Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/2.6.2
2.6.2 Nevenvoorziening en echtelijke woning
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS436751:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verheul & Feteris, Rechtsmacht (II), p. 136; A.R. van Maas de Bie, 'De echtelijke woning in een internationale echtscheidingsprocedure', FJR 1997, p. 148-149.
Zie ook Rb. 's-Gravenhage 14 juni 1995, NIPR 1996, 191; Rb. 's-Gravenhage 2 oktober 1996, NIPR 1997, 79.
Zie bijv. Rb. Roermond 7 januari 1988, NIPR 1989, 94; Rb. Alkmaar 11 mei 1989, NIPR 1989, 376; Rb. 's-Gravenhage 2 september 1991, NIPR 1991, 355; Rb. 's-Hertogenbosch 13 augustus 1993, te kennen uit NIPR 1994, 216; Rb. Zutphen 10 november 1994, te kennen uit NIPR 1995, 487; Rb. 's-Gravenhage 13 september 1995, NIPR 1995, 503.
Zie de volgende uitspraken van de Rb. 's-Gravenhage: 12 januari 1987, NIPR 1987, 223; 11 april 1988, /V/PR 1988, 326; 30 mei 1989, NIPR 1989, 391; 7 augustus 1989, /V/PR 1989, 401; 15 oktober 1991, NIPR 1991, 358; 11 mei 1993, NIPR 1993, 247; 13 april 1994, NIPR 1994, 381; 16 oktober 1996, /V/PR 1997, 83;13 november 1996, /V/PR 1997, 84; 23 juni 1997, NIPR 1997, 315; 29 augustus 2001, NIPR 2001, 254.
Zie bijv. Rb. 's-Gravenhage 12 juni 1987, NIPR 1987, 373; Rb. 's-Gravenhage 19 augustus 1991, NIPR 1991, 354.
Zie de volgende uitspraken van de Rb. 's-Gravenhage: 14 mei 1984, NIPR 1985, 107; 10 juni 1985, te kennen uit NIPR 1987, 212; 19 december 1988, /V/PR 1989, 93; 1 december 2000, NIPR 2001, 9.
De vraag naar forum non conveniens deed zich ook voor in het nevenverzoek bij echtscheiding tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning of tot de toedeling van het huurrecht van de echtelijke woning. Volgens een bepaalde opvatting was dit nevenverzoek zo nauw verbonden met de echtscheidingsprocedure, dat de Nederlandse echtscheidingsrechter altijd rechtsmacht had ten aanzien van de echtelijke woning.1 Zie bijvoorbeeld Rb. ' s-Gravenhage 22 juni 1992, NIPR 1993, 424:
`Voor een onbevoegdverklaring t.a.v. deze nevenvordering is naar haar oordeel geen plaats, nu bij de beoordeling niet zozeer de plaatselijke situatie en rechtsregels op het gebied van het onroerend goed van belang zijn, doch veeleer de persoonlijke omstandigheden van partijen en hun afspraken dienaangaande in verband met de echtscheiding. Het ligt in de rede dat van rechtsmacht van de Nederlandse rechter - die immers ook over, ondermeer, de echtscheiding oordeelt - sprake is, zodat daarvan zal worden uitgegaan.'2
Heersend was evenwel de andere opvatting dat de rechtsmacht van de Nederlandse echtscheidingsrechter om van deze nevenvoorziening kennis te nemen afhankelijk was van de plaats van ligging van de echtelijke woning. Lag de echtelijke woning in Nederland, dan verklaarde de Nederlandse rechter zich bevoegd.3 Lag de echtelijke woning buiten Nederland, dan verklaarde de Nederlandse rechter zich - veelal zonder verwijzing naar art. 429c Rv oud - forum non conveniens, omdat het nevenverzoek onvoldoende binding met zijn rechtssfeer had.4 In Rb. 's-Gravenhage 5 juni 1996, NIPR 1996, 369 was de rechtbank van oordeel dat:
`een uitspraak over het voortgezet gebruik in de gegeven omstandigheden achterwege behoort te blijven, nu de woningen in België zijn gelegen, niet onder de jurisdictie van de Nederlandse rechter vallen en er geen verdrag of regeling bestaat tengevolge waarvan zo'n uitspraak in België wordt erkend en tenuitvoergelegd kan worden.
Nu er ook geen overeenstemming tussen partijen is, zal de Rb. zich t.a.v. deze verzoeken om genoemde redenen onbevoegd verklaren.'
De Nederlandse echtscheidingsrechter zag geen aanleiding om zich als forum non conveniens onbevoegd te verklaren, indien de echtgenoten onderling overeenstemming hadden bereikt over het toekomstige gebruik van de buiten Nederland gelegen woning.5 Partijen hadden dan een rechtens erkenbaar belang bij tussenkomst van de Nederlandse rechter. In Rb. ' s-Gravenhage 9 juni 1992, NIPR 1992, 337 verklaarde de rechtbank:
`ondanks de omstandigheid dat de echtelijke woning in Duitsland is gelegen, zich bevoegd een beslissing te nemen, nu tussen partijen overeenstemming omtrent de toekomstige bewoning van die woning is bereikt en de vrouw er belang bij kan hebben dat het voortgezet gebruik van de echtelijke woning in een rechterlijke beslissing wordt vastgelegd.'
In Rb. 's-Gravenhage 19 januari 1998, NIPR 1998, 90 achtte de Nederlandse echtscheidingsrechter zich terzake van de in Shanghai (China) gelegen echtelijke woning bevoegd, 'nu het een ambtswoning van het Nederlands Consulaat-Generaal betreft en het verzoek betrekking heeft op de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten.' Zie ook Rb. ' s-Gravenhage 11 januari 1988, NIPR 1988, 311:
`M.b.t. het huurrecht van de echtelijke woning te B. (BRD) prevaleert naar het oordeel van de Rb. niet de omstandigheid dat deze woning is gelegen buiten Nederland als gevolg waarvan naar ongeschreven regels van Nederlands internationaal privaatrecht aan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht zou toekomen, doch de omstandigheid dat zowel de verhuurder van deze woning — de Staat der Nederlanden — als de huurders — partijen behoren tot de Nederlandse rechtssfeer. (...) Nu de strekking van art. 1623g, vijfde lid, BW is, voor diegene van de echtgenoten aan wie het huurrecht van de echtelijke woning wordt toegekend in het bijzonder tegenover de verhuurder te doen vaststaan met wie hij als huurder na de ontbinding van het huwelijk heeft te maken en nu de verhuurder in dit geval is de Staat der Nederlanden acht de Rb. zich bevoegd een oordeel over de vordering van de vrouw te geven.'
Ook waren er, ten slotte, gevallen waarin de Nederlandse echtscheidingsrechter zich uitliet over de echtelijke woning in het buitenland, zonder aan te geven waaruit de voldoende band met de Nederlandse rechtssfeer bestond.6