De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.9.2.1:4.9.2.1 Medezeggenschap in het primair en voortgezet onderwijs
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.9.2.1
4.9.2.1 Medezeggenschap in het primair en voortgezet onderwijs
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949484:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1981, 778.
Stb. 1992, 663.
Stb. 2006, 658. Zie over de ontwikkeling van de medezeggenschap in het primair en voortgezet onderwijs ook Postma 1995, p. 383-385, Huisman 2020, p. 83-85 en Zoontjens 2023, p. 391 e.v.
Huisman 2020, p. 83-84.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De medezeggenschap van het primair en voortgezet onderwijs is niet in de betreffende sectorwetten geregeld, maar in een afzonderlijke wet. In eerste instantie was dit de Wet medezeggenschap onderwijs (Wmo 1981)1. Deze wet werd in 1992 opgevolgd door de Wet medezeggenschap onderwijs 19922 (Wmo 1992), die in 2007 weer werd vervangen door de huidige Wet medezeggenschap op scholen3 (Wms). Met de Wmo heeft de wetgever in 1981 ervoor gekozen om het primair en voortgezet onderwijs niet langer te scharen onder de Wet op de ondernemingsraden (Wor). De Wor geeft een regeling voor de medezeggenschap bij bedrijven, nonprofits en de overheid. Deze wet was volgens de wetgever niet voldoende toegesneden op de onderwijssituatie.4 De medezeggenschap in de school zou zich niet enkel moeten uitstrekken over het personeel, maar ook over ouders en leerlingen. Ook was de Wor destijds enkel van toepassing op bijzondere scholen en niet op openbare scholen.5
Met de Wmo 1981 werd ruimte gelaten voor de eigen vrijheid en verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.6 In het medezeggenschapsreglement kon bepaald worden welke advies- en instemmingsrechten toekwamen aan de medezeggenschapsraad. Het geven van vrijheid aan de scholen om zelf de medezeggenschap vorm te geven werd ingegeven door de in de Grondwet vastgelegde vrijheid van onderwijs. Ook werd hiermee beoogd de eindverantwoordelijkheid van het bevoegd gezag voor de gang van zaken in de school te handhaven.
De vrijheid van de school om zelf de rechten van de medezeggenschap te bepalen werd beperkt met de Wmo 1992. Hierin werd vastgelegd over welke aangelegenheden de medezeggenschapsraad advies- of instemmingsrechten kon uitoefenen.7 Met de Wmo 1992 werd beoogd de medezeggenschap te versterken, dit was nodig door de invoering van het formatiebudgetsysteem en de decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden. Door het instemmingsrecht niet te laten zien op onder meer het bepalen van de identiteit van de school, werd beoogd aan te sluiten bij artikel 23 van de Grondwet. De wetgever beoogde zaken die raken aan de vrijheden van richting en inrichting niet te onderwerpen aan instemming van de medezeggenschapsraad.
In 2007 werd een nieuwe wet over de medezeggenschap in het primair en voortgezet onderwijs van kracht, de huidige Wms. Met deze wet krijgen de verschillende geledingen (leerling, ouders en personeel) eigen bevoegdheden voor zaken die hen in het bijzonder raken, naast de bevoegdheden voor de gehele medezeggenschapsraad.8 Zoals de regeling van de buitenschoolse opvang voor de ouders, de vaststelling van het leerlingenstatuut voor de leerlingen en de vaststelling van de formatie voor het personeel. Daarnaast werd met de Wms de positie van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (Gmr) verbeterd. De Gmr oefent medezeggenschap uit op bovenschoolsniveau, dit is van toepassing als het bevoegd gezag meerdere scholen onder zich heeft. Aan een betere regeling voor de Gmr was behoefte, aangezien het steeds vaker voorkomt dat het bevoegd gezag meerdere scholen onder zich heeft.
De wetgever heeft met de Wms ervoor gekozen de medezeggenschap verder te versterken. Dit was nodig door de in 2004 aangekondigde nieuwe sturingsvisie, genaamd Koers PO en Koers VO. Beoogd werd om aan het bevoegd gezag meer ruimte te geven om goed onderwijs aan te bieden.9 Het primaire onderwijsproces en de leerling stonden hierbij centraal. De leraar moest hierbij ondersteund worden door het bevoegd gezag en de leerling en zijn ouders moesten invloed kunnen uitoefenen op de vorm en de inhoud van het onderwijs dat wordt aangeboden. Daarnaast moest sprake zijn van adequate betrokkenheid van al deze partijen bij de beleidsvorming op het niveau van de school en op bovenschools niveau. Bijvoorbeeld bij de verdeling van de toen net ingevoerde lumpsumbekostiging. Met de Wms werd beoogd dat het bevoegd gezag als eindverantwoordelijke de betrokkenen betrekt bij de wijze waarop de nieuwe beleidsvrijheid wordt ingevuld en hierover aan hen verantwoording aflegt.10 Het betrekken van betrokkenen en het afleggen van verantwoording moet zodanig worden vormgegeven dat sprake is van checks and balances binnen de school. Het bevoegd gezag blijft evenwel eindverantwoordelijk voor het beleid binnen de school.11