Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/4.2.2:4.2.2 De wetsgeschiedenis bij art. 6:89 BW ziet vooral op de prestatie tot levering van een zaak
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/4.2.2
4.2.2 De wetsgeschiedenis bij art. 6:89 BW ziet vooral op de prestatie tot levering van een zaak
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973664:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat valt uit de wetsgeschiedenis bij art. 6:89 BW af te leiden voor wat betreft de consequenties die voortvloeien uit de plaats van deze klachtplicht in de wet en de algemene verbintenisrechtelijke connotatie van het begrip ‘prestatie’?
In de Toelichting Meijers is bij de introductie van art. 6:89 BW vooral gedacht aan een klachtplicht bij de prestatie strekkende tot levering van een zaak:
“Dit art. berust op de gedachte dat een schuldenaar er op moet kunnen rekenen, dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en dat deze, indien dit niet het geval blijkt te zijn, zulks, eveneens met spoed, aan de schuldenaar mededeelt. (…) Door het onderzoek, onderscheidenlijk de mededeling aan de schuldenaar, achterwege te laten, beneemt de schuldeiser zich het recht om over de gebreken van de prestatie te klagen. In het thans geldende wetboek is dit beginsel alleen voor de verborgen gebreken bij specieskoop uitgesproken (art. 1547 B.W.) De rechtspraak past het ook toe op de levering van soortzaken, hetzij door aan te nemen dat de schuldeiser stilzwijgend zijn reclamerecht heeft prijsgegeven, hetzij door een beroep op de regel dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd.”1
Door de referentie aan de oude verborgengebrekenregeling bij specieskoop en de oude rechtspraak over soortzaken wordt gesuggereerd dat met ‘prestatie’ vooral de levering van een zaak wordt bedoeld. De commissie stelt in reactie daarop dat de strekking van de bepaling kennelijk deze is, dat een schuldeiser die na de afleveringniet tijdig reclameert, zich niet meer op een gebrek in de prestatie kan beroepen. De commissie suggereert vervolgens om deze strekking expliciet in de redactie van de bepaling op te nemen:
“De strekking van dit art. is kennelijk deze, dat een schuldeiser die na de aflevering niet tijdig reclameert, zich niet meer op een gebrek in de prestatie kan beroepen. De Commissie acht het gewenst de cursief gedrukte woorden in de redaktie van het art. op te nemen, althans anderszins te doen blijken dat het hier gaat om de situatie na de aflevering.”2
Aan de suggestie van de commissie is geen opvolging gegeven. De minister stelde in reactie op deze suggestie dat art. 6:89 BW niet alleen ziet op de situatie na de aflevering. Hij gaf als voorbeeld de situatie waarin de schuldeiser in de gelegenheid wordt gesteld de verschuldigde zaak vóór de aflevering te inspecteren:
“Anders dan de Commissie meent de ondergetekende dat dit art. niet alleen ziet op de situatie na de aflevering. Men denke aan het geval dat – zoals in de praktijk geen uitzondering is – de schuldeiser in de gelegenheid wordt gesteld de verschuldigde zaak vóór de aflevering te inspecteren. De schuldeiser zal dan in de regel ter zake van de door hem bij deze inspectie ontdekte gebreken terstond hebben te protesteren.”3
Ook hier wordt dus weer het voorbeeld van aflevering van een zaak genoemd.
Wat is de betekenis van deze suggesties? Er wordt vooral over de levering van zaken gesproken. De wetsgeschiedenis laat dus weinig licht schijnen over het toepassingsbereik van art. 6:89 BW. In de literatuur is aan de hiervoor weergegeven opmerkingen van de wetgever de conclusie verbonden dat vooral is beoogd een klachtplicht te introduceren voor stoffelijke prestaties en, gelet op de aandacht van de wetgever voor de verplichting van de ontvanger van de prestatie tot inspectie van de zaak, voor situaties waarin een scherp moment bestaat waarop moet worden geklaagd.4 In deze lijn heeft A-G Wissink betoogd dat behoefte bestaat aan nadere afbakening en behoedzaamheid in de toepassing van art. 6:89 BW:
“Hierbij kan het gaan om verbintenissen die verplichten tot prestaties die mogelijk niet of nauwelijks verband houden met debiteursbelangen die typisch met het bestaan van een onderzoeks- en klachtplicht worden geassocieerd. Uit de parlementaire geschiedenis van art. 6:89 BW blijkt niet dat men zich destijds van dit probleem bewust is geweest; bij deze behandeling is uitsluitend gewerkt met voorbeelden die zich bevinden in de sfeer van de aflevering van zaken. Juist vanwege de in beginsel onbepaalde reikwijdte van art. 6:89 BW bestaat bij deze bepaling m.i. behoefte aan nadere afbakening en behoedzaamheid in de toepassing ervan.”5
De summiere wetsgeschiedenis werpt een schaduw op de zeggingskracht van de wetssystematiek in dit verband, waar op zichzelf uit af te leiden is dat art. 6:89 BW van toepassing is op alle verbintenissen. Het lijkt erop dat de wetgever destijds de brede reikwijdte van art. 6:89 BW, die uit het systeem van de wet in verbinding met de bewoordingen van art. 6:89 BW kan worden afgeleid, niet heeft doordacht en allicht zelfs niet heeft beoogd, al was het maar omdat de door de wetgever aangehaalde voorbeelden uitsluitend zien op levering van (roerende) zaken.