Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/7.2
7.2 Typering van het wettelijk bewijsstelsel in Wetboek van Strafvordering
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor verdere differentiatie Nijboer 2011, § 1.6.4.
Vgl. Spencer 2002b, p. 620.
Nijboer 2011, § 1.6.2.
Voornoemde indeling is echter niet onproblematisch. Allereerst omdat het positief wettelijk bewijsstelsel waarin dwingend wordt voorgeschreven wanneer tot een veroordeling moet worden overgaan, hoogstens een systeem uit het verleden is. Daarnaast is geen systeem volledig vrij in de zin dat geen enkele beperking wordt gegeven op de waarderingsvrijheid van de rechter.
De rechter dient zijn beslissing op grondslag van het onderzoek ter terechtzitting te nemen. Voor een uiteenzetting voor hoe dit vereiste jurisprudentieel wordt uitgelegd in relatie tot getuigenbewijs, wordt verwezen naar het volgende hoofdstuk.
Simmelink 2001, p. 438. Simmelink stelt in dit verband ‘dat het wettige bewijsstelsel in het strafprocesrecht geen positief te waarderen functies meer vervult’.
Nijboer 2004, p. 492.
Rozemond 1998, p. 114.
Nijboer 2011, § 1.6.2.
Zie op dit punt uitvoeriger het proefschrift van Dreissen (2007).
HR 27 januari 1998, NJ 1998/404 (Schoenmaker). Zie ook Dubelaar & Nijboer 2008, § 2.2.
In de Nederlandse literatuur wordt traditioneel onderscheid gemaakt tussen vrije bewijsstelsels, positief wettelijke bewijsstelsels en negatief wettelijke bewijsstelsels.1 Deze stelsels onderscheiden zich primair in de mate van vrijheid (of gebondenheid) die de rechter (of jury) heeft bij het proces van bewijzen. De bewijsbeslissing kan in twee opzichten vrij zijn: enerzijds in de zin dat al het beschikbare materiaal door de rechter (of jury) mag worden gebruikt ten behoeve van de bewijsbeslissing en anderzijds dat de rechter elk bewijsstuk het gewicht mag toekennen waarvan hij meent dat daaraan toekomt.2 Systemen waarin geen gebondenheid bestaat aan specifieke, bij wet genoemde bewijsmiddelen en de rechter (of jury) bij het toekennen van bewijzende betekenis aan bepaald materiaal slechts is gebonden aan zijn eigen rationele maatstaven, worden als vrije bewijsstelsels aangemerkt.3 In positief en negatief wettelijke bewijsstelsels is de rechter in beide opzichten wel gebonden. In de positieve variant is de rechter verplicht te veroordelen bij een bepaalde hoeveelheid naar voren geschoven belastend en door de wet erkend bewijsmateriaal. In een negatief wettelijk bewijsstelsel mag de rechter beneden een bepaald minimum aan wettig bewijs weliswaar niet veroordelen, maar hij is tevens niet verplicht om – tegen zijn overtuiging in – tot een veroordeling te komen indien wel aan het vereiste wettelijke minimum is voldaan.4
Het Nederlandse bewijsstelsel wordt van oudsher getypeerd als een negatief wettelijk bewijsstelsel, aangezien de rechter is gebonden aan een aantal limitatief in de wet opgesomde bewijsmiddelen (art. 339 Sv) en hij slechts tot een bewezenverklaring mag komen indien hij ingevolge artikel 338 Sv ‘uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen’.5 Naast de beperking in het voor de bewijsbeslissing in aanmerking te nemen materiaal en de eis van de rechterlijke overtuiging, kent de wet tevens een aantal andere bewijsminimumregels. Indien door de wet erkende bewijsmiddelen ontbreken of niet is voldaan aan wettelijke bewijsminima, moet de rechter de verdachte vrijspreken ongeacht zijn eigen persoonlijke overtuiging over het tenlastegelegde. Door het formuleren van bewijsminima ten aanzien van bepaalde bronnen wordt het gebruik en de bewijzende kracht van deze bronnen beperkt. Een bekentenis van een verdachte of een verklaring van een getuige kan in het Nederlandse strafproces namelijk niet zelfstandig de bewezenverklaring dragen (art. 341 lid 2 en 342 lid 2 Sv).
Zoals in het navolgende duidelijk zal worden heeft in de praktijk een zekere uitholling plaatsgevonden van het wettelijk bewijsstelsel doordat de Hoge Raad geen hoge eisen stelt aan de invulling van de wettelijke bewijsminima en de wettige bewijsmiddelen zo ruim worden uitgelegd dat het meeste bewijsmateriaal bruikbaar is. Om die reden heeft de onderzoeksgroep Strafvordering 2001 gepleit voor de invoering van een vrij bewijsstelsel.6 In reactie daarop heeft Nijboer aangevoerd dat het negatief wettelijk bewijsstelsel enkel een variatie is op het vrije bewijsstelsel.7 Het Nederlandse stelsel berust in de kern op het uitgangspunt van de vrije introductie en waardering van bewijsmateriaal. Dit kan onder meer worden afgeleid uit de memorie van toelichting waarin staat dat de wetgever beoogt ‘de vrije bewijsleer zo dicht mogelijk te benaderen’.8 Het Nederlandse bewijsstelsel past in die zin ook goed in de continentale traditie waarin de rechter bij het nemen van de bewijsbeslissing relatief ongebonden is. In stelsels die voortkomen uit de Anglo-Amerikaanse procestraditie is bewijsbeslissing meer in detail genormeerd. Juryleden zijn vrij in het toekennen van bewijzende betekenis aan het materiaal dat hun wordt voorgelegd, maar daar staat tegenover dat zij bepaald materiaal in het geheel niet onder ogen krijgen omdat dit valt onder de beperkende werking van de exclusionary rules. Het in het vierde hoofdstuk besproken verbod op hearsay is daarvan een goed voorbeeld. Omdat aan het gebruik van deze verklaringen bezwaren kleven in de zin dat de oordeelsvorming daardoor in potentie oneigenlijk kan worden beïnvloed, wordt dat materiaal buiten beschouwing gelaten. Dit is tegelijkertijd ook een beperking op de waarderingsvrijheid van de beslisser. Het aanduiden van een stelsel als ‘vrij’ betekent dan ook niet dat er geen beperkende regels bestaan.9
Een ander kenmerk van het Nederlandse bewijsstelsel dat past in de continentale traditie is dat de beslissing van de rechter in beginsel verantwoording in het vonnis behoeft. De wet kent een uitvoerig samenstel van motiveringsregels. De motivering is niet alleen een kwestie van verantwoorden, maar heeft ook een functie bij het beslissen zelf10 en werkt door op het door de rechter te verrichten onderzoek. Op het moment dat de rechter weet dat hij op een bepaald onderdeel van zijn beslissing in het vonnis rekenschap moet afleggen, zal dit een meer kritische houding ter terechtzitting bevorderen. Dit manifesteert zich bijvoorbeeld bij het deskundigenbewijs, waar de rechter aan de hand van een aantal concrete criteria moet laten zien dat hij de betrouwbaarheid van het deskundigenverslag heeft getoetst indien door de verdediging op dit punt verweer is gevoerd.11 Tevens geeft de motivering partijen inzicht in de wijze waarop de beslissing tot stand is gekomen en biedt tevens aanknopingspunten om deze bij een hogere rechter aan te vechten. Het past ook in een episodische en hiërarchische procedure waarin beslissingen door hogere autoriteiten worden getoetst.