Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/5.2.7.2
5.2.7.2 Art. 69 lid 4 AWR
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270061:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 maart 1997, ECLI:NL:HR:1998:ZD0659, NJ 1998/71, r.o. 6.4. (en zie ook: HR 23 februari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC7541, NJ 1982/647).
Kamerstukken II 1994/1995, 23 470, nr. 8, p. 23.
Kamerstukken II 1993/1994, 23 470, nr. 3, p. 3 e.v.
Kamerstukken II 1993/1994, 23 470, nr. 3, p. 24. Voor deze bijzonderheden wordt tevens verwezen naar paragraaf 2.4 van dit boek.
Art. 69 lid 4 AWR voorkomt situaties van eendaadse samenloop. Zie ook: Rechtbank Amsterdam 24 oktober 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4945.
In deze lijn is de uitspraak van Hof ‘s-Hertogenbosch 9 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2096. In deze zaak werd vervolging toegestaan op basis van art. 225 lid 1 WvSr voor het valselijk opmaken van aangiften omzetbelasting.
De wetgever heeft bij de herziening van het fiscale straf- en boeterecht in het jaar 1998 (zie paragraaf 2.4.4.2) de samenloop tussen art. 225 lid 2 WvSr en art. 69 AWR onder ogen gezien: een generalis-specialis verhouding werd tot dan toe niet door Hoge Raad geaccepteerd:
“Vooropgesteld dient te worden dat art. 68, eerste lid aanhef en onder a in verbinding met het tweede lid, AWR— voorzover betrekking hebbende op een onjuiste of onvolledige aangifte — zich niet tot art. 225, eerste, onderscheidenlijk tweede lid, Sr verhoudt als een bijzondere tot een algemene strafbepaling in de zin van art. 55, tweede lid, Sr. Eerstgenoemd misdrijf omvat immers niet alle bestanddelen van art. 225, eerste, onderscheidenlijk tweede lid, Sr, terwijl onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat de wetgever desondanks een verhouding als vorenbedoeld heeft gewild.”1
Art. 69 lid 4 AWR bepaalt sinds 1998 echter dat indien het feit ter zake waarvan de verdachte kan worden vervolgd, zowel valt onder één van de bepalingen van art. 69 lid 1 AWR (het opzettelijk niet doen van aangifte of één van de varianten als bedoeld in art. 68 AWR) of lid 2 (het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangifte), als onder die van art. 225 lid 2 WvSr (valsheid in geschrifte bij wijze van het gebruiken van een vervalst geschrift), strafvervolging op grond van art. 225 lid 2 WvSr is uitgesloten.
De vraag of ook samenloop van fiscale beboeting met strafvervolging op grond van het eerste lid van artikel 225 Sr dient te worden uitgesloten, is door de staatssecretaris van Financiën uitdrukkelijk negatief beantwoord:
“De gedraging die het fiscale vergrijp oplevert, is immers niet identiek aan hetgeen in artikel 225, eerste lid, Sr is strafbaar gesteld, ook al hangen beide samen. Bij de fiscale vergrijpen vormt het gebruik dat van een stuk wordt gemaakt in de verhouding tot de fiscus de kern van de zaak, terwijl de genoemde strafbepaling bij uitstek ziet op het opmaken van een vals geschrift. De situatie zou kunnen worden vergeleken met de strafvervolging van iemand die eerst een stuk vervalst en vervolgens zelf van dat valse stuk gebruik maakt ten opzichte van een derde. Ook in die situatie zou zo iemand cumulatief de overtreding van artikel 225, eerste lid, en van artikel 225, tweede lid, Sr ten laste kunnen worden gelegd.”2
De wettelijke anti-samenloopregel (of: vervolgingsuitsluitingsgrond) is zoals reeds benoemd met de wijzigingen van de AWR op 1 januari 1998 ingevoerd. De wetgever volgde hiermee het advies van de commissie Van Slooten.3 De wetgever heeft deze vervolgingsuitsluitingsgrond in de wet opgenomen met als reden dat een vervolging op grond van art. 225 lid 2 WvSr geen recht doet aan de bijzonderheden van het fiscale strafrecht.4 In feite is sprake van het vastleggen van een situatie die ook door art. 55 lid 2 WvSr wordt gedekt: immers gaat de specifieke bepaling voor op de algemene bepaling, omdat de specifieke bepaling meer is toegespitst op specialiteiten binnen het fiscale.5
Het gevolg van de kwalificatie van art. 69 lid 4 AWR als vervolgingsuitsluitingsgrond is dat de strafrechter, indien deze zich geconfronteerd ziet met een fiscale vervolging op grond van art. 225 lid 2 WvSr de OvJ niet-ontvankelijk dient te verklaren. Een dergelijke uitspraak van de rechter verhindert overigens niet dat de OvJ een nieuwe vervolging aanhangig maakt ter zake van art. 69 AWR. Nu geen inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden, is in een dergelijk geval geen sprake van een dubbele vervolging die wordt verhinderd door het ne bis in idem-beginsel.
De bijzondere specialiteitsregel ontdoet art. 225 WvSr echter niet volledig van zijn betekenis bij de vervolging ter zake van feiten die (mede) in een fiscale context zijn begaan. Een vervalst document kan bij fiscale controle ter inzage zijn gegeven, maar ook jegens een derde of andere instantie zijn gebruikt. De werking van art. 69 lid 4 AWR is logischerwijs beperkt tot het gebruik van het vervalste document bij de belastingcontrole.6 Het gebruik van een onjuiste of valse aangifte richting een andere instantie kan wel onder de werking van art. 225 lid 2 WvSr vallen.
Art. 69 lid 4 AWR verhindert voorts niet de vervolging op basis van art. 225 lid 1 WvSr waarin het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift is strafbaar gesteld, nu in art. 69 lid 4 AWR slechts wordt verwezen naar art. 225 lid 2 WvSr. Er wordt dus enkel samenloop voorkomen voor wat betreft het voorhanden hebben of afleveren van een geschrift. Dit zou kunnen meebrengen dat het opmaken van een onjuiste aangifte wordt vervolgd onder art. 225 lid 1 WvSr.7