Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.8.4
4.8.4 De wijze waarop machtsverschaffing plaatsvindt
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS399668:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Swaaij 2000, p. 67-68, Reehuis 2004, nr. 59, Faber 2007, p. 43-44, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 246 en nr. 963, Reehuis 2013, nr. 16, Rongen 2014, p. 302, Stolz 2015, p. 894-904 en Verstijlen 2015, art. 3:91 BW, aant. 9. Veelal wordt ook Mijnssen 1983, p. 349 genoemd als aanhanger van deze leer, maar hij gaat uit van voorwaardelijke bezitsverschaffing d.m.v. een constitutum possessorium onder opschortende voorwaarde, waardoor de koper pas bezitter wordt na vervulling van de voorwaarde. Zoals hiervoor aan de orde kwam, is dat een wezenlijk andere figuur dan (onvoorwaardelijke) machtsverschaffing door middel van een constitutum possessorium, met alle (faillissementsrechtelijke) gevolgen van dien.
Kortmann 1992, p. 208, voetnoot 37 (althans hij eist dat de zaak op zijn minst voor de koper apart wordt gezet, waardoor hij kennelijk de tweezijdige verklaring als zodanig onvoldoende acht), Peter 2007, p. 134- 135, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 415 en (impliciet) Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 529.
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 384. Zie ook M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 389 en T.M., Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 96. Zie uit de literatuur bijv. Reehuis 2004, nr. 59, Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 120 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 529. Zie kritisch over de term macht: Vriesendorp 1985a, p. 46-51 en Fesevur 2005, p. 98 en p. 107.
Reehuis 2004, nr. 59, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 415, Reehuis 2013, nr. 16 en Stolz 2015, p. 887- 889.
Zie over dit dubbele gebruik van de term houden Vriesendorp 1985a, p. 46-47, Rank-Berenschot 2012, nr. 4, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 126 en Van Schaick 2014, nr. 5.
Faber 2000, p. 176, voetnoot 7.
Vgl. Wolff & Raiser 1957, p. 31-32, Wieling 2006, p. 230 e.v., Baur/Baur & Stürner 2009, p. 73-78, Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 126, Klang/Kodek 2011, § 309 ABGB, Rn. 21, Schwimann & Kodek/Grüblinger 2012, § 309 ABGB, Rn. 3 en MünchKomm-BGB/Joost 2017, § 868 BGB, Rn. 8 e.v. Enigszins anders: BGH 19 januari 1955, NJW 1955, 499.
Van Schaick 2014, nr. 6. Vgl. ook Rank-Berenschot 2012, nr. 7.
Vgl. Van Schaick 2014, nr. 6.
Zie over de levering door een houder met verdere verwijzingen Rank-Berenschot 2012, nr. 56, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 240 en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 321.
Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 336.
BGH 30 mei 1958, NJW 1958, 1286 met verdere verwijzingen. Zie ook Baur/Baur & Stürner 2009, p. 72 en Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 114. Kritisch: MünchKomm-BGB/Joost 2017,§ 854 BGB, Rn. 35 die meent dat in een dergelijk geval wel degelijk sprake is van Mitbesitz, maar dit niet voldoende acht voor eigendomsoverdracht.
Wolff & Raiser 1957, p. 244, Wieling 2006, p. 311 en Staudinger/Wiegand 2017, § 930 BGB, Rn. 8. Mogelijk anders: MünchKomm-BGB/Oechsler 2017, § 930 BGB, Rn. 8 die namelijk aanneemt dat ‘[b]ei aufschiebend bedingter Übereignung (…) der Besitz des Veräuûerers nur im Zeitpunkt des Abschlusses des Geschäfts, nicht aber bei Bedingungseintritt vorliegen [muss]’, waaruit lijkt te moeten worden afgeleid dat de Übergabe kennelijk al heeft plaatsgevonden. Daartegen (naast de in deze noot reeds genoemde auteurs): BGB-RGRK/Pikart 1979, § 930 BGB, Rn. 5, Soergel/Henssler 2002, § 930 BGB, Rn. 7 en Erman/Michalski 2011, § 930 BGB, Rn. 3.
Overigens trekken enkel Planck/Brodmann 1933, § 930 BGB, Anm. 4, Blomeyer 1939, p. 243 en Wieling 2006, p. 311 expliciet deze conclusie. Mogelijk anders: Wilhelm 2010, p. 363, voetnoot 1535 en p. 921, voetnoot 3601. Opvallend genoeg wordt in de insolventierechtelijke literatuur daarentegen impliciet aangenomen dat de levering wÉl door middel van een c.p. kan geschieden, zonder de kwestie überhaupt te problematiseren. Zie bijv. MünchKomm-InsO/Ott & Vuia 2013, § 107 InsO, Rn. 18 en Uhlenbruck/ Wegener 2015, § 107 InsO, Rn. 6. Er wordt niet stilgestaan bij de omstandigheid dat de verkoper gedurende de periode van onzekerheid nog Eigenbesitzer is. Zie voor een opmerkelijk voorbeeld OLG Düsseldorf 16 januari 2013, NZI 2013, 303 waarin wordt aangenomen dat de koper onder eigendomsvoorbehoud door een levering c.p. Eigenbesitzer (bezitter) is geworden, omdat de verkoper – als eigenaar – de zaak voor de koper is gaan houden. Mogelijk is daarbij gedacht aan de figuur van het zgn. mehrstufiger mittelbarer Besitz. Daarbij wordt het voor mogelijk gehouden dat de bezitter (Eigenbesitzer) van een zaak, de zaak voor een ander houdt, die de zaak op zijn beurt weer voor de bezitter houdt. Daarvan is bijv. sprake als de verhuurder een gedeelte van de huurruimte onderhuurt van de huurder. Zie daarover met verdere verwijzingen MünchKomm-BGB/Joost 2017, § 871 BGB, Rn. 2 en Bamberger & Roth/Fritzsche 2017, § 871 BGB, Rn. 3. Slechts door een enkeling wordt een zodanige constructie genoemd in het kader van de levering bij een eigendomsvoorbehoud. Zie bijv. Brecht 1912, p. 282-285 en L. Michalski, ‘Versuch einer Korrektur der Inkongruenz von § 933 und § 934 BGB’, AcP 1981, p. 404. Mogelijk moet de verklaring voor de mogelijkheid van een Besitzkonstitut bij het eigendomsvoorbehoud ook naar Oostenrijks recht in die constructie worden gezocht. Door Frotz 1970, p. 161, voetnoot 291 en Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 498 wordt een levering c.p. bij een eigendomsvoorbehoud zonder meer voor mogelijk gehouden, zonder dat dit echter wordt geproblematiseerd.
Vgl. voor een dergelijke meer pragmatische insteek de voor het overige nogal hybride passage van Wilhelm 2010, p. 363, voetnoot 1535.
Verstijlen 2015, art. 3:91 BW, aant. 9. Vgl. ook Stolz 2015, p. 895.
Faber 2007, p. 44, voetnoot 24, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 246 en nr. 963 en Verstijlen 2015, art. 3:91 BW, aant. 10.
Vgl. Stolz 2015, p. 888.
Vgl. A.J.M. Holster, ‘Is het noodig dat bij verkoop van roerende zaken, welke dadelijk in bruikleen aan den verkooper worden gegeven, levering plaats hebbe?’, Regt en Wet 1854, p. 218-219, H.L. Drucker, Bezitsverkrijging en bezitsverlies door derden (diss. Leiden), Leiden: Van Doesburgh 1879, p. 216 en Scheltema 1938, p. 401. Zie ook de Protokolle der Kommission für die zweite Lesung des Entwurfs des Bürgerlichen Gesetzbuchs, Band III: Sachenrecht, p. 197.
Uit het bovenstaande volgt dat artikel 3:91 BW een zelfstandige leveringsbepaling is, die buiten twijfel stelt dat ter uitvoering van een verbintenis onder opschortende voorwaarde direct kan worden geleverd. Vervolgens is het de vraag op welke wijze aan dit vereiste van machtsverschaffing kan worden voldaan. Het gaat daarbij in het bijzonder om de vraag of de machtsverschaffing noodzakelijkerwijs dient te geschieden door middel van het feitelijk overhandigen van de zaak aan de koper of dat het ook mogelijk is om, al dan niet naar analogie van artikel 3:115 BW, de macht door middel van een tweezijdige verklaring te verschaffen. In de literatuur wordt overwegend aangenomen dat machtsverschaffing ook door middel van een tweezijdige verklaring kan geschieden.1 Voor het geval van machtsverschaffing door middel van een constitutum possessorium (althans analoog aan artikel 3:115 aanhef en onder a BW) wordt deze mogelijkheid door een aantal auteurs daarentegen verworpen.2
Deze aarzeling is begrijpelijk. Onder macht moet in het kader van artikel 3:91 BW worden verstaan ‘het rechtstreeks of via een derde ter beschikking hebben van de zaak, zodanig dat het mogelijk is een ander het bezit daarvan te verschaffen, doch onverschillig of van de kant van de vervreemder enig recht op de zaak bestaat.’3 Macht is daarmee in feite bezit minus de eigendomspretentie, dat wil zeggen: bezit zonder de wil om de zaak voor zichzelf te houden (art. 3:107 BW).4 Aldus valt macht gelijk te stellen met houderschap in ruime zin. Het gaat daarbij niet om het houderschap in de zin van het houden van een zaak voor een ander (houderschap in enge zin), maar om het ongekleurde houderschap, dat wil zeggen: het houden van de zaak.5 Ook een bezitter is derhalve machthebber en houder in ruime zin, omdat hij feitelijke macht over de zaak uitoefent en de zaak daarmee houdt, namelijk voor zichzelf.6
Buiten kijf staat dat in ieder geval fysieke macht over de zaak voldoende is om te kwalificeren als machtsverschaffing. Het feitelijk overhandigen van de zaak door de verkoper aan de koper voldoet daarmee zonder meer aan artikel 3:91 BW. Ook wanneer de zaak aldus wordt geleverd dat een derde de zaak voortaan gaat houden voor de koper (machtsverschaffing longa manu), is aan het machtsvereiste voldaan. De macht van de koper ligt dan besloten in het feit dat de derde de zaak na de mededeling gaat houden voor de koper. De macht die de koper over de zaak uitoefent volgt uit de rechtsverhouding met de derde, die tot hem in een ondergeschikte verhouding staat.7 De derde is op grond van de rechtsverhouding verplicht de zaak onder bepaalde voorwaarden en op een zeker moment af te geven aan de koper. De koper is heeft als middellijk machthebber derhalve macht over de zaak, omdat hij een zekere mate van invloed kan uitoefenen over de zaak en de onmiddellijk machthebber in meer of mindere mate de instructies van de middellijk machthebber dient op te volgen, omdat hij het betere recht van de middellijk machthebber erkent.8 De koper verkrijgt derhalve middellijke macht over de zaak, indien een derde die de zaak houdt voor de verkoper, de zaak na de overdracht onder opschortende voorwaarde voor de verkrijger gaat houden (art. 3:115 aanhef en onder c BW). Aldus oefent de koper macht uit over de zaak, omdat hij de zaak (onder bepaalde voorwaarden) kan opeisen van de derde. Dat de koper op zijn beurt tot de verkoper in een rechtsverhouding staat die de strekking heeft dat de koper de zaak voor de verkoper houdt, doet daar niet aan af.9 Beslissend is dat de koper zeggenschap heeft over de zaak via de derde, welke zeggenschap hij op zijn beurt uitoefent als houder (in enge zin) voor de verkoper. Bovendien is ook overeenkomstig de definitie van de wetgever voldaan aan het begrip macht, omdat de koper in staat is een ander het bezit van de zaak te verschaffen, door de derde die de zaak voor de koper houdt te instrueren de zaak voortaan voor de ander te gaan houden.10
Als de zaak echter achterblijft bij de verkoper, is niet voldaan aan het vereiste van machtsverschaffing. Als de zaak achterblijft bij de verkoper, houdt hij de zaak niet voor de koper. Hij kan zich tegen de opvordering van de zaak door de koper verwerven door middel van zijn bezit en eigendom. Bezit en houderschap in enge zin zijn de enige hyponiemen van het overkoepelende begrip macht (of houderschap in ruime zin). Men heeft dus slechts macht als men ofwel bezitter, ofwel houder (in enge zin) is.11 Gedurende de periode van onzekerheid is de koper geen bezitter en zolang de verkoper de zaak nog onder zich heeft, is hij evenmin houder (in enge zin). Men kan een zaak immers niet houden voor de bezitter die de zaak zelf onder zich heeft.
Om vergelijkbare redenen neemt het Duitse recht aan dat een verkrijger geen macht uitoefent over een zaak wanneer de vervreemder vooralsnog zelf macht blijft uitoefenen over de zaak. Wanneer de vervreemder de zaak beschikbaar houdt voor de verkrijger en hij de zaak te allen tijde zou kunnen ophalen, oefent de verkrijger vooralsnog geen macht uit over de zaak.12 Dat ligt slechts anders bij een daadwerkelijk constitutum possessorium, maar die levering stuit op moeilijkheden bij het eigendomsvoorbehoud, omdat de koper gedurende de periode van onzekerheid nog geen bezitter wordt. Hoewel de kwestie niet echt uitdrukkelijk aan de orde komt, lijkt een deel van de literatuur inderdaad aan te nemen dat een overdracht onder opschortende voorwaarde niet kan geschieden door middel van een constitutum possessorium. Zolang de voorwaarde namelijk nog niet in vervulling is gegaan, houdt de verkoper de zaak voor zichzelf en is aan de koper geen macht (Besitz) verschaft.13 Aldus komt een overdracht onder opschortende voorwaarde door middel van een constitutum possessorium per saldo neer op een overdracht met een uitgestelde levering, dat wil zeggen: een constitutum possessorium onder opschortende voorwaarde.14
Desalniettemin moet naar mijn mening worden aanvaard dat de machtsverschaffing ook door middel van een constitutum possessorium kan geschieden. Van belang is daarvoor dat artikel 3:91 BW enkel is ingevoerd teneinde de moeilijkheden weg te nemen die zouden bestaan wanneer de levering op de voet van artikel 3:90 BW zou moeten plaatsvinden. In de kern strekt de bepaling er daarmee toe aan de belangen van de koper tegemoet te komen, omdat hij terstond een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde verwerft, doordat de levering terstond kan plaatsvinden, waarmee de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde is gewaarborgd. Tegen die achtergrond kan men zich afvragen welke bezwaren bestaan tegen machtsverschaffing door middel van een tweezijdige verklaring, nu het ontbreken van die mogelijkheid uitsluitend nadelig uitwerkt voor de koper.15
Deze doelstelling van artikel 3:91 BW biedt daarmee een sterke indicatie voor de mogelijkheid van machtsverschaffing door middel van een constitutum possessorium. De wetgever heeft het vereiste van machtsverschaffing niet ingevoerd om slechts een beperkt aantal leveringswijzen mogelijk te maken bij de overdracht onder opschortende voorwaarde, maar heeft de leveringswijze juist ingevoerd teneinde het mogelijk te maken dat de levering zich terstond kan voltrekken. Of anders gezegd: met artikel 3:91 BW heeft de wetgever per saldo niet zozeer willen vastleggen wat de koper wÉl diende te verkrijgen door de levering (macht), maar vooral wat de koper vooralsnog níet behoeft te worden verschaft (bezit). Gelet op die doelstelling valt niet goed in te zien waarom de leveringswijzen van artikel 3:115 BW niet (analoog) zouden kunnen worden toegepast op de machtsverschaffing van artikel 3:91 BW.16 Dogmatische moeilijkheden bestaan slechts bij een constitutum possessorium. Omdat de verkoper bezitter blijft van de zaak, oefent de koper gedurende de periode van onzekerheid bij een zodanige tweezijdige verklaring geen enkele macht uit over de zaak. Afgezien van dit technisch- juridische argument, bestaan er echter geen bezwaren tegen een zodanige tweezijdige verklaring. De schuldeisers van de verkoper worden door deze leveringswijze niet benadeeld, aangezien de verkoper de eigendom pas verliest zodra de koper de verschuldigde tegenprestatie heeft voldaan. Bovendien worden ouder gerechtigden naar analogie met artikel 3:90 lid 2 BW beschermd tegen de machtsverschaffing solo consensu.17
Doorslaggevend acht ik bovendien dat de machtsverschaffing van artikel 3:91 BW vanzelfsprekend geen continu karakter behoeft te hebben.18 Zodra de macht aan de koper is verschaft door feitelijke overhandiging van de zaak, is aan het vereiste van machtsverschaffing voldaan. Verliest de koper daarna de macht over de zaak, bijvoorbeeld omdat hij de zaak weer afgeeft aan de verkoper, dan doet dat geen afbreuk aan de levering, die immers al heeft plaatsgevonden. Gelet op deze omstandigheid dient naar mijn mening het argument dat oorspronkelijk tot de acceptatie van het constitutum possessorium als wijze van bezitsverschaffing heeft geleid, evenzeer te gelden voor de toelaatbaarheid van de machtsverschaffing door een constitutum possessorium: een rechtsstelsel neemt zichzelf niet serieus wanneer het een tweezijdige verklaring met de strekking dat partijen de zaak leveren niet voldoende acht, maar tegelijkertijd als levering wel genoegen neemt met de verschaffing van de macht over de zaak aan de koper door middel van fysieke overgave, terwijl deze macht terstond weer ongedaan wordt gemaakt.19 Een dergelijk heen-en-weer overgeven van de zaak dient geen enkel redelijk doel, zodat men beter genoegen kan nemen met een tweezijdige verklaring. De enigszins paradoxale conclusie is daarmee wel dat, hoewel macht als houderschap in ruime zin gedefinieerd moet worden als bezit of houderschap in enge zin, ook aan het vereiste van machtsverschaffing is voldaan indien de koper houder noch bezitter wordt.