Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/4.4.2.3.1
4.4.2.3.1 Rechtskarakter
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931165:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 4.4.2.3.2.
HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1486, NJ 2009/343, m.nt. Jac. Hijma; JOR 2008/115, m.nt. R.I.V.F. Bertrams (ING/Provincie Utrecht), r.o. 3.3.2. Vgl. Rechtbank ’s-Gravenhage 26 oktober 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AV1586, JOR 2006/23, m.nt. A. van Hees (Staal Bankiers/Julia Beheer), r.o. 10, waar de rechtbank in een geval van ‘spontane betaling’ door de borg aannam dat de verhaalsvorderingen van de borg wel waren achtergesteld bij die van de hoofdschuldeiser.
HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1486, NJ 2009/343, m.nt. Jac. Hijma; JOR 2008/115, m.nt. R.I.V.F. Bertrams (ING/Provincie Utrecht), r.o. 3.3.2.
Van Boom 1999, p. 99; Van Boom 2016a, p. 112; Asser/Sieburgh 6-I 2020/133. Zie over de omvang hierna, nr. 175.
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 119 (TM).
Vgl. Hammerstein 1977, p. 73-74.
Zie uitvoerig Booms 2019/567-569, 587, 596 e.v. en 727 e.v.
Die gaan door volledige voldoening van de schuld(en) waarvoor het recht tot zekerheid strekt, immers teniet (art. 3:7 jo. art. 3:81 lid 2 sub a BW). Ook indien sprake is van derdenzekerheid zou C een voordeel genieten indien het zekerheidsrecht bij voldoening door B teniet zou gaan. De derdenzekerheidsgever zou bij het voortbestaan en uitwinnen van het zekerheidsrecht immers verhaal kunnen nemen op C (art. 6:150 sub a BW).
Van Boom 1999, p. 100-101; Van Boom 2016a, p. 113. Vgl. voorts voor rechtshistorische kritiek op subrogatie náást regres Zwalve 2007.
Zie hiervoor, nr. 139.
174. Nut en noodzaak; verhouding tot regres. Naast de mogelijkheid van regres, kan de presterende hoofdelijk schuldenaar ook de oorspronkelijke vordering van de schuldeiser jegens zijn medeschuldenaren (en eventueel derden) uitoefenen; die vordering gaat – in gewijzigde vorm1 – krachtens subrogatie over op de presterende schuldenaar (art. 6:12 lid 1 BW). Indien na de prestatie door de presterende schuldenaar nog een restschuld van de andere schuldenaren resteert, staat het verhaalsrecht dat die schuldenaar krachtens subrogatie verkrijgt, in beginsel op gelijke voet met de restvordering van de schuldeiser.2
De achterstelling van de verhaalsvordering krachtens subrogatie, die was vervat in art. 1439 BW (oud), geldt naar geldend dus niet langer.3 Wel geldt naar huidig recht dat de (gedeeltelijk) gesubrogeerde schadeverzekeraar zijn vordering niet mag uitoefenen ten nadele van verhaal door de verzekerde zelf (art. 7:962 lid 2 BW).
De toegevoegde waarde van de krachtens subrogatie verkregen verhaalsvorderingen voor de presterende schuldenaar is niet gelegen in de omvang daarvan,4 maar in de overgang van de daaraan verbonden nevenrechten: met de overgang gaan ook de aan de desbetreffende vorderingen verbonden voorrechten, afhankelijke zekerheidsrechten en eventuele bevoegdheden tot tenuitvoerlegging van executoriale titels mee over (art. 6:142 lid 1 BW).5 De presterende schuldenaar die meer betaalt dan zijn draagplicht, profiteert dus van dergelijke rechten die de schuldeiser ten dienste stonden. Zou dit anders zijn, dan zou de schuldenaar die door de nakoming door een ander werd bevrijd, hiervan een ongerechtvaardigd voordeel genieten, omdat de verhaalsvordering van zijn medeschuldenaar jegens hem dan niet versterkt zou zijn met dergelijke rechten, terwijl het recht van de oorspronkelijke schuldeiser dat wel was.6 Voor de nevenrechten die tevens als afhankelijk recht kwalificeren, zoals pand, hypotheek en borgtocht, is art. 6:142 BW overigens overbodig, omdat de overgang van die rechten reeds voortvloeit uit art. 3:7 jo. 3:82 BW.7
Indien A een vordering van € 1 miljoen heeft op B en C, die jegens hem hoofdelijk verbonden tot zijn, terwijl zij beiden voor 50% draagplichtig zijn, dan kan B na betaling van de volledige schuld aan A niet alleen voor € 500.000 regres nemen op C, maar bijvoorbeeld ook gebruik maken van een pand- of hypotheekrecht dat door C ten behoeve van A was gevestigd. De rechtvaardiging voor subrogatie is erin gelegen dat C niet zou moeten profiteren van de nakoming door B, in die zin dat C dan bevrijd zou zijn van de door hem verstrekte zekerheden.8 De betaling door B bevrijdt ook C (art. 6:7 lid 2 BW), maar brengt niet mee dat zijn gesecureerde schuldeiser wordt ingeruild voor een concurrente schuldeiser.
De door de wetgever gekozen subrogatieconstructie is niet bepaald eenvoudig te noemen. Indien de wetgever had willen bereiken dat de presterende schuldenaar ook aan de oorspronkelijke vordering(en) verbonden nevenrechten kan uitoefenen, was het eenvoudiger geweest indien de wetgever dat simpelweg in de wet had bepaald.9
Zoals reeds opgemerkt, is – voor zover het niet gaat om kostenvergoeding (art. 6:10 lid 3 BW) – sprake van samenloop tussen de krachtens subrogatie verkregen verhaalsvorderingen en de wettelijke regresvordering, waarbij voor zover de ene vordering is voldaan, de andere van rechtswege tenietgaat.10