Voor risico van de ondernemer
Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/6.4.2.7:6.4.2.7 Resumerend: de maatmens en het te bepalen kennisniveau
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/6.4.2.7
6.4.2.7 Resumerend: de maatmens en het te bepalen kennisniveau
Documentgegevens:
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713146:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Franken, AV&S 2010/25.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag is welke betekenis de hoedanigheid van de laedens toekomt bij het bepalen van het kennisniveau. Als minimumvereiste voor aansprakelijkheid geldt in beginsel dat de aard, inhoud en omvang van het risico wetenschappelijk bekend is. Bij het bepalen van de wetenschappelijke bekendheid van een risico of van de effectiviteit van voorzorgsmaatregelen speelt de hoedanigheid van de aangesproken partij geen rol. De wetenschappelijke bekendheid wordt vastgesteld aan de hand van objectieve, wetenschappelijke maatstaven. Deze wetenschappelijke (on)bekendheid geeft echter alleen de bodem aan en zegt verder niets over de eventuele verplichting om voorzorgsmaatregelen te nemen. Daarvoor is vereist dat de aangesproken partij kennis behoorde te hebben. Het gaat dan om het vaststellen van het objectieve kennisniveau van de laedens. Hierbij is de hoedanigheid van de aangesproken partij wel van betekenis.
Ik heb drie gevallen van objectivering onderscheiden. Het eerste geval betreft de objectivering van kennis omtrent bekende risico’s. Is onduidelijk of de laedens in kwestie bekend behoort te zijn met een in de wetenschap bekend risico, dan moet worden onderzocht of de kennis voor de laedens op grond van zijn hoedanigheid eenduidig en toegankelijk was. Iets vergelijkbaars geldt met betrekking tot de bekendheid van een risico van een gebrekkige roerende zaak, opstal of een gebrekkig product. De kennis is in die gevallen afgestemd op de kennis die beschikbaar is in ‘de kring van personen waartoe de aansprakelijke behoort.’
Het tweede geval betreft de objectivering van kennis omtrent een onbekend risico in concreto. Behoort de laedens in kwestie bekend te zijn met een risico in abstracto, dan kan de vervolgvraag rijzen of de laedens bekend behoort te zijn met de dreigende verwezenlijking van dit risico in een concrete situatie. Objectivering kan in dat geval plaatsvinden aan de hand van het aannemen van een onderzoeksplicht. Hiervoor is vereist dat de laedens bepaalde aanwijzingen had van de dreiging van de verwezenlijking van een risico. Deze aanwijzingen zijn een vorm van subjectieve kennis. Bij het vaststellen van het subjectieve kennisniveau gaat het niet om de kennis die de maatmens heeft, maar de kennis die de concrete laedens in kwestie heeft. De hoedanigheid van de laedens speelt een minder grote rol. In sommige gevallen wordt een onderzoeksplicht aangenomen, zonder dat sprake hoeft te zijn van concrete aanwijzingen. Dit is het geval indien een bijzondere zorgrelatie bestaat tussen laedens en schadeveroorzakende zaak. Dit is ook het geval indien een bijzondere zorgrelatie bestaat tussen laedens en gelaedeerde. De hoedanigheid van partijen speelt voor het aannemen van de onderzoeksplicht, en daarmee voor het aannemen van objectieve kennis, in deze gevallen een belangrijke rol.
Het derde geval betreft de objectivering van kennis omtrent een onbekend risico in abstracto. In dat geval heeft de maatmens redelijkerwijs geen eenduidige informatie over de gevaarspotentie en/of de mogelijke gevolgen van een handeling of het gebruik van een bepaalde zaak. In bepaalde omstandigheden kan aansprakelijkheid toch gevestigd worden door het kennisvereiste te relativeren. Dit kennisvereiste kan gerelativeerd worden door het toepassen van de generaliseringstechniek of door het verdisconteren van de onzekerheid in de zorgvuldigheidsafweging.
In de toepassing van de generaliseringstechniek speelt de hoedanigheid van de laedens indirect een rol. De bekendheid met een onzeker risico is afhankelijk van de kennis die de laedens op grond van zijn hoedanigheid behoort te hebben van een vergelijkbaar risico, waartegen dezelfde maatregelen moeten worden genomen. Van bepaalde typen laedentes kan meer kennis verwacht worden van een bekend risico, waardoor, bij toepassing van de generaliseringstechniek, zij de verplichting hebben te anticiperen op onbekende risico’s die met vergelijkbare maatregelen kunnen worden afgewend. Indien kennis van een bekend risico, dat vergelijkbaar is van aard en waartegen dezelfde maatregelen moeten worden genomen, niet bekend behoort te zijn in de kring waartoe de laedens behoort, kan de generaliseringstechniek niet worden toegepast.
Hoewel het te betwijfelen is of in de rechtspraak daadwerkelijk ruimte wordt gelaten voor de aansprakelijkheid voor objectief niet-kenbare gevaren, wordt de route van verdiscontering van de onzekerheid in de zorgvuldigheidsafweging bepleit in de literatuur. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval of deze verdiscontering kan plaatsvinden. De hoedanigheid van de laedens speelt hierbij ook een rol. Van sommige laedentes kan een grotere mate van voorzorgelijk handelen worden verwacht.1 In deze zorgvuldigheidsafweging is de hoedanigheid van laedens van betekenis. In de volgende paragraaf wordt hier nader op ingegaan.