Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/6.2.1.8
6.2.1.8 Casuspositie 7: Revisierente (BNB 2022/10)
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661278:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Gebaseerd op HR 5 november 2021, nr. 20/03173, BNB 2022/10.
Zie r.o. 5.3 en 5.7 van de hofuitspraak bij BNB 2022/10.
De belastingrechter gaat daarin niet mee, zie r.o. 5.7-5.9 van de hofuitspraak bij BNB 2022/10.
Zie r.o. 5.2, 5.8 van de hofuitspraak bij BNB 2022/10.
Zie r.o. 5.7-5.9 van de hofuitspraak bij BNB 2022/10, waarin het Hof deze visie heeft bevestigd. De Hoge Raad acht het hofoordeel over het niet-kenbaarheidsvereiste en de niet-relevantie van tussenpersoon cassatieproof (r.o. 4.2.4).
Zie r.o. 4.2.5 waarin de Hoge Raad het feitelijke hofoordeel over de niet-kenbaarheid van de onjuistheid ‘cassatieproof’ acht.
Zie r.o. 5.5 en 5.7-5.9 van de hofuitspraak en r.o. 4.2.5 in BNB 2022/10.
Casuspositie
Type voorlichting
Communicatiewijze
Aard
Tekortkoming
Beroep op vertrouwensbeginsel
7. Revisierente1
Website
Geschreven
Algemeen
Onjuist
Slaagt
De situatie
Een man had eind jaren tachtig een lijfrenteverzekering afgesloten en overweegt om die voortijdig af te kopen. Uit de informatie op de website van de Belastingdienst leidt hij af dat bij afkoop geen revisierente is verschuldigd. Afgaande op die informatie koopt hij de lijfrenteverzekering in 2015 af. Tegen zijn verwachting in brengt de Inspecteur ter zake van de afkoop revisierente in rekening (€ 37.465). Mag de man vertrouwen op de tekst van de website van de Belastingdienst?
Standpunt Belastingdienst, burger en belastingrechter
Belastingdienst: Volgens de inspecteur moet de wet worden toegepast.2 De inspecteur meent dat de burger de onjuistheid in de informatie op de website had kunnen en moeten beseffen.3 De burger had namelijk tevens inlichtingen ingewonnen bij zijn verzekeringstussenpersoon, wiens kennis aan de burger moet worden toegerekend. Volgens de inspecteur heeft de burger zijn beslissing om tot afkoop over te gaan niet of niet uitsluitend gebaseerd op de informatie op de website. Bovendien voldoet de burger niet aan het dispositievereiste, omdat revisierente geen schade vormt in de zin van dit vereiste. De revisierente moet dus worden geheven ter zake van de afkoop.Burger: Volgens de man mocht hij er op basis van de informatie van de Belastingdienst van uitgaan dat hij bij afkoop van de lijfrenteverzekering geen revisierente verschuldigd zou zijn.4 Deze informatie laat er volgens de man geen twijfel over bestaan dat hij bij de afkoop van de lijfrenteverzekering geen revisierente verschuldigd is. Het contact met de tussenpersoon is hier niet relevant (dat zag op een andere, specifieke vraag) en de tussenpersoon was niet fiscaal-onderlegd. De man heeft zijn beslissing om tot afkoop over te gaan gebaseerd op de informatie op de website. De tussenpersoon had geen rol bij (de niet-kenbaarheid van de onjuistheid in) de onderhavige fiscale kwestie.5Belastingrechter: De Hoge Raad neemt hetzelfde beoordelingskader als in casuspositie 1, 2, 3, 5 en 6. Volgens de Hoge Raad kwalificeert de revisierente niet als ‘daarenboven geleden schade’ in de zin van het dispositievereiste. De Hoge Raad ziet evenwel aanleiding zijn rechtspraak op dit punt te herzien. De Hoge Raad acht het niet met de huidige rechtsopvattingen te verenigen dat een beroep op door uitlatingen van de Belastingdienst gewekt vertrouwen moet worden afgewezen op de enkele grond dat het ondervonden nadeel is gelegen in hetgeen bij een juiste wetstoepassing zou moeten worden geheven. Volgens de Hoge Raad kan de beperkte invulling van het begrip schade tot ‘daarenboven geleden schade’ in het dispositievereiste niet worden gehandhaafd. De Hoge Raad geeft een nieuwe rechtsregel op het punt van de invulling van het dispositievereiste (paragraaf 4.3.4), die inhoudt dat aan het dispositievereiste wordt voldaan indien de belastingplichtige afgaande op – achteraf bezien onjuiste – informatie, een handeling heeft verricht of nagelaten ten gevolge waarvan een hoger bedrag van hem wordt geheven dan hij op basis van die informatie meende als gevolg van die handeling of dat nalaten te moeten betalen. De man voldoet aan deze herijkte invulling van het dispositievereiste. Daarnaast voldoet de man aan het niet-kenbaarheidsvereiste.6 Feitelijk was daarbij van belang dat de informatie zodanig precies en concreet was dat de man redelijkerwijs niet hoefde te betwijfelen dat het ging om een uitputtende omschrijving van de voorwaarden waaronder de Belastingdienst geen revisierente in rekening zal brengen. De man zou zijn lijfrente niet hebben afgekocht als op de website van de Belastingdienst juiste informatie was vermeld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt.
Het juridisch perspectief en het burgerperspectief
Juridisch perspectief: Vanuit dit perspectief kan, gezien de in dit arrest bijgestelde invulling van het dispositievereiste, worden verklaard dat de bij de burger gewekte verwachtingen over de fiscale gevolgen van de afkoop in rechte worden beschermd. Daarvoor was overigens wel de door de Hoge Raad gemaakte aanpassing in het dispositievereiste nodig (revisierente kwalificeerde namelijk niet als schade in de zin van het dispositievereiste); zonder die bijstelling was het beroep op het vertrouwensbeginsel niet geslaagd.Burgerperspectief: Vanuit dit perspectief komt dezelfde uitkomst tot stand als in het juridisch perspectief en worden de communicatieve verwachtingen (uiteindelijk) waargemaakt. Echter, dat gebeurt op een ander moment en om andere redenen. Het communicatieve doel van de informatie op de website van de Belastingdienst is om burgers te voorzien van algemene informatie over de berekening van revisierente, zoals ingeval van afkoop. Met die informatie krijgen burgers inzicht in de geldende regels en met het oog op dat doel raadplegen burgers die informatie (common ground). De interpretatie die de man maakt is juist: de informatie is maar op één manier te interpreteren, namelijk dat geen revisierente is verschuldigd bij afkoop als een lijfrenteverzekering is afgesloten voor 16 oktober 1990, zoals in het geval van de man.7 De oorzaak van de miscommunicatie ligt in communicatief opzicht bij de zender. De Belastingdienst had geen voorbehoud opgenomen ten aanzien van lijfrenteverzekeringen die (deels) onder het nieuwe regime van de Wet IB 2001 vallen, waardoor in zoverre wel revisierente is verschuldigd. De Belastingdienst is ter zake deskundig en had juiste, voldoende en relevante informatie moeten vermelden (maximes van kwaliteit, relevantie, kwantiteit). De burger mag ervan uitgaan dat de Belastingdienst vermeldt wat vermeld moet worden om tot een juiste interpretatie te komen. De Belastingdienst kan niet eerst aangeven dat geen revisierente is verschuldigd en vervolgens toch revisierente in rekening brengen. De Belastingdienst kan niet a zeggen en b doen. Er ontstaat dus communicatieve gebondenheid van de Belastingdienst aan zijn informatie door de inhoud en context van die uiting.
Confrontatie van perspectieven
Bijzonder aan deze casus is dat in beide perspectieven sprake is van bij de burger gewekte verwachtingen die worden beschermd (zie ook casus 3). Zo bezien, is in deze casus geen sprake van een conflict tussen de perspectieven. Kanttekening is echter dat de burger uiteindelijk (gedwongen) tot aan de Hoge Raad heeft moeten procederen om zijn verwachtingen ingelost te zien. Bovendien was daarvoor eerst een bijstelling nodig van de 42 jaar lang gehanteerde rechtsregel van de Hoge Raad op het punt van het dispositievereiste. De Hoge Raad acht dit nodig vanwege ‘huidige rechtsopvattingen’ en ‘doeltreffende rechtsbescherming’ (paragraaf 4.3.2.6 ad 6). De door de Hoge Raad gemaakte aanpassing leidt in dit geval tot een resultaat dat in overeenstemming is met het burgerperspectief. De burger voor wie de onjuistheid niet kenbaar was, wordt beschermd tegen de financiële gevolgen (revisierente) waarmee hij wordt geconfronteerd als gevolg van zijn handelen op grond van die onjuiste informatie van de Belastingdienst (de afkoop van de lijfrente). Bezien vanuit beide perspectieven is dat een terechte uitkomst. De burger wordt beschermd tegen het nadeel dat hij ondervindt als gevolg van ondeugdelijke voorlichting (want niet in lijn met de kwaliteitseis van juistheid). Bij deze uitkomst dringt zich de vraag op: moet de burger die (louter) communicatieve verwachtingen ontleent aan informatie van de Belastingdienst over het gedrag van de Belastingdienst maar verder niets doet evenzeer worden beschermd als iemand die wel disponeert (zoals de burger die hier zijn lijfrente afkoopt)? In beide gevallen zou bij een onjuistheid als in deze casus de miscommunicatie (geheel) aan de Belastingdienst zijn te wijten en zouden de verwachtingen bij de burger terecht zijn. Het is echter te betwijfelen of de communicatieve benadering en de juridische benadering in zo’n geval tot dezelfde uitkomst leiden, vanwege het dispositievereiste. Communicatieve verwachtingen ontstaan niet pas na disponeren, dus houdt het juridisch perspectief daarmee voldoende rekening?Tot slot laat deze casus zien hoezeer de eisen van begrijpelijkheid en juistheid in voorlichting met elkaar op gespannen voet kunnen staan (simplexity; zie ook casus 5 en 6). Elke toevoeging van juridische nuance en uitzonderingen (zoals fiscale regimewijzigingen) maakt informatie weliswaar in hogere mate in overeenstemming met de wet, maar tevens omvangrijker en dus minder toegankelijk. Dat roept de vraag op hoe moet worden omgegaan met de gevolgen van een door de Belastingdienst (de deskundige partij) gemaakte trade-off (paragraaf 6.4).