een ander, nog onbepaald persoon, in zijn plaats te stellen (vgl. de koop voor zich of nader aan te geven koper). Indien hiervan geen gebruik wordt gemaakt, blijft deze persoon degene die als schuldeiser optreedt. Er treedt met andere woorden niemand in de plaats.
Voor wat het erfrecht betreft, doet deze ‘vervangbaar gestelde (ofwel facultatieve) persoon-figuur’ enigszins denken aan de subsidiaire making: wie verkrijgt als de eerst geroepene bijvoorbeeld is vooroverleden of verwerpt? Het verschil tussen de figuur van de vervangbaar gestelde persoon in het verbintenissenrecht en een erfrechtelijke subsidiaire making is dat in het geval van de vervangbaar gestelde persoon in het verbintenissenrecht, de primaire schuldeiser kan bepalen wie de subsidiaire schuldeiser is. Terwijl bij een testamentaire subsidiaire making de erflater in zijn uiterste wil heeft bepaald wie in de plaats van de eerstgeroepene treedt, indien deze bijvoorbeeld de making verwerpt. Kan erflater deze bevoegdheid in zijn uiterste wil ook verlenen aan de primaire legataris? Bijvoorbeeld: ‘X is legataris, tenzij X iemand anders aanwijst als legataris’.
Bij het antwoord op de vraag of een dergelijke erfrechtelijke indeplaatstelling met betrekking tot de persoon van de legataris is toegestaan, kan reeds worden opgemerkt dat X altijd bevoegd is om een legaat te verwerpen. Maar kan hij dan ook bepalen wie vervolgens het legaat verkrijgt? Hiervoor dient mijns inziens te worden gekeken naar de aard van het legaat en de uitleg van het bepaaldheidsvereiste dat voor het legaat geldt. Ik ga hierop in de volgende paragrafen nader in. Hierbij bekijk ik ook of de erflater deze bevoegdheid om de legataris te bepalen aan een ander dan de primaire legataris kan verlenen, zoals aan een erfgenaam.
Zoals reeds naar voren kwam in paragraaf 4.3.8.3 is het mogelijk om een derde een keuze te laten maken uit alternatief genoemde legatarissen.1 Deze alternatieve keuze kan zien op individueel aangewezen personen of in een bepaalde hoedanigheid aangewezen personen. Zo geven Hartkamp en Sieburgh het voorbeeld van een erflater die een legaat heeft gemaakt aan twee personen X of Y ter keuze van de erfgenaam.2 Evenzo is het mijns inziens toelaatbaar om een legaat te maken van bijvoorbeeld de kunstcollectie aan ‘degene van mijn kinderen (hoedanigheid) die naar het oordeel van mijn enig erfgenaam de meeste interesse toont in mijn kunstcollectie’. Op de ‘alternatieve legataris’ kom ik kort terug in paragraaf 5.3.2.4.
In het verlengde van de ‘facultatieve schuldeiser resp. schuldenaar’ stelde ik in paragraaf 4.3.8.4 reeds de vraag of een erflater een uiterste wilsbeschikking kan maken waarin hij als legataris aanwijst: ‘een binnen vier weken na mijn overlijden nader – door X – te noemen (op het moment van het openvallen van de nalatenschap nog onbepaald) persoon.’ Dit deed ik in de context van de figuur van de ‘nader te noemen meester’ als bedoeld in art. 3:67 BW. Ik gaf hierbij al aan dat in dit verband een vergelijking met art. 3:67 BW niet op gaat. X handelt in het voorbeeld immers niet voor een nog onbepaalde nader te noemen ‘meester’, maar voor erflater (die bepaald is). X krijgt hier niet de bevoegdheid om een nader te noemen meester aan te wijzen, maar de bevoegdheid om de legataris (die door erflater onbepaald is) te bepalen. Toch zou het denken in ‘de sfeer’ van de nader te noemen meester, in het bijzonder het nader noemen van een nog onbepaalde ‘contractspartij’, kunnen helpen om de rechtsbetrekking tussen de erflater (en na aanvaarding van de nalatenschap: diens erfgenamen) en X te duiden. Is er bijvoorbeeld überhaupt wel sprake van een legaat als de legataris op het moment van erflaters overlijden nog geheel onbepaald is? Deze vraag kan mijns inziens worden beantwoord aan de hand van de opvatting van het bepaaldheidsvereiste dat voor het legaat geldt. Zoals ik hiervoor reeds aankondigde ga ik hierna, en voor wat de ‘nader te noemen legataris’ betreft in het bijzonder in paragraaf 5.3.2.5, nader op het bepaaldheidsvereiste dat voor het legaat geldt in.