Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.5.3.1
2.5.3.1 Rechtspraak: HR 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2047, NJ 2016/408
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859129:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rb. ’s-Gravenhage 8 juni 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU8572.
Hof Den Haag 24 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2807.
HR 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2047NJ 2016/408. Het cassatieberoep is op andere onderdelen gegrond verklaard. De zaak is voor die onderdelen verwezen naar het Hof Amsterdam dat op 19 maart 2019 een tussenuitspraak heeft gewezen, ECLI:NL:GHAMS:2019:976. Onwaardigheidsvraagstukken staan niet meer ter discussie.
Concl. A-G J.B.M.M. Wuisman, ECLI:NL:PHR:2016:143, bij HR 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2047, NJ 2016/408.
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 95.
Concl. A-G J.B.M.M. Wuisman, ECLI:NL:PHR:2016:143, bij HR 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2047, NJ 2016/408.
Zie par. 2.5.1.1.
J.P. Wilde, Hall v Hall 1968, kenbaar uit: Sloan 2020, p. 112-113.
Een illustratie waarbij van beïnvloeding van de erflater sprake is zonder dat de drempel dwingen uit artikel 4:3 lid 1 sub d BW wordt gehaald, betreft een uitspraak van de Hoge Raad uit 2016. Een zaak die partijen meer dan een decennium verdeeld houdt. Hoewel nog geen eindoordeel is geveld, althans niet is gepubliceerd over de wilsbekwaamheid van erflater, zijn de onwaardigheidsvraagstukken beslecht. De casus is als volgt.
Erflater is in juli 2008 op 77-jarige leeftijd overleden. Tot aan zijn overlijden woonde erflater zelfstandig en was hij praktiserend tandarts in een praktijkruimte grenzend aan zijn woning. Erflater is al ruim twintig jaar weduwnaar. Hij heeft drie dochters en vijf kleinkinderen. In de jaren 1970-1980 heeft X als tandartsassistente in de praktijk van erflater gewerkt. Vanaf 2001 heeft zij haar werkzaamheden voor erflater weer hervat. De tandartsassistente is gehuwd met Y. Iets meer dan twee maanden voor zijn overlijden heeft erflater zijn testament uit 2006 gedeeltelijk herroepen. Onder instandhouding van de legaten uit dat testament heeft hij X tot enig erfgenaam en executeur benoemd. De kinderen krijgen een legaat ter grootte van hun legitieme portie.
De kinderen vorderen nietigverklaring, dan wel vernietiging van het testament uit 2008. Aan de nietigheid leggen zij ten grondslag dat erflater ten tijde van het opmaken van dit testament niet langer wilsbekwaam was ten gevolge van dementie. Vernietigbaarheid wordt door de kinderen onder andere gegrond op artikel 4:43 BW. De kinderen zijn van mening dat X misbruik heeft gemaakt van de situatie van erflater en hem heeft bewogen om enkele weken voor zijn overlijden zijn testament te wijzigen in een voor haar voordelige zin. X zou erflater hebben doen geloven dat hij met haar getrouwd was en heeft doelbewust de kinderen en derden op afstand gehouden om hem te isoleren van zijn omgeving en in haar invloedssfeer te brengen. Subsidiair vorderen de kinderen onder meer dat X geen rechten aan het testament kan ontlenen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid.1
Onwaardigheid komt bij de rechtbankprocedure niet ter sprake. In hoger beroep wordt weliswaar geen expliciet beroep gedaan op artikel 4:3 BW, maar ziet het hof aanleiding hier (ambtshalve) op in te gaan. Van onwaardigheid is volgens het hof geen sprake. Ter onderbouwing van dit standpunt is met name de volgende overweging van belang:
‘Het feit dat appellante [lees: de tandartsassistente, MdV] erflater mogelijk heeft beïnvloed om haar tot zijn (bezwaarde) erfgename te benoemen is niet een omstandigheid die maakt dat zij niet enig voordeel uit de nalatenschap van erflater zou mogen trekken. Het gaat erom of erflater zijn wil onafhankelijk heeft kunnen vormen. Menig erflater laat zich daarbij ook leiden door zijn relatie met een partner. Eveneens indien zij de familierelatie tussen erflater en zijn kinderen negatief zou hebben beïnvloed, of erflater in enige mate heeft geïsoleerd van zijn vrienden en kennissen – hetgeen appellante gemotiveerd heeft bestreden - zijn dit eveneens geen feiten en omstandigheden op grond waarvan appellante geen voordeel uit de nalatenschap van erflater kan trekken. Het behoort tot het persoonlijke domein van erflater om zich door zijn eigen gevoelens en beweegreden te laten leiden bij het formuleren van zijn uiterste wil. De notarissen hebben in deze specifieke zaak zorgvuldig getoetst of de verklaring van erflater overeenkwam met hetgeen is beschreven in het testament van erflater. Naar het oordeel van het hof heeft appellante jegens erflater geen handelingen verricht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat zij op grond van de wet en/of het recht geen voordeel zou kunnen ontlenen aan het testament van erflater.’2
In cassatie worden klachten opgeworpen die betrekking hebben op het onderdeel onwaardigheid. De Hoge Raad verwerpt deze klachten met een beroep op artikel 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie (RO).3 Advocaat-Generaal Wuisman bespreekt de klachten inhoudelijk en komt tot de slotsom dat de klachten stranden.4
Wuisman verwijst eerst naar de wetgeschiedenis waaruit blijkt dat bij het redigeren van artikel 4:3 lid 1 sub d BW, artikel 284 Sr in aanmerking is genomen. Deze strafrechtelijke achtergrond, die ook in andere onwaardigheidsgronden voorkomt, vormt volgens Wuisman een aanwijzing dat tot het toepassing geven aan artikel 4:3 lid 1 sub d BW niet te spoedig dient te worden overgegaan. Een aanwijzing tot terughoudendheid vindt Wuisman verder in de afwijzing van de suggestie om onwaardigheid te verbinden aan het enkele feit dat de onwaardige de erflater heeft gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking te maken. Zoals in paragraaf 2.5.1.1 naar voren is gekomen, is minister Polak van mening dat met deze formulering de sluizen naar aanvechting van de erfopvolging op grond van onwaardigheid wel zeer wijd opengezet zouden worden. Bij iedere maar gestelde vroegere ideële pressie op de erflater, die er zelf niet meer is om een en ander te weerleggen, zouden processen gevoerd kunnen worden waardoor de zekerheid van de erfopvolging en van het testament in het gedrang zou komen.5
Een en ander komt er volgens Wuisman op neer dat, gegeven de bij erflater op 23 mei 2008 aanwezig te achten wilsbekwaamheid, hem als bepaler van zijn uiterste wil veel ruimte moet worden gelaten om zich daarbij te laten leiden door bij hem aanwezige gedachten en gevoelens ten aanzien van anderen en dat die ruimte rechtens gerespecteerd dient te blijven, ook al zouden deze gedachten en gevoelens onder beïnvloeding van de tandartsassistente bij hem zijn gegroeid. Hiermee geeft het hof volgens Wuisman geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet voor wat artikel 4:3 lid 1 sub d BW betreft. Wuisman vervolgt dat als iemand bij het opmaken van zijn uiterste wil in staat is de betrokken belangen te overzien en af te wegen, dat hem grote vrijheid moet worden gelaten om zich bij het bepalen van die uiterste wil te laten leiden door bij hem levende gedachten en gevoelens. Het bepalen van die uiterste wil heeft betrekking op wat de overledene ten tijde van zijn overlijden toebehoort en het bepalen van de uiterste wil is een rechtshandeling met een sterk persoonlijk karakter. Artikel 4:3 lid 1 sub d BW ziet onder meer op het door een feitelijkheid dwingen van een erflater tot het maken van een uiterste wilsbeschikking. Het gedrag van de tandartsassistente typeert het hof als een beïnvloeden van haar van erflater. Dat is niet, althans niet zonder meer gelijk te stellen met een dwingen van erflater tot het maken van een uiterste wilsbeschikking met een door de tandartsassistente gewilde inhoud, aldus Wuisman. Hierbij acht hij van belang dat met het toepassing geven aan deze onwaardigheidsbepaling terughoudendheid is te betrachten.6
Het feit dat het strafrecht doorklinkt in artikel 4:3 BW zie ik niet als zodanig als een aanwijzing voor een terughoudende toepassing van deze bepaling. Het geeft slechts richting aan de uitleg van bepaalde begrippen. Is de strafrechtelijke uitleg beperkt, dan kan dat een aanwijzing vormen voor het toepassingsbereik van deze onwaardigheidsbepaling.
De minister heeft er niet voor gekozen de middelen uit artikel 4:3 lid 1 sub d BW te schrappen, vanwege het risico dat te eenvoudig een beroep gedaan zou worden op deze bepaling bij iedere maar gestelde vroegere ideële pressie. Met Wuisman ben ik van mening dat hierin terughoudendheid valt te lezen. Als gezegd, zijn het echter niet de middelen die in deze bepaling de beperkende factor zijn. Het vereiste dat de erflater moet zijn gedwongen of belet voorkomt dat een enkele vroegere ideële pressie tot onwaardigheid leidt.7 Wuisman merkt daarbij terecht op dat beïnvloeden niet zonder meer gelijk is te stellen met dwingen.
De overwegingen van Wuisman doen denken aan de Engelse uitspraak Hall v Hall uit 1968 waarin J.P. Wilde opmerkt dat ‘In a word a testator may be led but not driven and his will must be the offspring of his own volition and not the record of someone else’s.’8 Dit citaat gaat ook op bij artikel 4:3 lid 1 sub d BW. Enige beïnvloeding leidt niet tot onwaardigheid. De grens van het toelaatbare wordt overschreden als sprake is van dwang. Wanneer daarvan sprake is, komt in paragraaf 2.5.5 aan de orde.