Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/15.9
15.9 Verrekening of teruggave van Nederlandse dividendbelasting
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232995:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Daarmee is sprake van onvolkomenheden in categorie 2(b) en 3(a).
Overigens leidt deze doorwerking op dit moment tot dubbele heffing, omdat een APV dat vennootschapsbelasting verschuldigd is ter zake van een dividend van een Nederlandse vennootschap de dividendbelasting als gevolg van de doorwerking van de toerekening niet kan verrekenen. Mijns inziens bestaat daar geen redelijke grond voor, omdat het door de wetgever gepercipieerde misbruik zich niet voor lijkt te kunnen doen. Ook indien overigens geen wijziging wordt aangebracht in het systeem, zou de verwijzing naar artikel 25 Wet Vpb in artikel 8 lid 15 Wet Vpb daarom naar mijn mening geschrapt moeten worden.
In paragraaf 14.5.2 ben ik ingegaan op de samenloop tussen de dividendbelasting, die geheven wordt bij uitkering van dividend door een Nederlandse vennootschap aan een APV, met de inkomstenbelasting verschuldigd ter zake van dit dividend door de inbrenger. Tenzij ofwel het APV teruggave van de dividendbelasting kan krijgen op grond van artikel 10 Wet DB, ofwel de inbrenger de dividendbelasting als voorheffing kan verrekenen met de inkomstenbelasting, ontstaat dubbele heffing. Aangezien dit zich niet voordoet in de situatie waarin de aandelen niet zijn ingebracht in het APV, verloopt deze inbreng in dat geval niet fiscaal neutraal en is mijns inziens sprake van een knelpunt. Ook in de minder snel voorkomende situatie van een vennootschapsbelastingplichtig APV kan overigens dubbele heffing ontstaan, omdat de toerekening doorwerkt naar artikel 25 Wet Vpb, zodat verrekening als voorheffing bij het APV in voorkomend geval niet mogelijk is.
Bij de huidige wetgeving is niet duidelijk geregeld of teruggave dan wel verrekening van dividendbelasting mogelijk is. Aan de voorwaarden gesteld aan verrekening met de inkomstenbelasting kan naar mijn mening in elk geval niet voldaan worden. Voor een teruggave van dividendbelasting aan het APV zijn wel argumenten, maar ook dit is geen zekerheid. Een belangrijke vraag die niet met zekerheid bevestigend beantwoord kan worden is of het APV kan kwalificeren als uiteindelijk gerechtigde tot het dividend. Daarnaast kan zich de situatie voordoen dat, zelfs als het APV als uiteindelijk gerechtigde kwalificeert, aan een of meer andere voorwaarden voor teruggave niet voldaan wordt. Voor zover teruggave daardoor niet mogelijk is, terwijl in een situatie zonder inbreng wel verrekening had plaatsgevonden, is er dus een fiscale belemmering voor de inbreng. Daarnaast kan in mijn ogen de omstandigheid, dat thans niet duidelijk is of en via welke weg de dividendbelasting in aanmerking genomen kan worden, in zichzelf als een knelpunt beschouwd worden.
Deze belemmeringen worden primair veroorzaakt doordat de Wet IB 2001 en de Wet DB verschillende uitgangspunten hebben, als gevolg van het feit dat de toerekening van het APV-vermogen zich niet integraal uitstrekt tot de Wet DB. Daardoor is de opbrengstgerechtigde voor toepassing van de Wet DB (het APV) niet dezelfde als degene die in termen van inkomsten- of winstbelasting belastingplichtig is ter zake van het dividend (de inbrenger). Daarbij komt dat geen keuze gemaakt is voor de wijze waarop de samenloop tussen dividendbelasting en inkomstenbelasting weggenomen wordt, die vervolgens in de wet is neergelegd. Hiermee is derhalve sprake van een knelpunt dat veroorzaakt wordt door een onvolkomenheid in de wetgeving van juridische aard, aangezien de toepassing van de wet onduidelijk is en mogelijk ook het ongerijmde effect kan hebben dat zich een samenloop van heffingen voordoet, waarvan zonder APV geen sprake zou zijn geweest.1 Hiervoor kan naar mijn mening ook geen rechtvaardiging gevonden worden in het antimisbruikkarakter van de APV-regeling: dat eenmaal geheven wordt is uiteraard gerechtvaardigd, maar deze samenloop van heffing gaat verder dan voor de bestrijding van misbruik noodzakelijk is.
Om deze belemmeringen weg te nemen, zou die keuze dus alsnog gemaakt en wettelijk vastgelegd moeten worden. Mijn voorkeur gaat hierbij uit naar het verrekenen van de dividendbelasting met de door de inbrenger verschuldigde inkomstenbelasting, om twee redenen:
De inkomstenbelasting is verschuldigd door de inbrenger. Tenzij het APV het ontvangen dividend geheel of gedeeltelijk uitkeert aan de inbrenger, gaat deze er als gevolg van de dividenduitkering in vermogen op achteruit. Een mogelijkheid om de dividendbelasting te kunnen verrekenen beperkt deze vermogensachteruitgang. Overigens kan men in geval van de inbrenger nog betogen dat deze het APV zelf in het leven geroepen heeft en daarmee de fiscale consequenties zou moeten accepteren, maar dat geldt niet voor zijn erfgenamen.
Indien het APV een teruggave van dividendbelasting kan krijgen, kan sprake zijn van een heffingslek. Dit doet zich voor indien de inbrenger niet belastingplichtig is ter zake van het aandelenbelang, hetgeen het geval is indien de inbrenger in het buitenland woont en het aandelen betreft die in box 3 belast zouden worden. De dividendbelasting is dan in de situatie zonder APV een eindheffing. Teruggave van dividendbelasting aan het APV leidt er dan toe dat te weinig belasting geheven wordt. Dit is te ondervangen door de teruggave aan het APV afhankelijk te maken van de fiscale behandeling van het dividend bij de inbrenger, maar daar wordt de regeling niet eenvoudiger op, zeker indien toerekening aan meerdere personen plaatsvindt. Bij verrekening bij de inbrenger wordt automatisch rekening gehouden met diens fiscale positie.
Mijns inziens kan de verrekening bij de inbrenger bewerkstelligd worden door de APV-regeling ook (in principe) integraal te laten doorwerken naar de Wet DB. De inbrenger wordt dan als opbrengstgerechtigde beschouwd, zodat de dividendbelasting ten laste van hem wordt ingehouden. Daarmee voldoet de inbrenger aan één van de twee eisen van artikel 9.2 Wet IB 2001. Daarnaast moet de inbrenger als uiteindelijk gerechtigde kwalificeren, maar zoals reeds opgemerkt in paragraaf 14.5.2.2 is naar mijn mening een interpretatie te verdedigen waarbij als gevolg van de toerekening de inbrenger als uiteindelijk gerechtigde wordt gezien. Volledigheidshalve lijkt mij echter aan te raden om in de wettekst te expliciteren dat de inbrenger (behoudens dividendstripping) als uiteindelijk gerechtigde wordt gezien van dividend dat op grond van de APV-regeling aan hem wordt toegerekend. Bij deze benadering is teruggave van dividendbelasting aan het APV uitgesloten.
Wel is van belang om op te merken dat hiermee nog niet alle spanning uit het wettelijke systeem verdwenen is. Dit wordt veroorzaakt door de omstandigheid dat ook met deze wijziging de APV-regeling niet in alle heffingswetten doorwerkt en in het bijzonder niet in de Wet Vpb. Daardoor blijft het mogelijk dat zich een samenloop voordoet tussen Nederlandse vennootschapsbelasting en Nederlandse inkomstenbelasting, zoals ook beschreven in paragraaf 14.5.1. Op deze samenloop ga ik nader in in paragraaf 15.10 hierna. Zolang het APV als (potentieel) vennootschapsbelastingplichtig subject erkend wordt, kan deze spanning tussen deze erkenning en een doorwerking van de toerekening in de Wet DB worden weggenomen door deze doorwerking te beperken tot de situatie waarin het APV niet vennootschapsbelastingplichtig is ter zake van het dividend. Het APV krijgt daarmee voor de Wet DB een hybride karakter, afhankelijk van de vennootschapsbelastingpositie. Daarmee wordt bereikt dat ongeacht de fiscale behandeling van het APV de uitkomst van de Wet DB aansluit bij de persoon die belastingplichtig is ter zake van het dividend:
Indien het APV vennootschapsbelastingplichtig is, wordt het ook erkend als opbrengstgerechtigde van het dividend en wordt de dividendbelasting beschouwd als ten laste van het APV ingehouden. Behoudens dividendstripping wordt het APV als uiteindelijk gerechtigde tot het dividend gezien. Teruggave van dividendbelasting op grond van artikel 10 Wet DB is dan uiteraard niet aan de orde, omdat dit uitgaat van niet-belastingplichtige opbrengstgerechtigden. Verrekening met de vennootschapsbelasting zou mijns inziens dan wel moeten kunnen plaatsvinden, evenals in voorkomend geval toepassing van de inhoudingsvrijstelling van artikel 4 Wet DB. Het eerste vereist overigens een wijziging van artikel 8 lid 15 Wet Vpb, aangezien de APV-regeling hier momenteel in doorwerkt en daarmee in de weg staat aan verrekening van de dividendbelasting met de vennootschapsbelasting. Die doorwerking zou dan beperkt moeten worden tot niet-vennootschapsbelastingplichtige APV’s.2
Indien het APV niet vennootschapsbelastingplichtig is, wordt de inbrenger erkend als opbrengstgerechtigde en (in beginsel) uiteindelijk gerechtigde tot het dividend, zodat verrekening met de door hem verschuldigde inkomstenbelasting in voorkomend geval mogelijk is.
Op deze wijze ontstaat naar mijn mening een evenwichtig en duidelijk systeem, waarbij geen samenloop tussen de dividendbelasting en de inkomsten- of vennootschapsbelasting ter zake van het dividend ontstaat.