Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.3.2.2
II.5.3.2.2 Onmiddellijke identificeerbaarheid
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624621:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1962/63, 3771, 7, p. 19 (GO), Parl. Gesch. Vast. p. 742.
Kamerstukken II 1962/63, 3771, 6, p. 78 (MvA II), Parl. Gesch. Vast. p. 717.
Kamerstukken II 1964/65, 3771, 8, p. 50 (MO), Parl. Gesch. Vast. p. 743.
Kamerstukken II 1964/65, 3771, 8, p. 50 (MO), Parl. Gesch. Vast. p. 743.
Vgl. Rapport Commissie Erfrecht II, p. 169.
Kamerstukken II 1964/65, 3771, 8, p. 50-51 (MO), Parl. Gesch. Vast. p. 743.
Vgl. het voorbeeld van ‘de eerste winnaar van de Nobelprijs voor de vrede na mijn overlijden’, zie Kamerstukken II 1959/60, 3771, 5, p. 9 (VV II), Parl. Gesch. Vast. p. 715.
Kamerstukken II 1964/65, 3771, 8, p. 50 (MO), Parl. Gesch. Vast. p. 743.
Met het gegeven dat het legaat een verkrijging onder bijzondere titel betreft, lijkt het argument dat pleitte voor het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid, namelijk een onmiddellijke opvolging in het geheel van erflaters vermogen of een aandeel daarin, van de baan te zijn. Het is zo bezien dan ook niet nodig dat de identiteit van een legataris onmiddellijk, dat wil zeggen volledig aan de hand van de uiterste wil en de op het moment van erflaters overlijden bestaande omstandigheden, moet kunnen worden bepaald. Hierover werd evenwel aanvankelijk anders gedacht. In het Gewijzigd Ontwerp werd het legaat namelijk gedefinieerd als:
‘een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan een of meer daarbij aangewezen personen een vorderingsrecht toekent (curs. NB).’1
De woorden ‘daarbij aangewezen’ brachten, net zoals in art. 4:115 BW, niet alleen tot uitdrukking dat de legataris op het moment van erflaters overlijden moet bestaan (art. 4:56 lid 1 eerste zin BW), maar ook dat de identiteit van de legataris op dit moment onmiddellijk moet kunnen worden vastgesteld.2 De redenering hierbij was als volgt:
‘Een vorderingsrecht veronderstelt het bestaan van een subject, een drager van een recht. Het kan geen goede zin hebben, een vorderingsrecht toe te kennen, terwijl de drager daarvan voorlopig nog niet te identificeren is. Met het oog op de legataris is er in het systeem van het ontwerp sprake van een tweetal regels, die bijéénbehoren; de legataris moet bestaan op het tijdstip van overlijden van de erflater en hij moet voorts identificeerbaar zijn. Beide regels vloeien voort uit het karakter van “vorderingsrecht”. Een subjectloos vorderingsrecht is geen aanvaardbare figuur (curs. NB).’3
De materiële aard van het legaat, te weten het toekennen van een vorderingsrecht aan een of meer personen, zou dus kennelijk toch een vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid met zich brengen:
‘Laat men de eis van de identificeerbaarheid op het tijdstip van des erflaters overlijden [dat wil dus zeggen ‘onmiddellijk’, toev. NB] vallen, dan brengt men gevallen binnen de sfeer van het legaat, die naar ieders oordeel bezwaarlijk onder legaat kunnen worden gerubriceerd, bij voorbeeld die gevallen, waarin de identiteit van de bevoordeelde eerst na tien of twintig jaren aan de dag treedt […]. Wil men de onderscheiding tussen legaat en last maken op de wijze, waarop het Gewijzigd ontwerp dat doet, dan zal men onverbiddelijk moeten zijn in zijn eis, dat de bevoordeelde ten tijde van des erflaters overlijden bestaat en individualiseerbaar is (curs. NB).’4
De beschikking ‘ik legateer aan de student van de Radboud Universiteit te Nijmegen met het beste examencijfer voor het vak erfrecht in het jaar na mijn overlijden de som van €1000’,5 was volgens het Gewijzigd Ontwerp dus geen legaat, maar een last. Overigens betekende ‘onmiddellijk’ ofwel ‘ten tijde van des erflaters overlijden’ niet dat er geen nader onderzoek kon worden uitgevoerd om de identiteit van de legataris vast te stellen:
‘Overigens is het niet nodig, dat de identiteit uitsluitend uit het testament moet kunnen blijken; het kan noodzakelijk zijn, andere gegevens dan het testament alleen te raadplegen. In de casus van ‘de plaatselijke pastoor’ zal men elders zijn licht moeten opsteken ten einde tot identificatie te geraken. Als de bevoordeelde, bij voorbeeld, een kleinzoon is, in een ander werelddeel woonachtig, behoeven zijn personalia niet op de dag van het ontstaan van het vorderingsrecht reeds bekend te zijn. Wellicht is daartoe enig onderzoek nodig. Maar de noodzaak van enig onderzoek is een andere zaak dan dat nog bepaalde voorwaarden moeten zijn vervuld, voordat de bevoordeelde uit een bepaalde groep van personen, die als ‘kanshebbers’ mogen worden aangemerkt, naar voren optreedt (curs. NB).’6
Wat in het Gewijzigd Ontwerp dus evenwel niet was toegestaan, was het achterhalen van de identiteit van de legataris doordat er bepaalde voorwaarden moesten worden vervuld. Bijvoorbeeld de voorwaarde dat de legataris door een derde wordt aangewezen of de voorwaarde dat de legataris eerst een prijs moet winnen.7 En dit alles dus omdat men het niet gewenst vond dat men gevallen met een vorderingsrecht zou moeten aanvaarden, waarin de dragen van dat recht zich eerst na vele jaren aandient.8 Maar is dit nu wel zo bezwaarlijk? En wat als bijvoorbeeld een bepaalde termijn wordt gesteld waarbinnen de gedelegeerde de legataris moet hebben aangewezen, zodat men niet eerst na ‘vele jaren’ met het vorderingsrecht wordt geconfronteerd?