Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/8.8.3
8.8.3 Collectieve waardeoverdracht op grond van art. 84 Pensioenwet
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949849:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kwanten, in: T&C Pensioenrecht, commentaar op art. 84 Pensioenwet, aant. 1. Volgens de ZBO-verantwoording 2020 (pagina 28) van DNB heeft DNB alleen al in 2020 vijftien van dergelijke liquidaties beoordeeld (https://www.dnb.nl). Op dezelfde pagina plaatst DNB de liquidaties in het kader van noodzakelijke schaalgrootte, efficiency en kostenbesparingen die nodig blijven om de uitvoeringskosten zo laag mogelijk te houden.
Heemskerk 2020, p. 551.
Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 3, p. 235-237.
Van Gelder, Heijmans, Kuijpers en Lewin, Pensioen & Praktijk nr. 2 2019, p. 10 verwoordt het als volgt: “In een dergelijk geval is er geen individuele instemming vereist. Anders zou een individu immers een vetorecht hebben om een liquidatie tegen te houden en dat is niet de bedoeling. Bij liquidatie kan er namelijk simpelweg niemand achterblijven bij de oude pensioenuitvoerder, want die houdt op te bestaan.” Op grond van art. 2:19 lid 5 BW blijft de rechtspersoon na de ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Op grond van art. 2:19 lid 6 BW houdt de rechtspersoon in geval van vereffening op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt. Ik zou de laatste zin dus zelf net iets anders geformuleerd hebben: Bij liquidatie kan er simpelweg niemand achterblijven bij de oude pensioenuitvoerder, want anders kan deze niet ophouden te bestaan.
Heemskerk 2020, p. 73 en p. 553.
Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 23 januari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:344, PJ 2020/51, m.nt. W.P.M. Thijssen (Stichting Pensioenfonds Autoriteit Financiële markten in liquidatie en Stichting Autoriteit Financiële markten). Zie bijvoorbeeld ook Rb. Midden-Nederland 18 maart 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:1059 (Stichting Pensioenfonds ECI). In Rb. Amsterdam 8 september 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:5668, PJ 2016/140 (Stichting Pensioenfonds Mercurius) werd voor die situatie geoordeeld dat de verzoeker geen belang had bij verzet omdat het liquiderende pensioenfonds er zorg voor had gedragen dat ook niet bekende en/of niet juist geregistreerde pensioenverplichtingen onder de overdracht vielen. De door het pensioenfonds betwiste vordering van de verzoeker viel in die categorie.
Rb. Rotterdam 26 februari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:1486 (Optas); Rb. Rotterdam 26 februari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:1487 (Optas); Rb. Rotterdam 26 februari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:1488 (Optas) en Rb. Rotterdam 26 februari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:1489 (Optas). Deze uitspraken van de Rechtbank Rotterdam zijn tevens gepubliceerd respectievelijk besproken in: Rechtspraak Financieel recht 2021/61, m.nt. R. van de Meerakker; PJ 2021/44; Pensioenrecht Updates 2021/50; Van Wijk en Land, VAST 2021/N-021; Van Wijk, de Beursbengel juli-augustus 2021, p. 27.
CBb 14 december 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1063, Nederlands Juristenblad 2022/250; Jurisprudentie Bestuursrecht 2022/37, m.nt. R.J.N. Schlössels; JOR 2022/64, m.nt. S.M.C. Nuijten; JIN 2022/78, m.nt. R.J.N. Schlössels; Pensioenrecht Updates 2022/66; Rechtspraak Financieel recht 2022/37; AB Rechtspraak Bestuursrecht 2022/204, m.nt. R. Stijnen; JONDR 2022/479; Ondernemingsrecht 2022/22, m.nt. A.M.M. Menken (Polishouders Optas/DNB).
Heemskerk 2020, p. 554.
Heemskerk, Pensioen Magazine 2022/68, p. 11.
In hetzelfde artikel van 12 mei 2022 in het Pensioen Magazine geeft Heemskerk aan dat het ook voorzienbaar is dat belanghebbenden bij het “invaren” van hun oude pensioenregeling in een nieuwe pensioenregeling na de invoering van de Wet toekomst pensioenen, analoog aan deze CBb uitspraak DNB zullen verzoeken om gehoord te worden c.q. bezwaar maken tegen het “invaarbesluit” van DNB. Onder “invaren” wordt verstaan dat de in het oude pensioenstelsel opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten worden omgezet naar de gewijzigde pensioenovereenkomst.De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen was blijkens Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 8, p. 7 op basis van een advies van landsadvocaat Pels Rijcken dezelfde mening toegedaan als Heemskerk. Door een Nota van Wijziging van de Wet toekomst pensioenen d.d. 17 mei 2022 is dit gebruik maken van de Algemene wet bestuursrecht bij het “invaren” onmogelijk gemaakt. De desbetreffende besluiten van DNB zijn toegevoegd aan art. 1 van bijlage 2 bij de Awb. Dat artikel vermeldt besluiten waartegen geen beroep, en dus ook geen bezwaar bij het bestuursorgaan, mogelijk is (art. 8:5 Awb en art. 7:1 Awb).Dit doet niet af aan de mogelijkheid om in geval van toepassing van art. 84 Pensioenwet een beroep te doen op de CBb uitspraak van 14 december 2021.
Zie de laatste pagina van deze toelichting van DNB.
ABRvS 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:14, JIN 2015/93, m.nt. L.J.M. Timmermans. In een verordening van de gemeente Leeuwarden was opgenomen dat burgers een melding moesten doen van de aanleg van een uitweg vanaf een woonperceel. De verordening bevatte geen verplichting voor de gemeente om op de melding te reageren indien men instemde met het maken of veranderen van de uitweg. Indien de gemeente niet binnen vier weken besliste dat de gewenste uitweg werd verboden, ontstond het recht om deze aan te leggen.De ABRvS oordeelde dat een binnen vier weken verzonden brief van het college van burgemeester en wethouders aan de melder die erop neerkomt dat, al dan niet onder voorschriften, met de melding kan worden ingestemd of dat deze wordt geaccepteerd, dient te worden aangemerkt als een besluit. In art. 1:3 lid 1 Awb wordt een besluit gedefinieerd als “een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling”.De kernvraag was hier of zo’n brief wel een rechtshandeling inhield. De ABRvS oordeelde (r.o. 4.3.): “De instemming of acceptatie is gericht op rechtsgevolg, omdat daarmee het recht ontstaat om met de aanleg van de uitweg te beginnen. Dit recht vangt dan eerder aan dan na afloop van de in het derde lid van artikel 2:12 van de Apv genoemde termijn van vier weken, aangezien het college aldus beslist geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid de uitweg te verbieden.”Zie over deze uitspraak en de onverplichte reactie op een melding ook Schreuder-Vlasblom 2017, p. 145.
De destijds door de ABRvS beoordeelde situatie is naar mijn mening van dezelfde aard als de situatie op grond van art. 84 Pensioenwet: er is sprake van een melding als alternatief voor een vergunningstelsel, het bestuursorgaan heeft een bepaalde periode om te reageren op de melding en als het bestuursorgaan in die periode geen verbod oplegt mag de handeling worden uitgevoerd. Ik meen daarom dat een bericht van DNB aan het pensioenfonds dat zij geen bezwaar heeft tegen de collectieve waardeoverdracht kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb. De omschrijving “melding als alternatief voor een vergunningstelsel” ontleen ik aan Timmermans, Jurisprudentie Bestuursrecht plus 2016/1. Hij bespreekt het rechtskarakter van de bestuurlijke reactie op een melding. Daarbij maakt hij onderscheid in een aantal meldingenstelsels, onder meer de melding als alternatief voor een vergunningstelsel.
De ABRvS ging er in deze uitspraak bovendien op in of er ook sprake zou kunnen zijn van rechtsbescherming, indien het college géén brief zou hebben gestuurd. Die vraag werd bevestigend beantwoord. “De Afdeling volgt de staatsraad advocaat-generaal in zijn oordeel dat het uit oogpunt van het streven naar een coherent systeem van rechtsbescherming onwenselijk is aan te nemen dat, indien een brief als onder 4.3. bedoeld is uitgebleven, geen rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat tegen het van rechtswege intreden van het rechtsgevolg ingevolge het derde lid van artikel 2:12 van de Apv. Daarom dient dit van rechtswege intreden van het rechtsgevolg op dezelfde wijze als in artikel 6:2 van de Awb voor een andere situatie is voorgeschreven, voor de rechtsbescherming te worden gelijkgesteld met een besluit. Het verstrijken van de in genoemd derde lid van artikel 2:12 vermelde termijn van vier weken brengt immers met zich dat vanaf dat moment het recht ontstaat met de aanleg van de uitweg te beginnen.”Ik meen daarom dat ook indien DNB een bericht over de collectieve waardeoverdracht achterwege zou laten, het van rechtswege intreden van het rechtsgevolg dat het pensioenfonds bevoegd is tot de collectieve waardeoverdracht, voor de rechtsbescherming die wordt geboden door de Awb, op grond van deze uitspraak van de ABRvS mag worden gelijkgesteld met een besluit.
Rb. Amsterdam 6 juli 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:4296 (Eisers/Stichting Pensioenfonds PGB, Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Reisbranche in liquidatie en DNB).
R.o. 5.
Volgens r.o. 1.10 heeft één betrokkene bezwaar tegen het besluit van DNB ingediend, maar zonder succes. DNB heeft zijn bezwaar bij besluit van 25 juli 2022 ongegrond verklaard. Hij heeft vervolgens afgezien van beroep bij de bestuursrechter. Ik veronderstel dat DNB in de uitspraak van 14 december 2021 “Polishouders Optas/DNB” aanleiding heeft gezien om deze betrokkene “ontvankelijk” te verklaren in zijn bezwaar en om zijn bezwaar dus inhoudelijk te beoordelen.
Dit lijkt een toepassing van de leer van de ‘formele rechtskracht’. Zie hierover Barkhuysen e.a. 2022, p. 276-277 en voor een uitgebreide toelichting Schreuder-Vlasblom 2017, p. 460-472. In het bestuursrecht wordt aangenomen dat een besluit van een bestuursorgaan rechtmatig is, indien het niet wordt bestreden (Barkhuysen e.a. 2022, p. 276). Een besluit heeft ‘formele rechtskracht’ gekregen “als daartegen niet (tijdig) of in gewone aanleg zonder succes is opgekomen” (Schreuder-Vlasblom 2017, p. 460).
Art. 1:23 lid 1 Wft: “De rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling welke is verricht in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels is niet uit dien hoofde aantastbaar, behalve voor zover in deze wet anders is bepaald.” Er is hier geen sprake van strijd met de bij of krachtens de Wft gestelde regels en overigens is hier ook geen sprake van een privaatrechtelijke rechtshandeling.
Asser/Lutjens 7-XI 2019/814 en Heemskerk 2020, p. 521-522. Lutjens en Heemskerk merken expliciet op dat de waardeoverdracht geen contractsoverneming is in de zin van art. 6:159 BW en ook geen schuldoverneming in de zin van art. 6:155 BW.
Het instellen van bezwaar en beroep op grond van de Awb heeft geen schorsende werking ten aanzien van “het besluit” van DNB. De belanghebbende doet er dus verstandig aan zich te beraden op de vraag of hij ook om een voorlopige voorziening zou moeten verzoeken, op grond waarvan de pensioenuitvoerder op het oordeel van de bestuursrechter moet wachten alvorens de collectieve waardeoverdracht te effectueren.
In Rb. Limburg 8 november 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:10722 (Stichting Pensioenfonds Sabic) verklaarde de kantonrechter een collectieve waardeoverdracht die op grond van art. 83 Pensioenwet had plaatsgevonden nietig, omdat niet aan een van de in art. 83 Pensioenwet gestelde voorwaarden was voldaan. Naar mijn mening kan dan ook voor het geval van een collectieve waardeoverdracht op grond van art. 84 Pensioenwet worden aangenomen dat deze nietig is, indien niet aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan. Zie over deze uitspraak Heemskerk 2020, p. 550.
Deelnemers kunnen een summier bezwaarschrift indienen, desgewenst met het verzoek de gronden van het bezwaar te mogen aanvullen nadat zij inhoudelijk (meer) informatie hebben verkregen. Zie hierover, en met betrekking tot de termijnen voor het indienen van bezwaar, de Optas-uitspraken inzake FNV Havens van Rb. Rotterdam 26 februari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:1485 (Optas) en CBb 3 mei 2022, ECLI:NL:CBB:2022:204, PJ 2022/66; ABkort 2022/243 (Optas). Ik besprak deze uitspraken in hoofdstuk 6.6 van dit onderzoek.
Ik ben overigens van mening dat men op grond van deze twee uitspraken niet alleen kan stellen dat een deelnemer op grond van de Awb het recht van beroep en bezwaar heeft tegen het bericht van DNB waarmee zij de pensioenuitvoerder informeert dat de beoordeling van de collectieve waardeoverdracht op grond van art. 84 Pensioenwet is afgerond, maar dat dit waarschijnlijk óók mag worden aangenomen ten aanzien van het bericht van DNB in het geval van een collectieve waardeoverdracht op grond van art. 83 Pensioenwet. Ook op grond van art. 83 Pensioenwet is het vereist dat de pensioenuitvoerder het voornemen tot waardeoverdracht uiterlijk drie maanden voor de beoogde datum van waardeoverdracht meldt aan DNB. De collectieve waardeoverdracht mag plaatsvinden indien DNB binnen die periode geen verbod tot waardeoverdracht heeft opgelegd. Ook bij de collectieve waardeoverdracht op grond van art. 83 Pensioenwet informeert DNB het overdragende pensioenfonds voor de beoogde overdrachtsdatum, als DNB geen bezwaar heeft tegen de collectieve waardeoverdracht. Dit zou het geval zijn volgens de “factsheet” van DNB van 22 juni 2021 over het proces van melding bij DNB van een collectieve waardeoverdracht van een pensioenfonds naar een andere pensioenuitvoerder (zie https://www.dnb.nl/voor-de-sector/open-boek-toezicht/sectoren/pensioenfondsen/collectieve-waardeoverdracht/proces-melding-bij-dnb-van-een-collectieve-waardeoverdracht-van-een-pensioenfonds-naar-een-andere-pensioenuitvoerder). Ik veronderstel dat DNB ook een dergelijk bericht stuurt in het geval van een collectieve waardeoverdracht op grond van art. 83 Pensioenwet van een levensverzekeraar naar een andere pensioenuitvoerder. Maar ook indien dat niet het geval zou zijn, staat er gelet op de passage in de uitspraak van de ABRvS over de situatie dat een brief is uitgebleven, naar mijn mening wel degelijk een bestuursrechtelijke rechtsgang open. Men zou bij een collectieve waardeoverdracht op grond van art. 83 Pensioenwet mogelijk kunnen aanvoeren dat deze rechtsgang niet openstaat, omdat de deelnemer (anders dan in het geval van een collectieve waardeoverdracht op grond van art. 84 Pensioenwet) gebruik kan maken van het bezwaarrecht omschreven in art. 83 Pensioenwet. Ik verwacht dat de bestuursrechter een dergelijk verweer naast zich neerlegt, omdat het honoreren daarvan zou impliceren dat er dan met betrekking tot het ‘besluit’ van DNB geen enkele rechterlijke toetsing kan plaatsvinden. Een rechtsgang bij de civiele rechter is er met betrekking tot dat ‘besluit’ immers ook niet.
Inleiding
Art. 84 Pensioenwet bevat de verplichting tot collectieve waardeoverdracht bij liquidatie van de pensioenuitvoerder. Dit komt met name voor bij ondernemingspensioenfondsen en (weliswaar in mindere mate) ook bij kleine bedrijfstakpensioenfondsen.1 In de praktijk wordt een dergelijke transactie een “pension buyout” genoemd.2 De pensioenuitvoerder in liquidatie draagt de waarde van het pensioen over aan de nieuwe pensioenuitvoerder. Bij een collectieve waardeoverdracht op grond van art. 84 Pensioenwet is er géén bezwaarrecht voor de deelnemers. De Memorie van Toelichting3 licht dat niet toe, maar logischerwijze komt dit omdat achterblijven bij een liquiderende pensioenuitvoerder geen optie is. De pensioenuitvoerder zou dan immers nog heel lang niet kunnen ophouden te bestaan.4
Art. 84 Pensioenwet en het recht van verzet op grond van art. 2:23b lid 5 BW
Art. 2:19 en volgende BW regelen hoe de ontbinding en vereffening van een rechtspersoon moeten verlopen. Art. 2:23b lid 5 BW geeft aan iedere schuldeiser en gerechtigde een recht van verzet tegen de rekening en verantwoording en het plan van verdeling. Een pensioenfonds is een rechtspersoon (vaak een stichting). Deze bepalingen van het rechtspersonenrecht over ontbinding en vereffening zijn hier dus naast de Pensioenwet van toepassing.5 Van het recht van verzet op grond van art. 2:23b lid 5 BW tegen de rekening en verantwoording en het plan van verdeling wordt in de praktijk bij liquidatie van pensioenfondsen ook daadwerkelijk gebruik gemaakt.6
Art. 84 Pensioenwet en het recht van bezwaar en beroep op grond van de Awb
Ook bij een collectieve waardeoverdracht op grond van art. 84 Pensioenwet heeft DNB een belangrijke rol. Het voornemen tot waardeoverdracht moet door de overdragende pensioenuitvoerder uiterlijk drie maanden voor de beoogde datum van waardeoverdracht schriftelijk aan DNB worden gemeld. Bij het meldingsformulier hoort een “Toelichting meldingsformulier artikel 84 Pw collectieve waardeoverdracht vanwege liquidatie pensioenfonds of collectiviteitkring” (22 juni 2021).7 DNB kan de waardeoverdracht verbieden.
In hoofdstuk 6.6 heb ik de uitspraken van de Rechtbank Rotterdam8 en het College van Beroep voor het bedrijfsleven9 uit het jaar 2021 besproken waarin in het geval van de overdracht van een portefeuille met levensverzekeringen werd geoordeeld dat een polishouder belanghebbende is in de zin van art. 1:2 Awb met betrekking tot het instemmingsbesluit van DNB. Heemskerk beschrijft (in het jaar 2020) dat er zijns inziens “juridische ruimte” is om personen (of een collectief), ten aanzien van een besluit van DNB over de voorgenomen liquidatie van de pensioenuitvoerder en/of waardeoverdracht door de pensioenuitvoerder, te kwalificeren als belanghebbende in de zin van art. 1:2 Awb.10 Voor die stelling kunnen nu ook argumenten ontleend worden aan de uitspraak van het CBb. In een voetnoot in een door hem opgestelde kroniek van pensioenuitspraken geeft Heemskerk inderdaad aan dat naar aanleiding van deze uitspraak naar zijn mening voorzienbaar is dat ook belanghebbenden die in het kader van de liquidatie ex art. 84 Pensioenwet geen individueel bezwaarrecht hebben en daarom als belanghebbende (in de zin van art. 1:2 Awb) bij het besluit van DNB betrokken wensen te worden, naar aanleiding van deze CBb uitspraak aan DNB zullen verzoeken om gehoord te worden c.q. bezwaar maken tegen een besluit van DNB in het kader van art. 84 Pensioenwet.1112
Dat deelnemers als belanghebbende in de zin van art. 1:2 Awb met betrekking tot de (voorgenomen) collectieve waardeoverdracht in bezwaar kunnen gaan bij DNB, en vervolgens in beroep kunnen gaan bij de bestuursrechter, veronderstelt dan wel dat er sprake is van een besluit van DNB. Art. 84 Pensioenwet vereist dat de overdragende pensioenuitvoerder uiterlijk drie maanden voor de overdrachtsdatum een melding doet aan de toezichthouder. Indien DNB binnen die periode geen verbod tot waardeoverdracht oplegt, mag de collectieve waardeoverdracht plaatsvinden. Volgens de hiervoor al genoemde toelichting bij het meldingsformulier dat voor de melding moet worden gebruikt,13 wordt het overdragende pensioenfonds door DNB “geïnformeerd”14 zodra DNB de beoordeling heeft afgerond. De juridische vraag is hier uiteraard of dit bericht van DNB, dat zij geen bezwaar heeft tegen de overdracht, gekwalificeerd kan worden als een besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Het is op grond van bestuursrechtelijke jurisprudentie, met name een uitspraak15 van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘ABRvS’) van 14 januari 2015, goed verdedigbaar dat dit het geval is.16 Op grond van deze uitspraak is het naar mijn mening bovendien zo dat aangenomen mag worden dat zelfs indien DNB naar aanleiding van de melding dat er een collectieve waardeoverdracht in de zin van art. 84 Pensioenwet gaat plaatsvinden géén reactie verstuurt, hetgeen dus impliceert dat de collectieve waardeoverdracht mag plaatsvinden, er toch sprake is van een besluit waartegen op grond van de Awb bezwaar en beroep openstaat.17
Uit een recente uitspraak van de Kantonrechter Amsterdam18 blijkt dat DNB erkent dat deelnemers bij een collectieve waardeoverdracht op grond van art. 84 Pensioenwet gebruik kunnen maken van het recht van bezwaar en beroep op grond van de Awb. Het ging hier om geschillen naar aanleiding van de collectieve waardeoverdracht van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Reisbranche naar Stichting Pensioenfonds PGB, waarbij ook een verlaging van de pensioenen plaatsvond. Een groep deelnemers begon een juridische procedure waarin zij principiële standpunten innamen, waarvan zij menen dat daarover prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU moeten worden gesteld. Zij voerden ook aan dat DNB ten onrechte geen verbod van de collectieve waardeoverdracht had opgelegd. De kantonrechter vermeldt in zijn uitspraak19 dat DNB zich erop heeft beroepen dat de eisers in de vordering jegens haar niet ontvankelijk zijn, “omdat er een behoorlijke met rechtswaarborgen omklede procedure heeft opengestaan waarin eisers tegen het aangevallen besluit (in de zin van de AWB) bezwaar en beroep (bij de bestuursrechter) hadden kunnen instellen”. Nu zij daarvan geen gebruik hebben gemaakt,20 gaat de kantonrechter in zijn vonnis uit van de rechtmatigheid van het besluit van DNB.21
Ook in dit verband rijst dan uiteraard wel de vraag wat het juridische gevolg zou kunnen zijn van het instellen van bezwaar en beroep. Naar mijn mening zou het instellen van bezwaar en beroep ertoe kunnen leiden dat de collectieve waardeoverdracht nietig blijkt te zijn. In hoofdstuk 5.9 heb ik verdedigd dat het ontbreken van de op grond van de Wft vereiste instemming van DNB voor besluiten tot juridische fusie of juridische splitsing van twee verzekeraars niet tot vernietigbaarheid van de juridische fusie of juridische splitsing kan leiden. Dit komt omdat het ontbreken van de instemming van DNB voor besluiten tot juridische fusie of juridische splitsing, op grond van art. 1:23 Wft, niet kan leiden tot de vernietigbaarheid van het besluit tot juridische fusie of juridische splitsing. Art. 1:23 Wft22 speelt bij een collectieve waardeoverdracht op grond van de Pensioenwet echter geen enkele rol. In hoofdstuk 6.6.5 heb ik verdedigd dat een “gewone” portefeuilleoverdracht zonder de op grond van de Wft vereiste instemming van DNB wél nietig is. De overdracht van een verzekeringsportefeuille met toepassing van de Wft-regeling is in feite een contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW, waarbij de medewerking van de polishouders van de overdragende verzekeraar wordt vervangen door de instemming van DNB. Deze overdracht is zonder instemming van DNB nietig, omdat in het geval dat de instemming van DNB niet is verkregen de medewerking van de polishouders vereist zou zijn voor een civielrechtelijk geldige contractsoverneming. Die medewerking is niet verkregen. Art. 6:159 BW speelt echter bij een collectieve waardeoverdracht geen rol. De collectieve waardeoverdracht wordt namelijk beschouwd als een eigen rechtsfiguur van de Pensioenwet.23 Aangenomen moet dus worden dat we op basis van de wettekst van art. 84 Pensioenwet moeten beoordelen wat het gevolg zou kunnen zijn van het instellen van bezwaar en beroep. Art. 84 lid 2 Pensioenwet luidt als volgt:
“In geval van een waardeoverdracht als bedoeld in het eerste lid gelden de volgende voorwaarden: (a) het voornemen tot waardeoverdracht aan een pensioenuitvoerder wordt door de overdragende pensioenuitvoerder uiterlijk drie maanden voor de beoogde datum van waardeoverdracht schriftelijk gemeld aan de toezichthouder en de toezichthouder heeft binnen die periode geen verbod tot waardeoverdracht opgelegd; (...)”
Het lijkt mij goed verdedigbaar dat indien “het besluit” van DNB om geen verbod tot waardeoverdracht op te leggen door de bestuursrechter wordt herroepen en deze rechter een vervangend besluit neemt waarin een verbod tot waardeoverdracht wordt opgelegd, er niet voldaan is aan de voorwaarden van art. 84 Pensioenwet voor een rechtsgeldige collectieve waardeoverdracht. Indien de collectieve waardeoverdracht al zou hebben plaatsgevonden, 24 dan moet deze mijns inziens geacht worden nietig te zijn.25 De overgedragen waarde valt daardoor met terugwerkende kracht terug in het vermogen van de overdragende pensioenuitvoerder. Indien deze al opgehouden zou zijn te bestaan, heeft het bepaalde in art. 2:23c lid 1 BW tot gevolg dat de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening kan heropenen. Er blijkt dan immers een bate te bestaan. De pensioenuitvoerder herleeft dan ter afwikkeling van de heropende vereffening.26
Rechten van deelnemers bij een collectieve waardeoverdracht op grond van art. 84 Pensioenwet
Samengevat ben ik derhalve van mening dat de juridische situatie met betrekking tot de rechten van deelnemers bij een collectieve waardeoverdracht op grond van art. 84 Pensioenwet als volgt is:
Art. 84 Pensioenwet kent aan de deelnemers géén bezwaarrecht toe.
Zij kunnen op grond van Boek 2 BW in beginsel wel gebruik maken van het recht van verzet tegen de rekening en verantwoording en het plan van verdeling van het overdragende pensioenfonds.
Deelnemers kunnen op grond van de genoemde uitspraken van de ABRvS van 14 januari 2015 en het CBb van 14 december 2021 stellen dat het bericht van DNB aan het pensioenfonds dat zij geen bezwaar heeft tegen de overdracht een besluit is in de zin van art. 1:3 Awb en dat zij in de zin van art. 1:2 Awb belanghebbenden zijn bij dit besluit. Zij hebben daardoor op grond van de Awb het recht van bezwaar en beroep tegen het bericht van DNB27 aangaande een dergelijke collectieve waardeoverdracht.28
Slotopmerking
Ten slotte wil ik nog opmerken dat de hiervoor genoemde AFM “Leidraad informatieverstrekking aan deelnemers bij een Collectieve Waardeoverdracht” ook van toepassing is in geval van een collectieve waardeoverdracht op grond van art. 84 Pensioenwet.