De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.3.1:I.3.3.1 Regeringsvoorstellen
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.3.1
I.3.3.1 Regeringsvoorstellen
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285016:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bij de grondwetsherziening van 1983 is een ‘bijzondere commissie voor het beleid inzake grondwet en kieswet’ ingesteld.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Koning heeft van oudsher een rol bij de indiening van wetsvoorstellen. Artikel 82, lid 1 Gw luidt nog altijd:
‘Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.’
Vanaf 1814 lag deze bevoegdheid om voorstellen van wet in te dienen bij de Koning, ministers waren niet eens verantwoordelijk voor de indiening. Het koningschap is in de loop der tijd sterk veranderd, zo ook op dit punt. De rol van de Koning bij de indiening van voorstellen van wet is na de grondwetsherzieningen van 1840 en 1848 in het licht van de ministeriële verantwoordelijkheid sterk ingekaderd. De regering stelde in 1978 in de memorie van toelichting bij het voorstel over de bepalingen over de wetsprocedure terecht dat de positie van de Koning in de regering inmiddels veel minder sterk geaccentueerd was dan tijdens de totstandkoming van de Grondwet in 1814.1 Niettemin bleef de regering bij de terminologie ‘door of vanwege de Koning’. Dat betekent vooral dat indiening van voorstellen bij Koninklijke boodschap geschiedt. In principe gaat het kabinet over de inhoud van een wetsvoorstel.
Uit de meer recente praktijk valt op te maken dat veelal de minister-president, de minister van Binnenlandse Zaken (en Koninkrijksrelaties) en de minister van Justitie (en Veiligheid) – middels de ondertekening van de memorie van toelichting -verantwoordelijkheid nemen betreffende de indiening van wetsvoorstellen betreffende een voorstel voor een grondwetsherziening.
Artikel 9.1 RvOTK bepaalt dat voorstellen van wet door de Voorzitter van de Tweede Kamer in handen van een commissie worden gesteld. Indien het gaat om een herzieningsvoorstel van de Grondwet, dan gaat dat voorstel naar de Vaste commissie voor Binnenlandse Zaken.2 Deze commissie doet het voorbereidend onderzoek naar het voorstel. De commissie verzamelt in een verslag3 de opmerkingen, die veelal schriftelijk zijn ingediend. De regering reageert met een nota naar aanleiding van het verslag. Hierbij kan de regering het voorstel door een nota van wijziging aanpassen. Bij grote aanpassingen kan de Raad van State weer worden gehoord.
Eventueel kan deze ronde opnieuw plaatsvinden d.m.v. een nader verslag (artikel 9.4 lid 3 RvOTK) opgesteld door de commissie en een nota naar aanleiding van het nader verslag. Deze onderzoeksfase kan betrekkelijk snel plaatsvinden, maar zij kan ook jaren in beslag nemen. Dit hangt mede af van politieke factoren. Kamerleden kunnen al amendementen indienen in de voorbereidingsfase. Na afronding van dit voorbereidend onderzoek, volgt de plenaire behandeling (meestal in meerdere termijnen). De beslissing om tot stemming over te gaan is aan de Tweede Kamer zelf, zie artikel 8.23 RvOTK. De behandeling in de Tweede Kamer in eerste lezing is het enige moment dat het voorstel inhoudelijk geamendeerd kan worden.