De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.9.2.3:4.9.2.3 Medezeggenschap in het hoger onderwijs
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.9.2.3
4.9.2.3 Medezeggenschap in het hoger onderwijs
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949490:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Louw 2011, p. 431-432.
Stb. 1970, 601.
Stb. 1997, 117.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de jaren 60 was er onder studenten en personeel onvrede over het bestuur van de universiteit. Na protesten en bezettingen van universiteitsgebouwen werd beoogd de universiteit om te vormen van een ‘hooglerarenuniversiteit’ tot een ‘radenuniversiteit’.1 Met de Wet universitaire bestuurshervorming (Wub) werd hieraan in 1970 invulling gegeven.2 Uitgangspunt van de Wub was dat alle leden van de universitaire gemeenschap, zowel studenten, wetenschappelijk personeel als niet-wetenschappelijk personeel, kunnen deelnemen aan de beleidsvorming binnen de instelling.3 Participatie van de gemeenschap zou de werkverhoudingen ten goede komen en het gevoel van verantwoordelijkheid verbreden, dit zou bijdragen aan het functioneren van de instelling. Bij wijze van experiment werd beoogd de Wub tot 1976 van kracht te laten zijn. Dit werd uiteindelijk verlengd tot 1982.
Onder de Wub werd de universiteit geleid door twee organen, namelijk de universiteitsraad (het algemeen bestuur) en het college van bestuur (het dagelijks bestuur).4 De universiteitsraad was verantwoordelijk voor de algemene beleidsvorming voor de universiteit. In de universiteitsraad werden leden gekozen uit de wetenschappelijke staf, niet-wetenschappelijke staf en de studentenpopulatie. Het college van bestuur werd belast met de uitvoering van het beleid van de universiteitsraad. Met de Wub werd dan ook geregeld dat het personeel en de studenten gezamenlijk het beleid binnen de universiteit konden gaan bepalen. Toen was geen sprake van medezeggenschap van studenten en personeel, maar van zelfbestuur.
In 1997 kwam met de Wet modernisering universitaire bestuursorganisatie (Mub) een einde aan het zelfbestuur van studenten en personeel.5 De universiteitsraad wordt in het vervolg een vorm van medezeggenschap.6 Op centraal niveau wordt integraal management ingesteld, dat betekent dat alle bestuursbevoegdheden worden toegekend aan het college van bestuur. De universiteitsraad krijgt daarentegen een aantal advies- en instemmingsrechten. Met deze veranderingen wordt beoogd het bestuur slagvaardiger te maken. De medezeggenschap in het hoger onderwijs kan in het vervolg twee vormen aannemen, namelijk gedeeld of ongedeeld. Bij een gedeeld stelsel worden de personeels- en studentgeleding van elkaar gescheiden, terwijl zij bij een ongedeeld stelsel samen in een raad zitten. Na het instellen van een gedeeld stelsel is de personeelsgeleding een ondernemingsraad, waar de Wor op van toepassing is.7