Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/1.9
1.9 Onderzoeksmethoden
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268358:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze methode J.B.M. Vranken, ‘Wij weten wel wat wij doen’, NJB 2014/1271 met bespreking van Asser/Vranken Algemeen Deel, 2014/1.2, Deventer: Kluwer, 2014.
Bij de sneeuwbalmethode gaat de onderzoeker uit van een recent tijdschriftartikel en maakt dan gebruik van de hierbij gevoegde literatuurlijst of voetnoten om andere publicaties over het onderwerp op het spoor te komen, zie Werkgroep Rechtsmethodologie Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Radboud Universiteit Nijmegen, “Het opstellen van een juridisch onderzoeksplan. Een handreiking bij het doen van juridisch onderzoek en het maken van onderzoeksvoorstellen,” december 2006, p. 17.
Ik verwijs naar mijn curriculum vitae, opgenomen achter in dit boek.
In de zin van het Besluit aanwijzing toezichthouders DNB (Stcrt. 2006, 252). Vergelijk ook art. 1:72, eerste lid, Wft. Alleen de in dit besluit aangewezen medewerkers van DNB hebben de status van toezichthouder in de zin van artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en beschikken daarmee over de bevoegdheden die zijn neergelegd in afdeling 5.2 van de Awb.
De in dit onderzoek geformuleerde onderzoeksvragen worden beantwoord met behulp van de juridisch dogmatische methode.1 Daarbij richt ik mij op het onderzoeken van het positieve recht zoals neergelegd in Nederlandse en Europese wet- en regelgeving, aangevuld met beleid en beleidsregels van nationale en Europese toezichthouders en toezichthoudende autoriteiten (soft law). Daarnaast heb ik een jurisprudentie- en literatuuronderzoek uitgevoerd. Ook heb ik nationale en internationale (corporate governance) codes geraadpleegd en gebruik gemaakt van jaarverslagen en websites van nationale en Europese toezichthouders, nationale en internationale onderzoeksrapporten en berichtgeving van koepelorganisaties en de media over personentoetsingen.
Bronselectie heeft plaatsgevonden aan de hand van digitale juridische zoeksystemen en bibliotheekcatalogi, waarbij systematisch is gezocht op trefwoorden. Uit de gevonden documenten heb ik, na eerste lezing, de publicaties geselecteerd die behulpzaam konden zijn bij het beantwoorden van de onderzoeksvraag en de gestelde deelvragen. Bij verschillende artikelen en documenten is gebruik gemaakt van de sneeuwbalmethode voor het vinden van aanvullende, relevante bronnen.2 Daarnaast heb ik gedurende de onderzoeksperiode (en daarvoor) steeds zicht gehouden op actuele publicaties in (fysieke) tijdschriften, jurisprudentie en ontwikkelingen bij beleidsmakers en (Europese) toezichthouders.
Ter beantwoording van een van de deelvragen uit Hoofdstuk 5 (de vraag naar diversiteit in de top van de Nederlandse bankensector) heb ik de jaarverslagen en websites van de betrokken banken geraadpleegd en de inschrijvingen bij de Kamer van Koophandel. De verkregen informatie heb ik geanalyseerd met gebruikmaking van enkele eenvoudige statistische technieken.
Daarnaast heb ik door mijn werkzaamheden bij de Nederlandse toezichthouders AFM en DNB veel achtergrondkennis verkregen over personentoetsingen en inzichten opgedaan ten aanzien van de dilemma’s en afwegingen waar een toezichthouder zich in de praktijk voor gesteld kan zien staan.3 Ik heb diverse interviews en achtergrondgesprekken gevoerd met toezichthouders en toetsers in de praktijk, werkzaam bij de AFM, DNB, ECB en de Engelse PRA. Ook heb ik de training “Fit and proper assessments” gevolgd bij de Authorisations Division van de ECB in Frankfurt.
Bij het schrijven van dit proefschrift ben ik mij bewust geweest van een mogelijk spanningsveld tussen mijn betrokkenheid bij het onderzoeksgebied uit hoofde van mijn functie en mijn onafhankelijkheid als wetenschappelijk onderzoeker. Mijn functie als afdelingshoofd bij de divisie Juridische Zaken bij DNB bestaat uit leidinggeven aan juristen en uit het geven van intern juridisch advies. Hieronder valt niet het toezichthouden op de naleving van de financiële toezichtwetgeving4 of het feitelijk uitvoeren van toetsingswerkzaamheden of het voeren van toetsingsgesprekken. Door de juridische afdelingen wordt geadviseerd over de grenzen en mogelijkheden van wet- en regelgeving, vaak met de blik van een rechter die een besluit op zijn juridische merites beoordeelt. Deze rol verdroeg zich in mijn ervaring goed met het doen van wetenschappelijk onderzoek en lag vaak in het logisch verlengde daarvan. Wel heb ik sommige (deel-)onderwerpen onbesproken gelaten dan wel slechts summier aangestipt, zoals de jurisprudentie waarbij AFM of DNB procespartij is geweest. Ik heb voorts geen belemmeringen ervaren in de academische vrijheid om mijn artikelen of dit proefschrift te publiceren.