Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/15.1.2.3
15.1.2.3 Verkrijging van een eigen recht of overgang van een bestaand recht?
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS298027:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In de Parlementaire Geschiedenis wordt het hier besproken punt niet aan de orde gesteld. Wel merkt Meijers op dat met art. 6:251 BW beoogd wordt hetzelfde te regelen als art. 1354 OBW, zij het dat een paar (hier niet aan de orde zijnde) technische verbeteringen werden doorgevoerd; zie Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 927. Art. 6:251 BW wordt in de rechtspraak en literatuur niet opgevat als een wezenlijke verandering ten opzichte van art. 1354 OBW; zie in deze zin Conclusie A.-G. De Vries Lentsch-Kostense bij HR 6 april 2012, NJ 2012/234 (Tennisvereniging De IJpelaar), onder 14; Beversluis, Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:251 BW, aant. 1 (laatst geraadpleegd 1 juli 2018).
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 927–935.
Deze opvat wordt door Valk in Hijma e.a. 2016, para. 309, p. 337 expliciet verkozen boven de opvatting waarin gebruik wordt gemaakt van een (wettelijk opgelegd) derdenbeding.
670 De tweede vraag waartoe art. 6:251 BW aanleiding geeft, is op welke manier het artikel ervoor zorgt dat het kwalitatieve recht bij de kwalitatief gerechtigde ‘terecht komt’. Onder het oude recht werd wel verdedigd dat het toenmalige artikel dat betrekking had op kwalitatieve rechten – art. 1354 OBW – een door de wet opgelegd derdenbeding inhield (zie meer uitgebreid paragraaf 15.1.5).1 Daardoor zou de opvolgend verkrijger van het goed een eigen, nieuwe aanspraak krijgen jegens de verschaffer van het kwalitatieve recht (vergelijk paragraaf 13.3 voor de gevolgen van het kunnen laten ontstaan van nieuwe aanspraken).
671. De wetgever heeft bij de invoering van art. 6:251 BW niet aangege ven voor een andere constructie te willen kiezen dan die in art. 1354 OBW was opgenomen.2 De tekst van art. 6:251 BW spreekt echter over een ‘over gang’ van het kwalitatieve recht. Diezelfde term wordt talloze keren gebruikt in de wetsgeschiedenis bij het beschrijven van de gevolgen van het artikel.3 Dat suggereert dat de opvolgend verkrijger van het goed waar het kwalitatieve recht mee samenhangt, geen eigen, nieuw kwalitatief recht krijgt, maar dat het bestaande kwalitatieve recht op basis van de wet op hem overgaat.4 Mij lijkt die opvatting te verkiezen. Het steeds opnieuw laten ont staan van aanspraken is nodig voor het op uniforme wijze vormgeven van ‘standaard’ subjectieve rechten, zoals dat gebeurt bij het toedelen van aan spraken door de overheid (zie randnummer 242). In private verhoudingen is dat niet nodig en daarnaast ook niet gewenst. Door de verschaffer van een kwalitatief recht steeds een nieuw recht te laten verschaffen bij over dracht van het goed waar het kwalitatieve recht mee samenhangt, wordt de vrijheid beperkt die hij heeft om zelf de rechtsgevolgen van het ver schaffen van het kwalitatieve recht vorm te geven. Ik ga er daarom van uit dat bij overgang van het goed de bestaande kwalitatieve rechten over gaan op de nieuwe rechthebbende.