Grenzen van het strafrecht in de voorfase
Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/1.2.2:1.2.2 Onderzoeksvraag
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/1.2.2
1.2.2 Onderzoeksvraag
Documentgegevens:
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715391:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het voorgaande samengevat, ziet het onderzoek dus op de werking van vier materieelrechtelijke beginselen in relatie tot voorfasedelicten. Hierboven kwam ook al kort aan bod dat verschillende auteurs en actoren verschillend over de wenselijkheid van strafbaarheid in de voorfase denken. Zoals hierna in §1.4 nog zal blijken, hangt dat samen met hun interpretatie van de vier genoemde beginselen. De overkoepelende onderzoeksvraag luidt daarom:
Welke interpretaties worden in relatie tot de voorfase gegeven aan het daadstrafrechtbeginsel, het materiële wederrechtelijkheidsbeginsel, het ultimum remedium-beginsel en het lex certa-beginsel en in hoeverre leiden deze interpretaties tot het stellen van verschillende grenzen aan de reikwijdte van het materiële strafrecht in de voorfase?