Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.3.1.2
5.3.1.2 Normadressaat en maatschappelijke context
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715478:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 11 november 1996, ECLI:CE:ECHR:1996:1115JUD001786291 (Cantoni v. Frankrijk), par. 35.
Altena 2016, p. 44; Ten Voorde 2012b, p. 80; Hol & Gribnau 1999, p. 184; Loth 1999, p. 216.
Groenhuijsen & Kristen 2001, p. 342. Vanuit liberaal perspectief kan daar tegen in worden gebracht dat het doel van het legaliteitsbeginsel nu net was om de burger te beschermen tegen de meerderheid en dat het beginsel daarom niet met een beroep op de heersende morele opvattingen kan worden verworpen. Loth erkent dit, maar meent dat het niet gaat om bescherming tegen morele verontwaardiging, maar om de mogelijkheid voor de verdachte om te voorzien dat hij strafbaar zou zijn en deze strafbaarheid te vermijden (Loth 1999, p. 219). Daarmee miskent Loth mijns inziens de kern van het (liberale) argument waar hij op reageert, namelijk dat deze voorzienbaarheid niet afhankelijk kan zijn van de opvattingen van de meerderheid van de samenleving.
Altena 2016, p. 42-43.
Altena 2016, p. 43.
Hol & Gribnau 1999, p. 183.
Ankersmit 1996, p. 76.
Ankersmit 1996, p. 76. Dat dit vanuit liberaal oogpunt precies de bedoeling is, lijkt niet tot hem door te dringen.
Ten Voorde 2014, p. 172; Ankersmit 1996, p. 77. De wetgever kan dan beter rekening houden met de vraag of een bepaalde verdachte in een specifiek geval een verwijt kan worden gemaakt. Anders gezegd: iedere normadressaat heeft de plicht naar zijn beste vermogen de inhoud van de strafwet te achterhalen (Groenhuijsen & Kristen 2001, p. 334). Er moet dus tussen normadressaten worden gedifferentieerd. Zo kan het voor een verpleegster duidelijk zijn dat het aanreiken van de verkeerde injectievloeistof valt onder een algemene norm als dood door schuld (Loth 1999, p. 216-217) en zal het oorlogsrecht – dat voor de gemiddelde burger wellicht te onduidelijk is – voor een militair wel duidelijk genoeg zijn (Keijzer 2009, par. 5; zie bijvoorbeeld ook de zinsnede “tot de militair gerichte” in: HR 8 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AC0279, r.o. 5.2.2). Dat dit in het belang van de gemeenschap zou kunnen zijn, illustreert Ankersmits met een voorstel om werken onder het minimumloon door allochtone minderheden toe te laten, om zo hun integratie in de samenleving te bevorderen. Een dergelijke regeling zou op ernstige liberale bezwaren stuiten (zie bijvoorbeeld: Groenhuijsen & Kristen 2001, p. 334). Zowel de Hoge Raad als het EHRM zijn echter wel van mening dat van professionele marktdeelnemers meer kennis en inspanning kan worden verwacht dan van de gemiddelde burger, zodat voor hen een andere duidelijkheidsstandaard kan gelden (Kristen 2011, p. 326; Sackers 2007, p. 128; HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7954 (Krulsla), r.o. 3.5; EHRM 11 november 1996, ECLI:CE:ECHR:1996:1115JUD001786291 (Cantoni v. Frankrijk), par. 35; EHRM 28 maart 1990, ECLI:CE:ECHR:1990:0328JUD001089084 (Groppera Radio e.a. v. Zwitserland), par. 68. Zie ook: Kamerstukken II 2001/02, 28337, nr. 6, p. 5).
Of een bepaling voldoende duidelijk is, hangt niet alleen af van de tekst van de bepaling, maar ook van het terrein waar de wetgeving over gaat, het aantal normadressaten en de eigenschappen van die normadressaten.1 Waar vanuit liberaal oogpunt het strafrecht op gelijke wijze op iedereen van toepassing moet zijn, is vanuit communitaristisch oogpunt meer ruimte voor het inzicht dat de bepaling vooral duidelijk moet zijn voor de beoogde normadressaten. Wetgeving zou vanuit die gedachte meer toe kunnen worden gespitst op specifieke normadressaten en zou meer rekening kunnen houden met de maatschappelijke context waarin de regel moet fungeren.2 Een strafbaarstelling kan op papier en in abstracto vaag zijn, maar dat wil niet zeggen dat het voor de verdachte in een concreet geval ook steeds onduidelijk zal zijn of zijn handelingen strafbaar zijn.3 Bepalingen die objectief onduidelijk zijn, kunnen subjectief wél voldoende duidelijk zijn.4 Daarnaast zou de vereiste mate van duidelijkheid mede afhankelijk zijn van de maatschappelijke context van de regel.5 Hol en Gribnau spreken dan van contextueel bepaalde rechtszekerheid.6 Bepaalde maatschappelijke rollen brengen bijvoorbeeld regels met zich die niet algemeen hoeven te gelden. Ankersmit stelt beeldend dat de liberale verplichting om strafwetgeving aan alle burgers in het algemeen te richten, de overheid dwingt om de ronde werkelijkheid met vierkante wetten af te bakenen.7 Deze verplichting zou volgens hem in de moderne, complexe samenleving een hinderpaal zijn voor een “adequate greep van de staat op de samenleving.”8 Net als Ten Voorde meent Ankersmit dat wetgeving voor normadressaten veel helderder zou zijn als de overheid haar wetgeving juist wél op bepaalde groepen toe zou spitsen.9