Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/3.3.4
3.3.4 Het intellectueel eigendomsbeding
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687172:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Volgens sommige auteurs wordt het te standaard opgenomen, omdat het werknemers onvoldoende zou stimuleren tot het doen van uitvindingen, aldus bijvoorbeeld A. Rijlaarsdam, Octrooi en dienstbetrekking, Delft: VSSD 2005, p. 105. G.J.J. Heerma van Voss, ‘De werknemer als uitvinder’, Bijblad Industriële Eigendom 1997/1, p. 31, zoekt de oplossing daarvoor in het enkel toestaan van afwijkingen bij cao.
P.A.C.E. van der Kooij en S.J.A. Mulder, Hoofdzaken intellectuele eigendom, Deventer: Kluwer 2013, p. 11-14.
Ook de gerechtigdheid tot verhandelbare bedrijfsgeheimen is een vermogensrecht: P.J. van der Korst, Bedrijfsgeheimen en transparantieplichten, Deventer: Kluwer 2007, p. 54; nader P.J. van der Korst, ‘Bedrijfsgeheimen: vanaf 2018 wettelijk geregeld’, Ondernemingsrecht 2017/48. R. Mellenbergh en E.A. Zonnenberg-Mellenbergh, ‘Bedrijfsgeheimen in vermogensrechtelijk perspectief’, WPNR 2018/7213, p. 815-818, menen op grond van de wetsgeschiedenis van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen dat een bedrijfsgeheim hooguit kan kwalificeren als relatief vermogensrecht. De wetgever meende ook dat de aanspraak op bescherming van bedrijfsgeheimen zelf geen intellectueel eigendomsrecht is: Kamerstukken II 2017/18, 34821, nr. 3, p. 4.
P.J. van der Korst, Bedrijfsgeheimen en transparantieplichten, Deventer: Kluwer 2007, p. 58; C.E.F.M. Gielen, Bescherming van bedrijfsgeheimen, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1999, p. 6. M. Schut en S. van Loon, ‘Bescherming van knowhow in Nederland: huidige stand van zaken en vooruitblik aan de hand van de ontwerp richtlijn bescherming bedrijfsgeheimen, Deel II’, Berichten Industriële Eigendom september 2014, p. 187, stellen daarnaast dat Richtlijn 2016/943 bedrijfsgeheimen niet als een intellectueel eigendomsrecht ziet (met een absoluut verbodsrecht), maar als een relatief recht ten opzichte van partijen die onrechtmatig handelen. Zie in dit kader de considerans van de richtlijn onder (1).
Th.C.J.A. van Engelen, IE-Goederenrecht, Utrecht: Uitgeverij Boek 9 B.W. 2014, p. 76.
Th.C.J.A. van Engelen, IE-Goederenrecht, Utrecht: Uitgeverij Boek 9 B.W. 2014, p. 75, p. 83 en p. 280-282; A.A. Quaedvlieg, ‘Intellectuele eigendom’, in: C.J. Loonstra en W.A. Zondag (red.), Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, Deel II, Den Haag: Sdu 2013, p. 2605.
HR 30 juni 1950, NJ 1952/36 (Perquin/Perfra). A-G Langemeijer merkt in de conclusie op dat een dergelijke overeenkomst in strijd zou zijn met de openbare orde als er geen gelijkwaardige vergoedingsregeling zou zijn. Of er voor overdrachten buiten de reikwijdte van artikel 12 lid 1 Rijksoctrooiwet 1995 sprake is van een recht op een billijke vergoeding houdt de literatuur verdeeld.
P.J. van der Korst, Bedrijfsgeheimen en transparantieplichten, Deventer: Kluwer 2007, p. 55-56; C.E.F.M. Gielen, Bescherming van bedrijfsgeheimen, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1999, p. 7; Th.C.J.A. van Engelen, IE-Goederenrecht, Utrecht: Uitgeverij Boek 9 B.W. 2014, p. 222; J.L.R.A. Huydecoper e.a., Industriële eigendom, deel 1: bescherming van technische innovatie, Deventer: Kluwer 2016, p. 370-371.
M.H. Paapst, Werkgever en auteursrecht, Groningen: Stichting Rechtswetenschap 2010, p. 76. Van een geheel andere strekking is een beding dat inbreuk op intellectueel eigendom na einde dienstbetrekking verbiedt, vergelijk zonder beding Rb. Gelderland (vzr.) 20 november 2017, RAR 2018/55 (Knoop/ex-werknemer), r.o. 4.7.
Ch. Gielen (red.), Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 54 en p. 471. Evenzo voor het auteursrecht stelt S. Gerbrandy, Kort commentaar op de Auteurswet 1912, Arnhem: Gouda Quint 1988, p. 54, dat een werk dat nog niet is voltooid tijdens het dienstverband toekomt aan de ex-werknemer.
Voor een zeldzaam voorbeeld van een geschil hierover zie Octrooiraad 12 maart 1979, Bijblad Industriële Eigendom 1981/8 (ex-werkgever/ex-werknemer), waarin de Octrooiraad meent dat de octrooiaanvraag was ingediend met gebruikmaking van kennis van een ander en dat er daarom sprak is van ontlening in de zin van (nu) artikel 11 Rijksoctrooiwet 1995. Precontractuele werking werd afgewezen in Rb. ’s-Gravenhage 16 februari 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AM2929 (Scharnierenfabriek Waalwijk/Kerssemakers).
P. ’t Hart, ‘Octrooieerbare know-how en dienstbetrekking’, in: M.J.G.C. Raaijmakers, R. van Rooij en A.J.S.M. Tervoort (red.), Ondernemingsrecht in internationaal perspectief, Deventer: Kluwer 1995, p. 63; W.H. Drucker, Handboek voor de studie van het Nederlandsche Octrooirecht, ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff 1924, p. 173; B.M. Telders, Nederlandsch Octrooirecht – Handboek voor de Praktijk, ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff 1938, p. 93-94.
Vergelijk: A.A. Quaedvlieg, ‘Intellectuele eigendom’, in: C.J. Loonstra en W.A. Zondag (red.), Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, Deel II, Den Haag: Sdu 2013, p. 2601, die stelt dat als de (ex-)werkgever aanspraak maakt op door de werknemer ontwikkeld intellectueel eigendom, het effect gelijkstaat aan een concurrentiebeding. Dat is echter een andere situatie dan een postcontractueel intellectueel eigendomsbeding. Een beding dat ziet op uitvindingen tijdens dienstverband is immers een alternatief voor het (postcontractuele) concurrentiebeding: J.P. Quist, Het concurrentiebeding nader beschouwd, Den Haag: Bju 2004, p. 45, evenals R. van Maanen, ‘De concurrentieclausule in het arbeidsrecht’, De Naamlooze Vennootschap 1952-1953, p. 168.
P. ’t Hart, Het concurrentiebeding, concurrentie door de werknemer en de ex-werknemer, Deventer: Kluwer 1977, p. 17; P. ’t Hart, ‘Octrooieerbare know-how en dienstbetrekking’, in: M.J.G.C. Raaijmakers, R. van Rooij en A.J.S.M. Tervoort (red.), Ondernemingsrecht in internationaal perspectief, Deventer: Kluwer 1995, p. 64.
A. Rijlaarsdam, Octrooi en dienstbetrekking, Delft: VSSD 2005, p. 105-106.
Vergelijk wel Rb. Rotterdam 17 december 2021, JAR 2022/26 (ex-werknemer/Coolblue), waar een ex-werknemer na een ontslag op staande voet tevergeefs, onder andere met een beroep op de Auteurswet, probeert het gebruik van zijn portret ongedaan te maken in allerlei reclame van zijn ex-werkgever. Daar had de ex-werknemer in de arbeidsovereenkomst afgesproken dat de afstand van zijn portretrecht ook gold ‘voor de periode na je dienstverband’.
Een ander veel voorkomend beding in de arbeidsovereenkomst is een intellectueel eigendomsbeding, op basis waarvan door de werknemer ontwikkeld intellectueel eigendom toekomt aan de werkgever.1 Het is doorgaans in het belang van de ex-werkgever om hieraan postcontractuele werking toe te kennen, dat wil zeggen dat intellectueel eigendom dat in verband staat met het dienstverband van de werknemer, ook na het einde van de arbeidsovereenkomst toekomt aan de ex-werkgever. Waarom maakt de praktijk gebruik van deze bedingen en kan de ex-werknemer bescherming hiertegen ontlenen aan artikel 7:653 BW?
Zoals bekend zijn er verschillende soorten intellectuele eigendomsrechten. Het in de vorige paragraaf besproken bedrijfsgeheim wordt gezien als een bijzondere vorm van intellectueel eigendom. Daarnaast zijn er specifiek benoemde intellectuele eigendomsrechten, zoals het octrooirecht, het modelrecht en het auteursrecht.2 Het gaat in alle gevallen om (immateriële) vermogensrechten als bedoeld in artikel 3:6 BW.3 Het grote onderscheid tussen de twee is dat voor de specifiek benoemde intellectuele eigendomsrechten openbaarmaking verplicht is voorgeschreven, terwijl een bedrijfsgeheim juist per definitie niet openbaar is.4 Waar ik hierna spreek over intellectueel eigendom, doel ik op de eerste categorie.
Intellectueel eigendom komt vaak in het kader van de arbeidsovereenkomst tot stand, waarbij de vraag centraal staat aan wie dat eigendom dan toekomt: aan de werkgever of de werknemer. Steeds moet per soort intellectueel eigendom worden bezien wat de wettelijke regeling is, aangezien de wetgever vrij inconsistent is geweest.5 Het eerste doel van een intellectueel eigendomsbeding is om contractuele duidelijkheid en eenvoud te bieden gezien de inconsistentie van de wetgeving en de vaak lastige praktische toepasbaarheid daarvan. De wet fungeert daardoor in de praktijk (ook hier) enkel als vangnet.6
De meest voorkomende variant van het intellectueel eigendomsbeding stelt dat alle tijdens het dienstverband te ontwikkelen intellectueel eigendom bij voorbaat wordt overgedragen aan de werkgever – dus ongeacht of het doen van uitvindingen tot de functie van de werknemer behoort. Een dergelijk beding kent duidelijk ruimere aanspraken aan de werkgever toe dan in de wet is voorzien; het gaat hier eenvoudigweg om een overdracht van een aanspraak die aan de feitelijke ontwikkelaar toekomt. Dat is in beginsel mogelijk, namelijk wanneer de wet de overdraagbaarheid van het intellectueel eigendom mogelijk maakt. Wel zal dan aan alle vereisten voor een overdracht bij voorbaat moeten zijn voldaan ex artikel 3:84 BW en artikel 3:97 BW.7 Volgens de Hoge Raad is een dergelijke overdracht toegestaan.8 Ook hier onderscheiden de benoemde intellectuele eigendomsrechten zich van bedrijfsgeheimen, aangezien deze weliswaar verhandelbaar kunnen zijn, maar niet overdraagbaar.9 Een minder verstrekkende variant is het beding dat stelt dat de werknemer desgevraagd zal meewerken aan een overdracht van eventueel te ontwikkelen intellectueel eigendom. Het probleem met een dergelijke bepaling is dat de daadwerkelijke overdracht vaak vergeten wordt, waardoor de ex-werknemer rechthebbende blijft na uitdiensttreding.10
De wettelijke regelingen voor tijdens het dienstverband ontwikkeld intellectueel eigendom zien op precies dat: de ontwikkeling moeten hebben plaatsgevonden ten tijde van het dienstverband. In het geval van, bijvoorbeeld, een octrooi is het dan logisch uit te gaan van het moment waarop aan alle voorwaarden voor een geldige octrooiaanvraag is voldaan.11 De wettelijke regelingen zijn niet (meer) van toepassing als de arbeidsovereenkomst is geëindigd, evenals een contractuele overdrachtsbepaling wanneer die zich beperkt tot ontwikkelingen gedurende het dienstverband.12 Dat brengt het risico met zich mee dat een werknemer die bezig is met de ontwikkeling van intellectueel eigendom de totstandkoming daarvan gaat ‘opzouten’ tot na het einde van het dienstverband, waardoor hij van rechtswege als rechthebbende geldt. Dat moment kan de werknemer in grote mate zelf bepalen door op te zeggen. Wanneer met ‘opzouten’ de wet of de overeenkomst wordt omzeild, kan dat resulteren in een onrechtmatige daad of strijd met goed ex-werknemerschap.13 Hiermee kom ik toe aan het tweede doel van een intellectueel eigendomsbeding: de ex-werkgever kan met dit beding contractueel vastleggen dat intellectueel eigendom dat in verband staat met het dienstverband van de werknemer, ook na het einde van de arbeidsovereenkomst toekomt aan de ex-werkgever. Dit betekent de facto dat als de ex-werknemer in dienst treedt bij een concurrent en daar het intellectueel eigendom tot stand brengt waar hij bij zijn ex-werkgever mee bezig was, dit contractueel aan de ex-werkgever toekomt door middel van de overdracht bij voorbaat.
Wat betreft de vraag of de ex-werknemer hiertegen enige vorm van bescherming heeft, kan er wat mij betreft weinig twijfel over bestaan dat een beding waarbij door de ex-werknemer na einde dienstverband ontwikkeld intellectueel eigendom toekomt aan de ex-werkgever, de ex-werknemer beperkt om op zekere wijze werkzaam te zijn in de zin van artikel 7:653 BW.14 Het gaat hier om intellectueel eigendom dat de ex-werknemer na het einde van de arbeidsovereenkomst op grond van het beding niet tot stand kan brengen voor zichzelf of zijn nieuwe werkgever. ’t Hart suggereert dat een dergelijk beding in ieder geval een duidelijke termijn zou moeten kennen, zoals een jaar, en het nietig kan zijn als er een causaal verband ontbreekt tussen de activiteiten tijdens de beëindigde dienstbetrekking en de daarna gedane uitvindingen.15 Rijlaarsdam betwijfelt zelfs de algehele rechtsgeldigheid van een postcontractueel intellectueel eigendomsbeding.16 De juridische grondslag voor deze standpunten is onduidelijk. Naar mijn mening biedt artikel 7:653 BW een duidelijk wettelijk kader ten aanzien van de balans die gevonden zal moeten worden tussen de belangen van de ex-werknemer en ex-werkgever. Die belangenafweging zal neerkomen, zoals voor alle artikel 7:653 BW-bedingen, op onder meer een redelijke duur en een redelijke reikwijdte. Dat een redelijke reikwijdte een verband vereist tussen de werkzaamheden tijdens dienstverband en de uitvinding daarna, ligt voor de hand.
Concrete jurisprudentie ontbreekt naar mijn weten.17 Werkgevers vinden soms een intellectueel eigendomsbeding niet nodig, omdat een gewoon concurrentiebeding hetzelfde effect heeft. Of dat geheel terecht is, waag ik te betwijfelen. Gehele of gedeeltelijke vernietiging op grond van artikel 7:653 lid 3 BW ligt eerder voor de hand bij een algemeen concurrentiebeding dan bij een specifiek beding dat ziet op enkel intellectueel eigendom, aangezien dit laatste beding naar zijn aard minder ver gaat. En denk aan de situatie dat een ex-werknemer gebonden is aan een algemeen concurrentiebeding van een jaar, gedurende dat jaar in dienst van een niet concurrent intellectueel eigendom van de ex-werkgever ‘door ontwikkelt’ en na dat jaar de nieuwe werkgever een concurrerend product op de markt brengt op basis van dit intellectueel eigendom. Een intellectueel eigendomsbeding vult hier een reëel gat op. Aan artikel 7:653 BW zal overigens naar mijn mening niet worden toegekomen als het beding enkel bepaalt dat de ex-werknemer ook na het einde van het dienstverband zal meeleveren aan levering, voor zover nog nodig, van tijdens de arbeidsovereenkomst tot stand gekomen intellectueel eigendom. Dan wordt de ex-werknemer immers niet beperkt in zijn werkzaamheden. Of een intellectueel eigendomsbeding onder de reikwijdte valt van artikel 7:653 BW zal dus, net als bij een geheimhoudingsbeding, van geval tot geval bepaald moeten worden.