Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/10.3.10.2
10.3.10.2 Mogelijke aanknopingsfactoren
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS370008:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De AFM lijkt deze benadering te hanteren bij art. 5:45 lid 5 BW (§ 10.3.7). Volgens haar is van duurzaam beleid sprake wanneer de overeenkomst, die zowel mondeling als schriftelijk kan zijn gesloten, niet voor één enkele algemene vergadering van aandeelhouders zal gelden, zie AFM-Leidraad, par. 3.5.8. Hierover uitgebreid Beckers 2010-1, p. 112 e.v.
Concept-Memorie van Toelichting, p. 16. De tekst vervolgt: “Samenwerken moet in het algemeen worden gelezen als ‘duurzaam samenwerken’. Een incidentele afstemming ten aanzien van éénvergaderpunt zal doorgaans niet kwalificeren als handelen in onderlinge overeenstemming. Hetverstrekken van een incidentele volmacht, in het bijzonder in het kader van proxy solicitation, zaldoorgaans niet worden aangemerkt als handelen in onderlinge overeenstemming.”
Vgl. eerder uitgebreid § 7.5.4.3.
Vgl. onlangs nog de druk van hedgefondsen Jana en Aimco op TNT Express, “Druk op TNT-top neemt toe”, HFD 1 december 2011.
Hoeveel BAvA’s naast de verplichte jaarlijkse vergadering gehouden worden is moeilijk te overzien. Het empirisch onderzoek dat elk jaar in opdracht van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code wordt verricht biedt hierin beperkt inzicht, onder meer wegens het ontbreken van een voldoende stabiele onderzoekspopulatie.
Den Boogert 2007, p. 143.
In de Memorie van Toelichting bij de oude Wmz 1992, waarin de voorloper van art. 5:45 lid 5 Wft was opgenomen, werd er van uitgegaan dat bij opeenvolgende overeenkomsten per vergadering, waardoor materieel een duurzaam gemeenschappelijk beleid wordt gevoerd, wel sprake was van acting in concert, zie Kamerstukken II, 1991/92, 21 492, nr. 3, p. 8. Onduidelijk is in hoeverre de AFM dezelfde interpretatie hanteert.
Deze vraag geldt niet exclusief in de formele benadering. Zoals hieronder nog aan de orde zal komen, speelt deze vraag ook als de duur van de overeenkomst als aanknopingsfactor zou worden gekozen.
Löhdefink 2007, p. 307 e.v.
Bericht Finanzausschuss zum RisikobegrenzungsG, Bundestag-Drucksache 16/9821, p. 16 (l.k.): “Insbesondere führt die Abstimmung über mehrere Beschlussgegenstände der Hauptversammlungallein nicht zur Stimmrechtszurechnung.”
Note 2 bij Rule 9 en punt 1.4 en 3.3 van Practice Statement no. 26 van 9 september 2009, <www.thetakeoverpanel.org.uk>.
Deze uitzondering is bij invoering niet toegelicht in de wetsgeschiedenis, Schockenhoff/Schumann 2005, p. 589.
Het Oberlandesgericht Frankfurt am Main sloot zich aan bij de stemrechtbenadering (OLG Frankfurt a.M. 25 juni 2004, ZIP 2004, p. 1312 (Pixelpark)), terwijl het Oberlandesgericht München en toezichthouder BaFin de overeenkomstbenadering aanhingen (respectievelijk OLG München, 27 april 2005, 7 U 2792/04, ZIP 2005, p. 856-859 (WMF) en het persbericht van de BaFin, Börsen- Zeitung 10 juli 2003, nr. 130).
Opmerkelijk is dat het oorspronkelijk ingediende wetsvoorstel de WMF-uitspraak van het BGH op het punt van de duurzaamheid van de samenwerking wilde terugdraaien, zie het Entwurf eines Gesetzes zur Begrenzung der mit Finanzinvestitionen verbundenen Risiken, Bundestag-Drucksache 16/7438, p. 12-13 (toelichting). Pas na veel kritiek (Bericht Finanzauschuss zum RisikobegrenzungsG, Bundestag-Drucksache 16/9821, p. 15 (r.k.)) heeft men dit laten varen.
Bericht Finanzauschuss zum RisikobegrenzungsG, Bundestag-Drucksache 16/9821, p. 16: “PunktuelleEinflussnahmen auf den Emittenten gelten danach nicht als abgestimmtes Verhalten. Somitwerden regelmäßig weder einzelne Abstimmungen über unterschiedliche Gegenstände noch wiederholte Abstimmungen zum selben Sachverhalt vom Zurechnungsbestand erfasst. […] Auch bei derVorabstimmung über die Nominierung von Kandidaten für die Besetzung des Aufsichtsrats handeltes sich regelmäßig um eine Abstimmung in Einzelfall, die keine Stimmrechtszurechnung begründet.”
Mits men er op bedacht is dat met deze nieuwe categorie ook nieuwe toepassingsvoorwaarden gaan gelden; het gaat dus niet aan om de door het BGH verkozen weg één-op-één toe te passen op de nieuwe categorie (vgl. eerder § 5.4.2.2 sub I). Onduidelijk is vooralsnog hoe in deze gevallen moet worden bepaald of er sprake is van een Einzelfall.
Zie BaFinQuarterly 2010/2, p. 10 (r.k.) <www.bafin.de>.
Cour de Cassation 27 oktober 2009, N° 973-975, zie Schmidt 2009-2, p. 2836.
Zie Note 2 bij Rule 9 (“Collective shareholder action”). Met deze opmerking doelt het Panel overigens niet exclusief op het duurzaamheidselement, maar ook op het doelelement, i.e. de vraag met welk doel aandeelhouders moeten samenwerken om biedplichtig te zijn.
Practice Statement 2009/26, nr. 1.3.
Zie Response Statement 2002/10, nr. 2.8 e.v. over de vraag vanaf wanneer partijen worden geacht in onderling overleg te handelen en vanaf wanneer dit wordt geacht te zijn geëindigd.
In de acting in concert-regeling uit de transparantieregels (§ 10.3.7) lijkt hiervoor te zijn gekozen. Zowel onder de Transparantierichtlijn (Richtlijn 2004/109, gewijzigd door Richtlijn 2013/50/EU) als in art. 5:45 Wft worden stemrechten toegerekend wanneer een stemovereenkomst is gesloten die partijen verplicht tot het voeren van een gemeenschappelijk stembeleid; kennelijk leidt de contractuele verplichting reeds tot toerekening.
Hiervoor kwam al aan de orde dat niet elk gevecht om de controle door stemrechtuitoefening beslist wordt, zie sub I.
In de parlementaire geschiedenis kwam de duurzaamheid van de samenwerking op verschillende plaatsen aan de orde, zonder dat daarbij in werd gegaan op hoe deze duurzaamheid zou moeten worden “gemeten”. Voor het bepalen van de duur van de samenwerking zijn verschillende aanknopingsfactoren denkbaar. Achtereenvolgens komen aan de orde: de uitoefening van het stemrecht (sub I), het onderwerp van de samenwerking (sub II) en de aan de samenwerking ten grondslag liggende overeenkomst (sub III). Daarbij besteed ik aandacht aan de ervaringen in de lidstaten waar de desbetreffende aanknopingsfactor gehanteerd wordt.
Voorbeeld: Enkele grootaandeelhouders, die samen meer dan 30% van de stemrechten van de desbetreffende vennootschap kunnen uitoefenen zijn op 1 januari 2015 overeen gekomen om voortaan in de jaarlijkse algemene vergadering (dit jaar te houden op 1 mei 2015) een gemeenschappelijk stembeleid te voeren.
I. Frequentie afstemming (formele benadering)
Een eerste mogelijke aanknopingsfactor is het aantal keer dat partijen hun stemrecht gecoördineerd uitoefenen in de aandeelhoudersvergadering. Dit betekent dat wanneer partijen een stemovereenkomst sluiten met het doel de door de vennootschap in stand gehouden onderneming op te splitsen en in dier voege ook eenmalig hun stemrecht uitoefenen, er sprake is van incidentele samenwerking.
In het hiervoor genoemde voorbeeld leidt aanknoping bij het moment waarop partijen gezamenlijk het stemrecht uitoefenen, tot samenwerking vanaf 1 mei 2015. Tegelijkertijd stopt de teller ook bij die vergadering. In deze benadering hebben partijen niet duurzaam samengewerkt, nu er slechts eenmalig is afgestemd.1
Het lijkt erop dat de Minister ook bij de voorbereiding van het wetsvoorstel de formele benadering voor ogen had. In dit verband is de volgende passage uit de concept-Memorie van Toelichting van belang: “Voor de invulling van de term ‘overwegendezeggenschap’ moet vooral worden gekeken naar het stemgedrag in de algemenevergadering van aandeelhouders. Indien daarin samen wordt gewerkt, kan worden gesproken van handelen in onderlinge overeenstemming.”2 In de uiteindelijke tekst van de Memorie van Toelichting is de geciteerde passage niet overgenomen. Wel valt daarin te lezen: “De enkele omstandigheid dat twee van elkaar onafhankelijkevennootschappen samen meer dan 30% houden van de stemrechten in een vennootschapin een vergadering van aandeelhouders hetzelfde stemgedrag vertonen,betekent nog niet dat zij als ‘onderling overleg handelende personen’ kunnen wordenaangemerkt.”3 Steunargumenten voor de stelling dat de wetgever is uitgegaan van de formele benadering kunnen worden ontleend aan de definitie van overwegende zeggenschap, die aansluit bij het kunnen uitoefenen van stemrechten, en de voorwaarde voor toepassing van de gratieregeling van art. 5:72 lid 1 Wft, dat het stemrecht in de desbetreffende periode niet is uitgeoefend.
De formele benadering heeft een aantal tekortkomingen. In de eerste plaats heeft zij te weinig oog voor het feit dat ook gedragingen buiten het kader van de AvA vanuit controle-perspectief relevant kunnen zijn.4 Hoewel inderdaad het stemrecht formeel gezien het enige zeggenschapsmiddel is, moet de invloed van aandeelhouders buiten het formele verband van de algemene vergadering niet worden onderschat. In de praktijk oefenen aandeelhouders buiten de vergadering druk uit op het bestuur, bijvoorbeeld door te dreigen met ontslag of de agendering daarvan (§ 7.5.4.3).5 In de formele benadering blijft deze druk onder de radar van de biedplicht. Bovendien schiet deze benadering te kort mocht het daadwerkelijk komen tot het ontslag van het bestuur. Er is dan immers sprake van incidentele afstemming, ongeacht de daaraan voorafgaande en/of opvolgende samenwerking. Dit alles houdt uiteraard verband met het wezen van de algemene vergadering als orgaan van de vennootschap. Zij is niet een orgaan als het bestuur, dat op dagelijkse basis functioneert, maar komt doorgaans slechts een keer per jaar bijeen.6 Pas door “het infuus van de oproeping”7, wordt zij tot leven gewekt. In de formele benadering zou strikt genomen steeds sprake zijn van incidentele samenwerking omdat er nu eenmaal slechts incidenteel gestemd wordt.
De tweede tekortkoming is dat de formele benadering aanleiding geeft tot verschillende praktische toepassingsvragen. Zo kan men zich bijvoorbeeld afvragen of de afspraak om op de jaarlijkse aandeelhoudersvergadering gelijk op te trekken, zoals in het gegeven voorbeeld, niet materieel sprake is van duurzame samenwerking. Immers, weliswaar wordt slechts een keer per jaar gestemd, maar evengoed kan betoogd worden dat het gedurende twee jaar afstemmen op de jaarvergadering materieel duurzame samenwerking oplevert.8 Een vraag die met het voorgaande samenhangt is of de samenwerking, voor wat betreft de duur ervan, wordt “gestuit” als tussen twee jaarlijkse AvA’s een BAvA wordt gehouden waarop de stemovereenkomst niet ziet en derhalve niet wordt afgestemd.9
Een andere vraag bij de formele benadering is of de frequentie van stemrechtuitoefening in het aantal vergaderingen moet worden gezocht of in het aantal besluiten dat partijen afstemmen. In Duitsland (waarover nader hieronder) bestaat hierover vooralsnog geen duidelijkheid. In de literatuur wordt verdedigd dat per agendapunt en niet per vergadering moet worden bekeken of er sprake is van incidentele afstemming (“Einzelfall”).10 De toelichting op de wetswijziging van 2008 lijkt daarentegen bij het aantal vergaderingen aan te sluiten.11 Het Takeover Panel merkt afgestemd stemgedrag ten aanzien van een enkel punt niet aan als acting in concert.12
Korte rechtsvergelijking
Van de onderzochte lidstaten hanteert men de formele benadering enkel in Duitsland. De weg daarnaartoe was moeizaam en ook nu nog is er discussie.13 Naar Duits recht bestaat een uitzondering van de biedplicht voor incidentele samenwerking (zie eerder § 10.3.6 en daarvoor § 5.4.2.2.).14 Over de uitleg van deze uitzondering werd in de lagere rechtspraak verschillend gedacht.15 Het BGH hakte de knoop door in de WMF-uitspraak uit 2008. De centrale rechtsvraag was of de eenmalige stemrechtuitoefening inzake de benoeming van de president-commissaris onder de uitzondering viel. Volgens het BGH ziet de uitzondering van § 30 lid 2 WpÜG op het aantal keren dat partijen hun stemrecht onderling afstemmen en gaat het niet om de al dan niet duurzame gevolgen daarvan.16 Voor deze uitleg spreekt volgens het BGH niet enkel de wettekst17 , maar ook de rechtszekerheid; in de materiële benadering (waarover hierna onder ii) is te onduidelijk wanneer eenmalige afstemming een zekere duurzame beïnvloeding met zich brengt.18 Het BGH voegt daar aan toe, dat zelfs als de materiële benadering zou worden toegepast, er i.c. geen sprake was van een in dat kader noodzakelijke boven algemeen gehouden doelen uitstijgende samenwerking en zij er evenmin toe strekte vergaande, concrete vennootschappelijke plannen te verwezenlijken.19
In 2008 vond wetswijziging die leidde tot een aanpassing van de acting in concertdefinitie. Hoewel een eerdere versie van het wetsvoorstel nog diametraal tegen de strekking van het BGH-oordeel inzake WMF inging20 , lijkt uit de toelichting bij deze wijziging te kunnen worden afgeleid dat uiteindelijk is gekozen voor de benadering van het BGH.21 Dat tegelijkertijd het toepassingsbereik van die definitie is uitgebreid naar afstemmingen buiten het kader van de aandeelhoudersvergadering doet daaraan niet af.22 . Illustratief voor de huidige stand van de discussie in Duitsland is dat volgens toezichthouder BaFin het verschil tussen de materiële en de formele benadering irrelevant is.23 Volgens de BaFin, en in haar interpretatie is dit ook de bedoeling van de wetgever geweest, kunnen de strategische wijzigingen, die een biedplicht doen ontstaan, enkel het gevolg zijn van een gecoördineerde en duurzame beïnvloeding. Zij sluit met andere woorden uit, dat aandeelhouders een strategiewijziging kunnen bewerkstelligen door incidenteel met elkaar te overleggen. Door deze aanname wordt irrelevant of ook de gevolgen van incidentele afstemming moeten worden meegenomen.
In Frankrijk lijkt sinds de Gecina-uitspraak van het Cour de Cassation van dezelfde benadering te worden uitgegaan. Naar Frans recht wordt in beginsel aangenomen dat een tijdelijk akkoord onverenigbaar is met een gemeenschappelijk beleid ten aanzien van de desbetreffende vennootschap, hetgeen een biedplicht activeert. Voor de toepassing van art. L. 233-10 CC is echter niet van belang is dat dit gemeenschappelijk beleid zich slechts tijdelijk manifesteert (zie eerder § 5.5.2.2).24
In het Verenigd Koninkrijk wordt het formele criterium gecombineerd met materiële elementen (zie hierna).
II. Onderwerp afstemming (materiële benadering)
Een tweede mogelijke aanknopingsfactor voor de duurzaamheid van de samenwerking betreft het onderwerp van de afstemming en de duur van de effecten daarvan. In deze benadering is niet van belang hoe vaak partijen onderling afstemmen, maar ten aanzien waarvan en de gevolgen daarvan. Het hangt dus van het onderwerp van de afstemming af of er sprake is van duurzame samenwerking.
In het voorbeeld leidt aanknoping bij het onderwerp ten aanzien waarvan partijen samenwerken tot acting in concert vanaf 1 mei 2015. Wanneer de teller stopt, hangt af van het onderwerp. Als zij overeenkomen om op de algemene vergadering van 1 mei 2015 te stemmen voor de opsplitsing van de vennootschap, dan leidt toepassing van de materiële benadering mogelijk tot een biedplicht wegens acting in concert. De afstemming geschiedde weliswaar eenmalig, maar de effecten zijn duurzaam.
Bij het bepalen welke onderwerpen duurzame gevolgen hebben zijn ook weer verschillende varianten mogelijk. Er kan worden gekozen voor het wettelijk vastleggen van de onderwerpen met duurzame gevolgen, eventueel in de vorm van een vermoeden. Weer een andere mogelijkheid is het aan de toezichthouder overlaten om aan te tonen of aannemelijk te maken dat afstemming rond een bepaald onderwerp gevolgen krijgt.
Het nadeel van de materiële benadering is de grote rechtsonzekerheid die hiermee gepaard gaat. Voor het Duitse BGH was dit een van de redenen om deze benadering af te wijzen (zie eerder sub I). Dit nadeel kan worden ondervangen door met een weerlegbaar vermoeden te werken. In het Verenigd Koninkrijk is gekozen voor een benadering die een combinatie vormt van de hiervoor genoemde varianten. Het Takeover Panel geeft bij wijze van weerlegbare vermoedens aan wanneer zijn acting in concert aanneemt (zie nader hieronder).
Korte rechtsvergelijking
De materiële benadering wordt in het Verenigd Koninkrijk gevolgd, zij het gedeeltelijk. In beginsel past het Panel de formele benadering toe. Zij neemt als uitgangspunt dat gelijk stemgedrag inzake een specifieke aangelegenheid geen acting in concert vormt.25 Dit wordt echter anders wanneer er een zogenaamd board control-seekingproposal wordt ingediend of daarmee wordt gedreigd (zie eerder hierover § 5.3.2.2). Bij de uitleg daarvan merkt het Panel op dat zij een aandeelhoudersbesluit als zodanig aanmerkt indien hiermee wordt gepoogd de zittende bestuurders te vervangen door aan de concert parties gelieerde bestuurders als gevolg waarvan deze aandeelhouders effectief het bestuur zouden kunnen controleren.26 In zo’n geval zal het Panel onderzoeken in welke verhouding de nieuwe bestuurders tot de aandeelhouders staan die hen benoemd hebben en een aantal andere factoren, zoals het aantal bestuurders. Daarbij spreekt voor zich dat incidentele contacten geen innige relatie vormen. Waar het mij hier echter om gaat, is dat er in geval van zo’n board control-seeking proposal kennelijk door de incidentele stemrechtuitoefening heen wordt gekeken naar de feitelijke gedragingen van partijen; de formele toetsing die als uitgangspunt wordt gehanteerd verkleurt in geval van een board control-seeking proposal in een meer materiële toets.27
III. Duur van de overeenkomst
Een derde mogelijke aanknopingsfactor is de aan de samenwerking ten grondslag liggende overeenkomst. In deze benadering ontstaat het onderling overleg wanneer de overeenkomst wordt gesloten en duurt het onderling overleg voort gedurende de looptijd van de overeenkomst.28
In het eerder genoemde voorbeeld begint de teller te lopen op 1 januari 2015 en blijft doorlopen zolang de overeenkomst van kracht blijft. Of partijen in de tussentijd uitvoering geven aan de overeenkomst en op welke manier zij dat doen is in deze benadering niet van belang.
De derde benadering ligt conceptueel het meest voor de hand. De samenwerking tussen partijen is immers niet beperkt tot de stemrechtuitoefening (zie eerder). In zekere zin vormt dit slechts een van de middelen waarmee partijen hun gezamenlijke doel trachten te bereiken, zij het – in ieder geval op papier29 – het belangrijkste middel. Deze benadering sluit ook goed aan bij de strekking van de biedplicht: de bescherming van minderheidsaandeelhouders tegen het gevaar van machtsmisbruik (§ 4.2.2.2). Indien wordt gekozen voor het tot stand komen van de overeenkomst als ontstaansmoment van de biedplicht, zoals door mij bepleit (§ 13.3), lijkt de derde benadering ook het meest voor de hand te liggen.
Korte rechtsvergelijking
De derde benadering hanteert men in Zwitserland. Daar is voor acting in concert vereist dat wordt samengewerkt op een stabiele en duurzame wijze, die een toevalsmeerderheid overstijgt. Eenmalige stemafspraken gelden – ook als het om zeer belangrijke onderwerpen gaat, zoals het ontslag van bestuurders – doorgaans niet als zodanig. Toezichthouder UEK oordeelde in een concreet geval een overeenkomst met een looptijd van 19 maanden in ieder geval voldoende stabiel en duurzaam in hiervoor bedoelde zin zodanig (§ 5.8.2.2).