De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap
Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/13.1.4:13.1.4 De frictie tussen de artikelen 2:19 lid 4, lid 5 en 2:23c lid 1 BW
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/13.1.4
13.1.4 De frictie tussen de artikelen 2:19 lid 4, lid 5 en 2:23c lid 1 BW
Documentgegevens:
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS386332:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer ten onrechte is overgegaan tot turboliquidatie ontstaat een opmerkelijke situatie. Dan zijn namelijk zowel het vierde als het vijfde lid van artikel 2:19 BW van toepassing, hetgeen ertoe leidt dat de BV is opgehouden te bestaan, maar toch blijft voortbestaan. Dit is aan innerlijke tegenstrijdigheid onderhevig en doet voor de schuldeisers van de BV een belangrijke vraag rijzen: dienen zij een vordering tot heropening van de vereffening ex artikel 2:23c lid 1 BW in te stellen teneinde de BV te laten herleven en in rechte te kunnen betrekken of is dit niet vereist, omdat de BV ex artikel 2:19 lid 5 BW is blijven voortbestaan?
In de jurisprudentie en literatuur zijn aangaande dit probleemstuk twee visies waarneembaar. In de eerste visie prevaleert het bepaalde in artikel 2:19 lid 5 BW boven artikel 2:23c lid 1 BW (de essentia-leer), waaraan het nadeel van rechtsonzekerheid kleeft. In de tweede visie prevaleert het bepaalde in artikel 2:23c lid 1 BW boven artikel 2:19 lid 5 BW (de resuscito-leer), waarbij de schuldeisers als het ware worden benadeeld ten opzichte van het bestuur van de BV.
Mijns inziens is de oplossing voor de innerlijke tegenstrijdigheid van de artikelen 2:19 lid 5 BW en 2:19 lid 4 jo. 2:23c lid 1 BW gelegen in een middenweg (de solutio-leer), waarbij onderscheid dient te worden gemaakt tussen enerzijds de situatie waarin het bestuur niet bekend was en redelijkerwijs niet bekend had behoren te zijn met de ten tijde van ontbinding bestaande bate en anderzijds de situatie waarin het bestuur hiermee wel bekend was of redelijkerwijs had behoren te zijn.
In de eerste situatie zal de resuscito-leer prevaleren, waardoor de BV wordt geacht niet meer te bestaan en de enige mogelijkheid tot herleving is gelegen in een procedure ex artikel 2:23c lid 1 BW. In de tweede situatie zal de essentia-leer prevaleren, waardoor de BV nooit heeft opgehouden te bestaan.
Door deze middenweg wordt een balans gevonden tussen enerzijds het bieden van rechtszekerheid en anderzijds de bescherming van schuldeisers.