Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/9.15.3
9.15.3 Wetenschap
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196982:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De mogelijkheid dat de wederpartij nog schadebeperkende maatregelen kan nemen wordt hier buiten beschouwing gelaten.
Zonder dat sprake is van voorzienbaarheid van de maatregel. Zie over voorzienbaarheid 7.13.
Voor de consequenties van voorzienbaarheid zie 7.11. Als beide contractspartijen de tekortkoming konden voorzien, komt men aan de vraag naar de verkeersopvattingen vermoedelijk niet toe, als de schadevergoedingsactie afstuit op een eigen schuld verweer of redelijkheid en billijkheid verweer.
Katan wijst erop dat kennis van een rechtspersoon, die geen hersenactiviteit heeft, per definitie toegerekende kennis is (Katan, (O&R nr. 98) 2017/4, 77). Zij laat zien dat toerekening van kennis aan een rechtspersoon neerkomt op risicotoedeling, waarvoor een grondslag gevonden kan worden in de verkeersopvattingen (Katan, (O&R nr. 98) 2017/77, 78).
Bij de onmiddellijke voorziening die een contractuele verplichting van de rechtspersoon treft, zijn twee partijen betrokken, de rechtspersoon en zijn wederpartij. Voor gebruik van het woord derde, zie 1.7.6.
HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595 (Kleuterschool Babbel) over onrechtmatige daad van de rechtspersoon. In HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6018 (Ontvanger/Voorsluijs) is overwogen dat toerekening van onrechtmatige gedragingen aan de rechtspersoon mede wordt gerechtvaardigd doordat de handelende persoon en de rechtspersoon vanuit het perspectief van de benadeelde zijn te vereenzelvigen (r.o. 3.6). Zie ook Katan, (O&R nr. 98) 2017/97. Zie over de ontwikkeling van deze maatstaf uitvoerig: Katan, (O&R nr. 98) 2017/109 en p. 5.6.
De omstandigheden van het geval en de aard en de inhoud van de rechtsverhouding tussen kennisdrager en degene aan wie de kennis wordt toegerekend zijn dan van belang. Zie hierover Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2018/219.
Rb. 's-Hertogenbosch 7 april 2004, ECLI:NL:RBSHE:2004:AS3546. Zie ook Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2018/219.
[353] Kennis en inzicht zijn er in gradaties. Men kan globaal of gedetailleerder op de hoogte zijn, over de volle breedte of van bepaalde onderdelen. Wetenschap kan gelijke tred houden met feiten en ontwikkelingen, of ruimschoots achterlopen, of juist als voorkennis zijn aan te merken.
Als de wederpartij pas na het ontstaan van de verbintenis kennis krijgt van gebreken die tot de onmiddellijke voorziening leiden, kan die kennis hem niet worden tegengeworpen.1 Dan doet de kennis niet af aan het uitgangspunt dat de voorziening naar verkeersopvattingen voor risico van de rechtspersoon komt. Mijns inziens kan het anders zijn, als de wederpartij ten tijde van het aangaan van de verbintenis weet had van allerlei onvolkomenheden die uiteindelijk de voorziening uitlokken.2 Ook bij duurovereenkomsten, zoals managementovereenkomsten, kan het anders zijn en kan kennis, verworven na het ontstaan van de verbintenis, mogelijk wel aan de wederpartij worden tegengeworpen. Dat zal afhangen van de omstandigheden van het geval.
Naarmate de wederpartij beter op de hoogte is, lijkt de kans groter dat het risico voor een onmiddellijke voorziening, die de rechtspersoon verhindert een verplichting jegens hem na te komen, naar hem verschuift.
Ik meen dat ook relevant kan zijn in hoeverre de wederpartij toegang tot kennis heeft. Een wederpartij met vrije toegang tot informatie kan niet met succes opwerpen dat hij de facto onwetend is. Niet alle intern betrokkenen hebben in dezelfde mate toegang tot informatie. Bestuurders zijn zelf in staat kennis en inzicht te verwerven, aandeelhouders zijn gewoonlijk afhankelijk van informatie die hen verstrekt wordt.
Kennis van gebrekkigheden in het beleid kan meebrengen dat de drager van die kennis de onmiddellijke voorziening, en daarmee de tekortkoming, kon voorzien. Een onmiddellijke voorziening die voor de wederpartij voorzienbaar is, zal meestal ook voor de rechtspersoon te voorzien zijn. Voor zover de vraag naar verkeersopvattingen dan een rol speelt, zie ik geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de onmiddellijke voorziening voor risico van de rechtspersoon komt.3
Een wederpartij-buitenstaander zal vrijwel altijd over minder informatie beschikken dan die intern betrokkenen, die tot een goed geïnformeerde kring behoren. In theorie kan ook een wederpartij zonder interne band met de rechtspersoon kennis dragen van gebrekkigheden in het beleid. Dan zou het voorgaande van toepassing kunnen zijn.
[354] Op het eerste gezicht lijkt het thema van toerekening van kennis aan een rechtspersoon niet relevant voor de hier onderzochte verkeersopvattingen.4 Bij dat thema spelen drie partijen een rol: de rechtspersoon, een derde die de rechtspersoon aanspreekt uit wanprestatie of onrechtmatige daad, en een functionaris-kennisdrager.5 Onder omstandigheden kan de derde zich beroepen op toerekening van de kennis van de functionaris aan de rechtspersoon. Sinds het arrest ‘Kleuterschool Babbel’ wordt kennis van een functionaris, als die kennis in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als kennis van de rechtspersoon, toegerekend aan de rechtspersoon.6 Verder biedt artikel 3:66 lid 2 BW een basis om kennis van een opdrachtnemer van de rechtspersoon aan deze laatste toe te rekenen.7 Deze vormen van toerekening spelen een rol in de relatie tussen de rechtspersoon en de derde die hem aanspreekt. De verhouding tussen de rechtspersoon en de kennisdrager is daarmee nog niet vastgesteld. Over die verhouding gaat een vonnis over een verkopende makelaar.8 Daaruit blijkt dat toerekening van kennis van de opdrachtnemer aan de opdrachtgever in diens relatie met de derde/buitenstaander, onverlet laat dat de opdrachtnemer tegenover de opdrachtgever aansprakelijk is. De makelaar had een beroepsfout gemaakt. De opdrachtgever werd daarover met succes aangesproken door de koper; de beroepsfout werd toegerekend aan de opdrachtgever. De makelaar was echter schadeplichtig tegenover zijn opdrachtgever; de fout leverde een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van overeenkomst van opdracht op.
De casus van de makelaar verschilt van de situatie, waarin de rechtspersoon, getroffen door een onmiddellijke voorziening, tekortschiet in zijn verbintenis (een bezoldigingsverplichting) tegenover een manager. Een interne rechtsverhouding, zoals die tussen rechtspersoon en manager, ontbrak bij de makelaar en zijn opdrachtgever. Het vonnis laat evenwel zien dat schade uiteindelijk neerslaat bij degene die de kennis had.
Wat betekent die beslissing voor de relatie tussen de rechtspersoon, die wegens een onmiddellijke voorziening tekortschiet in nakoming van een verplichting, en zijn crediteur, die kennis droeg van het gebrekkige beleid dat de voorziening uitlokt? Ik lees in dat vonnis een aanwijzing dat risico voor de tekortkoming kan verschuiven van de rechtspersoon naar zo’n geïnformeerde crediteur.9