Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/3.3.4.4
3.3.4.4 Ingebrekestelling en nakoming
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS380004:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 20 september 1996, NJ 1996, 748, to. 3.2(Bdchner/Wies), de rechter dient ambtshalve te onderzoeken of de schuldeiser aan zijn stelplicht heeft voldaan inzake de voorwaarden voor het intreden van het verzuim.
Zie bijv. HR 22 mei 1981, NJ1982, 59 (Van der Gun/Farmex); en HR 15 mei 1964 NJ 1964, 414.
Asser/Hartkamp 2004 (4-I), nr. 639; Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-1*), nr. 388; en Van Opstall 1976, p. 93-94 met verwijzingen naar oudere bronnen.
Stolp 2007a, p. 263; en in Duitsland Schlechtriem & Schmidt-Kessel 2005, nr. 465, p. 224.
Het ontbreken van een ingebrekestellingsverplichting bij nakoming laat onverlet dat de schuldeiser al zijn rechten en bevoegdheden ter zake het gebrek in de prestatie verwerkt indien hij na ontvangst van een gebrekkige prestatie niet tijdig protesteert, art. 6:89 (bij koop art. 7:23, voor het ontslag van aansprakelijkheid bij aanneming van werk art. 7:758 lid 3).
Asser/Hartkamp 2004 (4-I), nr. 639; Van Opstall 1976, p. 93-94; Asser/Hijma 2007 (5-I), nr. 373; en Stolp 2007a, p. 187. Voor Duitsland vgl. Staudinger/Matusche-Beckmann 2004, § 439, nr. 8. Geheel overrompeld zal de schuldenaar op de zitting overigens niet zijn, omdat ook van de dagvaarding een zekere alarmerende werking uitgaat en, afhankelijk van het type prestatie dat de schuldenaar verschuldigd is, hij in bepaalde gevallen de prestatie kan verrichten in de periode tussen ontvangst van de dagvaarding en behandeling van de zaak.
Bijv. Malinvaud 2005, nr. 825, p. 517; Flour e.a. 2004, nr. 154-157; en Terré, Simler & Lequette 2005, nr. 10781080.
Debily 2002, nr. 164, p. 177.
Libchaber 2001, p. 116-117.
Vgl. Bakels 1993, p. 202-203; en Vranken 1989, p. 135.
HR 8 maart 2002, NJ 2002, 199, r.o. 3.4.
Ook ingeval van onmogelijkheid, als het verzuimvereiste niet van toepassing is, kan de redelijkheid een mede-delingsplicht meebrengen, bijv. HR 6 juni 1997, NJ 1998, 128, r.o. 3.4(Van Bommel/Ruijgrok). Andersom ontslaat het ingetreden verzuim de schuldeiser niet van bepaalde mededelings- of onderzoeksplichten, zie HR 27 november 1998, NJ 1999, 380(Van der Meer/Beter Wonen).
HR 17 februari 2006, NJ 2006, 158, r.o. 3.13(Spector Nederland/Fotoshop). Zie ook HR 12 december 2003, AL7070, nr. CO2/20611R (niet gepubliceerd) en HR 24 oktober 2003, NJ 2004, 51, r.o. 3.3 (de opschortende partij dient de reden van de opschorting duidelijk te maken alsmede wat zij met de overeenkomst wenst). Zie ook HR 5 december 1997, NJ 1998, 169; en HR 23 september 1994, NJ 1995, 26. Een niet aan formele vereisten verbonden mededelingsplicht bestaat ook ten aanzien van de klachtplicht die krachtens art. 6:89 en art. 7:23 op de schuldeiser rust om mededeling te doen van het gebrek in de ontvangen prestatie, vgl. Tjittes 2007, nr. 38.
Bakels 1993, p. 202-204.
HR 7 april 2006, RvdW 2006, 374, r.o. 5.3(Koninklijke Ten Cate/ United Fabrics).
Zie de literatuur aangehaald in Stolp 2007a, p. 187, vtnt. 7.
HR 6 oktober 2000, NJ2000, 691 (Verzicht/Rowi); HR 20 september 2002, NJ 2004, 248(Caribbean Bistras), m.nt. JH; HR 4 oktober 2002, NJ 2003, 257(Fraanje/Götte) m.nt. JH; HR 28 november 2003, NJ 2004, 237(Van der Heijden/Bubbels); en HR 12 september 2003, NJ 2004, 36(Bolk/Schürgers).
HR 22 oktober 2004, NJ 2006, 597, r.o. 3.4.4(Endlich/Bouwmachines) m.nt. Jac. Hijma.
Vgl. De Jong 2007, p. 2749. De stelling van Lewin 2006, p. 629-630 gaat m.i. te ver, dat als geen correcte ingebrekestelling is verstuurd mondelinge mededelingen van de schuldeiser als een ingebrekestelling kunnen worden gezien indien de schuldenaar geen redelijk belang heeft bij het schriftelijkheidsvereiste.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 289: 'De regeling beoogt niet zozeer strakke regels te geven die de schuldeiser, na raadpleging van de wet, in de praktijk naar de letter zal kunnen gaan toepassen, maar veeleer om aan de rechter de mogelijkheid te geven in de gevallen waarin partijen — zoals meestal — zonder gedetailleerde kennis van de wet hebben gehandeld, tot een redelijke oplossing te komen naar gelang van wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht' Volgens Snijders is de terughoudende onaanvaardbaarheidsmaatstaf van art. 6:248 lid 2 te rigide voor de door de redelijkheid ingegeven uitzondering op de wettelijke regels van de ingebrekestelling, zie Snijders 2007, p. 10.
Een schuldeiser die schadevergoeding of ontbinding vordert, dient te stellen, en bij tegenspraak te bewijzen, dat zijn wederpartij is tekortgeschoten. Zoals in de vorige paragraaf is besproken, strekt de stelplicht van de schuldeiser die schadevergoeding of ontbinding vordert zich uit over het verzuim als nakoming mogelijk is. Het verzuim treedt in beginsel in doordat de schuldenaar ongebruikt de redelijke termijn laat verstrijken die de schuldeiser hem in het kader van een ingebrekestelling heeft gesteld (art. 6:82 lid 1). Een schuldeiser die schadevergoeding of ontbinding vordert, dient in beginsel te stellen dat hij zijn wederpartij een schriftelijke ingebrekestelling heeft gestuurd en dat de prestatie binnen de ingebrekestellingstermijn is uitgebleven.1 Op een schuldeiser die nakoming vordert, rust geen stelplicht ten aanzien van het ingebrekestellingsvereiste.2 Anders dan bij een vordering tot schadevergoeding en ontbinding kan de rechter een vordering tot nakoming dan ook niet afwijzen omdat de schuldeiser zijn wederpartij niet in gebreke heeft gesteld.3 Het voor ontbinding en schadevergoeding geldende tekortkomingsvereiste, met het daarin vervatte verzuimvereiste, onderstreept de hiërarchie tussen de remedies. In de eerste plaats stimuleert het ingebrekestellingsvereiste nakoming door de schuldenaar. De schuldeiser zal zijn wederpartij immers eerst een (extra) kans moeten geven om na te komen voordat zijn recht op schadevergoeding of ontbinding ontstaat.4 In de tweede plaats draagt het ontbreken van het ingebrekestellingsvereiste bij aan het imago van nakoming als 'makkelijke remedie'.
Een schuldeiser die nakoming vordert, hoeft zich niet om het verzuim van zijn wederpartij te bekommeren en bevindt zich derhalve in een betere bewijspositie dan een schuldeiser die schadevergoeding of ontbinding vordert.5
Dit betekent niet dat het sturen van een ingebrekestelling in het kader van nakoming zinloos is. Een schuldeiser zal in de praktijk zelden tot dagvaarding overgaan indien de onwil van de schuldenaar niet duidelijk is gebleken. De onwil van de schuldenaar komt aan het licht met een ingebrekestelling. Als de schuldeiser zijn wederpartij in gebreke heeft gesteld, maar nakoming blijft uit, staat de onwil van de schuldenaar vast. Indien de schuldeiser zijn wederpartij nauwelijks dagvaardt en de schuldenaar zich in rechte onvoorwaardelijk bereid verklaart na te komen, kan de rechter de schuldeiser echter wel veroordelen in de proceskosten van het geding, omdat deze onnodig zijn veroorzaakt (art. 237 Rv).6 In Frankrijk hebben auteurs de toepasselijkheid van de ingebrekestellingsverplichting voor nakoming bepleit, omdat het onnodige procedures helpt te voorkomen.7 Volgens Debily vervult de ingebrekestelling bij nakoming de volgende functie:8
Elle permet dans de nombreux cas, non seulement de füre l'économie d'un procès et d'obtenir plus rapidement l'avantage économique contractuellement promis, mais également de sauvegarder la relation de confiance instaurée entre les parties. En exigeant une mise en demeure préalable, on vérifie donc le créancier a tenté de sauvegarder la relation de confiance établie avec le débiteur en ne tirant pas immédiatement les conséquences judiciaires de cette défaillance. C'est pourquoi la mise en demeure doit, en principe, précéder la mise en oeuvre de l'exécution forcée en nature.
Volgens Libchaber kan de ingebrekestelling in het kader van een vordering tot nakoming wel een nuttige functie vervullen, maar is het ook in Frankrijk geen vereiste voor nakoming:9
Cette mise en demeure est d'ailleurs si importante dans la pratique des obligations que nombre d'auteurs la classent comme une composante nécessaire de l'exécution forcée, ce qu'elle n'est pourtant pas en raison. (...) quand bien même le créancier agirait directement en exécution forcée sans en passer par une mise en demeure, cette saisine ne réaliserait pas un abus du droit de demander son paiement, mais l'assignation en justice tiendrait alors lieu de mise en demeure: interpellant de front le débiteur, elle lui permettrait de prendre clairement conscience de ce qui lui est demandé, et mettrait le juge en mesure d'en tirer toutes les conséquences pour l'avenir.
Hoewel van een formele ingebrekestellingsverplichting bij nakoming geen sprake is, zal de schuldeiser zijn wederpartij veelal eerst mededelen dat hij nakoming verlangt voordat hij haar dagvaardt.10 Een zekere parallel op dit punt kan worden getrokken met het recht op opschorting. Hoewel voor opschorting evenmin een formeel ingebrekestellingsvereiste geldt,11 kan uit de redelijkheid en billijkheid een niet aan vormvereisten gebonden mededelingsverplichting voortvloeien,12 zij het met een wat andere inhoud dan bij schadevergoeding en ontbinding. Onder omstandigheden mag een partij eerst opschorten nadat hij zijn wederpartij heeft medegedeeld dat en op welke grond de opschorting plaatsvindt.13 Een niet aan vormvereisten verbonden uitnodiging tot nakoming,14 kan echter niet met de formele ingebrekestelling worden vereenzelvigd, want:15
Aansporingen tot nakoming (...) zijn immers in het algemeen geen ingebrekestelling, en kunnen daarmee ook niet op één lijn worden gesteld.
Een informele aansporing tot nakoming - hoe verstandig dat in de praktijk ook moge zijn - vloeit bij de nakomingsvordering mijns inziens niet voort uit de redelijkheid en billijkheid. Indien de schuldeiser jegens zijn wederpartij noch een formele noch een informele daad van communicatie verricht, kan de rechter de vordering tot nakoming niet afwijzen. Zoals opgemerkt, loopt de schuldeiser echter wel het risico in de proceskosten te worden veroordeeld (art. 237 Rv) als de schuldenaar zich op de zitting onvoorwaardelijk tot nakoming bereid verklaart.16
Terzijde moet worden opgemerkt dat de ingebrekestellingsverplichting voor schadevergoeding en ontbinding geen absoluut vereiste is. Bekend is dat de Hoge Raad in een reeks arresten de verplichting om een ingebrekestelling uit te brengen en de gevolgen van het nalaten daarvan heeft gerelativeerd.17 In het arrest Endlich/Bouwmachines heeft de ingebrekestellingsverplichting op nog een ander punt terrein verloren. In dat arrest overwoog de Hoge Raad namelijk dat een ingebrekestelling onder omstandigheden ook op een andere wijze dan in schriftelijke vorm zijn beslag kan krijgen:18
[dat] voorzover vanwege de spoedeisendheid van het herstel een schriftelijke ingebrekestelling met termijnstelling in overeenstemming met art. 6:82 lid 1 BW niet mogelijk of niet zinvol is, de schuldeiser wel het in de betrokken situatie redelijkerwijs mogelijke zal moeten doen om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen om het gebrek in de geleverde prestatie (en in voorkomend geval de erdoor veroorzaakte schade) te herstellen. Indien evenwel de schuldenaar door hem niet bereikt kan worden - ook niet op een aan de spoedeisende situatie aangepaste wijze zoals per telefoon - of, bereikt zijnde, niet in staat is of zich niet bereid toont om met de noodzakelijke spoed afdoende maatregelen te nemen, brengen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid mee dat ten aanzien van de bedoelde, spoedeisende herstelwerkzaamheden verzuim intreedt zonder dat een ingebrekestelling heeft plaatsgevonden.
De redelijkheid en billijkheid is dus ook van invloed op de vorm van de ingebrekestelling (schriftelijk of per telefoon).19 De soepelheid die de wetgever voor ogen stond bij de toepassing van de regels van verzuim, beperkt zich dus niet tot de vraag of al dan geen ingebrekestelling moet worden verstuurd, maar omvat ook de vorm van de ingebrekestelling.20