Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.2.1
9.2.1 Persoonsvorming en toeleiding tot de arbeidsmarkt
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977169:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie: Veugelers 1993 en De Koninck 2011, p. 9.
G. Hegel (1770-1831) representant van het Duitse idealisme en de dialectiek (these, anti-these, synthese); Roede e.a. 2004, p. 1-2 en B. Kamphuis, ’Corona: een tussenjaar?’, in: Geelkerken & Grotenhuis (red.), 2020, p. 125-127.
Ritzen benoemt in 1992 J. de Ruiter (CDA) tot PPO-voorzitter die De school van je leven uitbrengt, SLO 1995; Klaassen & Leeferink 1998, Vedder & Veugelers 1999 en W. de Jong, ’De maakbare burger: het onderwijs als oplossingsmachine voor maatschappelijke problemen’, CDV 2015, p. 51-58.
M. Barth, ´Opvoeden tot burgerschap: vrijheid, geen vrijblijvendheid´, in: Vuisje (red.) 2001, p. 65-74.
Vgl. J.P. Balkenende & Th. Brinkel , ’Slotbeschouwing: Het CDA als partij van samenbinden de waarden’, CDV, 7/8, 1995, p. 402/03 en A.B. Dijkstra e.a., ’Scholen voor burgerschap? Een inleiding’, in: Peschar e.a (red.) 2010, p. 27.
Vgl. De Winter 2004, p. 3.
Roumen 2010, p. 19-24.
J.J.M. Ritzen, ‘School moet uitleggen wat democratie inhoudt’, Trouw, 17 maart 1993; vgl. Kraan 2009, p. 46-47, Karre 2010, T. van Haperen, ’School heeft geen tijd voor levenslessen (Economieonderwijs)’, Trouw 13 januari 2004 en J. van der Burgt, ’Reanimeren is topsport. Invoeren van reanimatielessen op school’, Schooljournaal 2014, 15.
Turkenburg 2005, p. 25.
Vgl. K. van Setten, ‘Een nieuw schoolvak: psychologie’, Trouw 13 december 2018, p. 24 en ‘EHBO-les in de klas’, De Telegraaf 18 mei 2019.
Barth 2001, p. 73-74.
Vgl. Grenzen aan de maatschappelijke opdracht van de school, Den Haag: SCP 2005.
Vgl. Van Klink e.a. (red.) 1993.
G. Smink, ´De pedagogische taak van de school in de verdrukking?´, in: Vuijsje 2001, p. 31.
Ibid., p. 33.
Zie: Bron 2006, R. Bronneman-Helmers e.a., ´Burgerschapsvorming in het onderwijs’, in: Schnabel e.a. (red.) 2008, p. 170, Van der Ploeg 1995, p. 41-42 en Edelenbos e.a. 2001.
Van den Berg 2007, 7, p. 8; vgl. Pauw 2013.
De Winter 1995; Idem, ´Opvoeding, onderwijs en jeugdbeleid in het algemeen belang, in: Van Lieshout (red.) e.a. 2007, p. 225-270; De Winter 2011.
De vraag is of de scholen opvoeden voor de maatschappij en de arbeidsmarkt1, of voor persoonsontwikkeling (Bildung) zoals Ten Dam benadrukt in het voorgaande? Of is opvoeding gericht op beide?2 Het zijn terugkerende vragen in het pedagogisch discours.3 Zo is volgens Kamerlid Barth (PvdA) ‘de maatschappelijke opdracht breder dan het grootbrengen van leerlingen tot actieve deelnemers aan de parlementaire democratie’.4 Barths opvatting sluit naadloos aan bij het doel van het pedagogisch discours om de maatschappelijke reflectie op en de bespreking van de taak van de school als een heroriëntatie op de vormingsdoelen te zien.5 De school heeft als institutie immers sterk aan betekenis gewonnen6, waar andere instituties als (sport)verenigingen en kerken aan invloed hebben ingeboet en hun betekenis hebben zien afnemen of nagenoeg hebben zien verdwijnen.7 Dit heeft een uitbreiding van de maatschappelijke taken voor de school tot gevolg.8
Turkenburg definieert eveneens deze schoolopdracht als gericht op ‘al die maatschappelijke vragen en problemen die op de school afkomen en waarop ze - uit eigen ambitie, missie of externe druk - kan reageren door naast de reguliere onderwijstaken allerlei vormen van extra aan te bieden, buiten de wettelijk vastgelegde vormen van ondersteuning en zorg’.9 Maar in het algemeen denkt men te gemakkelijk dat een maatschappelijk probleem door de school opgelost kan worden.10 Er zijn voorbeelden te over: van smaak- en geurlessen ‘tot etiquetteles, het leren van burgermansfatsoen of het attenderen op vrijwilligerswerk’.11
Kennis en communicatievaardigheden
De maatschappelijke opdracht van het onderwijs lijkt hierdoor onbegrensd.12 Tegelijkertijd is er een spanningsvolle afstand tussen de beleidsambities en het aan de scholen blijven toekennen van steeds meer functies en taken. Het gaat te ver deze spanning hier te bespreken. Feit is dat de school moet zorgen voor een kwalitatief goede kennisoverdracht en voor het leren van sociale vaardigheden en gedragsnormen13, en ook voor de algemene socialisatie en kwalificatie. De pedagogische opdracht omvat: (1) de opvoeding van de leerlingen tot democratische burgers, (2) de zorg voor een goed schoolklimaat en (3) de organisatie van het sociaal gedrag bevorderende activiteiten.14 De scholen moeten gezien kunnen worden ‘als de vindplaats van kinderen met sociale problemen, de compensatieplaats van opvoedingstekorten, de ontmoetingsplaats, buurtvoorziening en publieke voorziening’.15 Onze samenleving vraagt een ander burgerschapsconcept dan aan de uitbouw van de verzorgingsstaat ten grondslag lag.16 Zo hebben ‘De verzorgde school’ en ‘de vreedzame school’ hun intrede gedaan.17 De emancipatie mag dan door de verzorgingsstaat voltooid heten, inmiddels vraagt de samenleving betrokken burgers met kennis, vaardigheden en verstand van zaken van de democratische rechtsstaat, waaraan mijns inziens dringend behoefte is.18