Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel
Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/6.6.3.f:6.6.3.f Artikel 22, zesde lid, tweede alinea, aanhef en onder f, van het DWU
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/6.6.3.f
6.6.3.f Artikel 22, zesde lid, tweede alinea, aanhef en onder f, van het DWU
Documentgegevens:
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS363012:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: EHRM 2 augustus 1984, 8691/79, (Malone/UK), punt 65 ev.; EHRM 5 januari 2000, 33202/96, (Beyeler), punten 107 tot en met 109.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 22, zesde lid, tweede alinea, aanhef en onder f, van het DWU regelt een beperking van het kenbaarmakingsbeginsel in ‘andere specifieke gevallen’. Wat zijn die andere gevallen? Op dat punt geeft het artikel geen duidelijkheid. De vraag is of een dergelijke beperking mogelijk is. Nu het kenbaarmakingsbeginsel in het DWU is gecodificeerd, is een nationale regeling overbodig, regelt het Unierecht het beperken van het kenbaarmakingsbeginsel en moeten beperkingen bij wet zijn gesteld. De voorwaarde ‘bij wet gesteld’ betekent dat de maatregel een wettelijke basis als zodanig moet hebben en dat die wet voldoende toegankelijk, voorzienbaar en precies dient te zijn.1 Op die wijze dient het bestuursorgaan de justitiabele in staat te stellen – zo nodig na het inwinnen van deskundige adviezen – zijn gedrag aan te passen, de consequenties ervan voor hem te voorzien en, in redelijke mate, gelet op de omstandigheden van het geval, te voorzien welke gevolgen een bepaalde daad kan hebben. Artikel 22, zesde lid, tweede alinea en onder f, van het DWU heeft een wettelijke basis en is voldoende toegankelijk, maar is niet voldoende voorzienbaar en precies. De formulering is zo algemeen dat elke zaak hieronder kan vallen. Op deze wijze zijn de consequenties helemaal niet te overzien. Het beperken van het gecodificeerde hoorrecht op grond van dit lid lijkt problematisch. Een verklaring voor deze beperking zou kunnen zijn dat de Uniewetgever heeft willen regelen dat de lidstaten ook nog eigen beperkingen van het kenbaarmakingsbeginsel kunnen hebben die het DWU niet regelt. Alsdan moeten mijns inziens die beperkingen nog steeds, maar nu nationaal, bij wet zijn gesteld.