Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/20.1:20.1 Analyse van het juridische begrip van godsdienst
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/20.1
20.1 Analyse van het juridische begrip van godsdienst
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455214:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In 3.2 en 3.3 zijn de begrippen ‘subjectief’ en ‘objectief’ beschreven.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eerste subvraag van dit onderzoek luidt: Wat is het juridische begrip van godsdienst? Naar aanleiding van deze vraag is de uitleg van het begrip godsdienst onderzocht. Dit is ten eerste gedaan door onderzoek naar de formuleringen van artikel 9 EVRM en artikel 6 Grondwet, de vaste rechtspraak over deze grondrechtsbepalingen en het commentaar hierop in de literatuur, ten tweede op basis van een thematisch onderzoek naar onderwerpen met een religieus object.
Ten aanzien van het eerste punt, de formuleringen van artikel 9 EVRM en artikel 6 Grondwet, de vaste rechtspraak over deze grondrechtsbepalingen en het commentaar hierop in de literatuur kan geconcludeerd worden dat het begrip godsdienst een onbepaald begrip is. Het wordt niet nader omschreven. Toch zijn er ook wel bepaalde aspecten van deze grondrechtsobjecten die het begrip van godsdienst een enigszins objectief karakter geven. We kunnen daarbij denken aan de leer van het forum internum en forum externum, de leer van de kernrechtbenadering en het in artikel 6 Grondwet gemaakte onderscheid tussen een publiek en privaat domein. Deze objectiveringen zorgen voor een bepaalde rangschikking van godsdienst waardoor er als het ware ‘eersterangs’ en ‘tweederangs’ vormen van godsdienstuitoefening ontstaan. Ook het in de nationale en EHRM-jurisprudentie ontwikkelde – en tot voor kort onbetwiste – uitgangspunt dat alleen uitingen en gedragingen die een directe uitdrukking zijn van godsdienst of levensbeschouwing vallen onder de reikwijdte van artikel 9 EVRM en artikel 6 Grondwet kunnen we beschouwen als zekere objectivering van het godsdienstbegrip. Alledaagse uitingen of gedragingen die worden gereguleerd door ‘neutrale’ wetten worden op grond van dit uitgangspunt niet erkend als uiting of gedraging van godsdienst of levensovertuiging. Een voorbeeld hiervan is de uitspraak over de antroposofische huisarts die weigerde deel te nemen aan een pensioensregeling. De ARRvS overwoog dat de pensioensregeling moet worden beschouwd als een neutrale wet en dat de weigering om hieraan deel te nemen niet kan worden gekwalificeerd als directe uitdrukking van godsdienst. Ten slotte kan er gewezen worden op de eis in jurisprudentie van het EHRM dat een godsdienst of levensovertuiging moet worden gekenmerkt door ‘een zekere graad van overreding, ernst, cohesie en belangrijkheid’. Met vage opinies of ideeën neemt men geen genoegen. Er moet sprake zijn van een identificeerbare religie of overtuiging. Ook noemt het EHRM als voorbeeld van zaken die een directe expressie zijn van godsdienst of levensovertuiging ‘(…) acts of worship or devotion forming part of the practice of a religion or a belief in a generally accepted form’. Traditionele uitingen of gedragingen worden op grond van deze overwegingen, omdat ze immers algemeen aanvaard zijn, makkelijker als godsdienstig gekwalificeerd dan overige uitingen en gedragingen.
Op basis van het tweede punt, de analyse van verschillende onderwerpen met een religieus object binnen uiteenlopende rechtsgebieden (zie 1.7 voor een overzicht hiervan) kan geconcludeerd worden dat het godsdienstbegrip een uiteenlopend begrip is. In 3.6 is naar voren gebracht dat de meeste auteurs menen dat het godsdienstbegrip onderhevig is aan een subjectiverende tendens. Uit de positiefrechtelijke analyse blijkt dat deze auteurs dit voor een aantal onderwerpen juist vaststellen. Echter, dit geldt niet voor alle onderwerpen. De analyse maakt duidelijk dat er onderwerpen zijn waarbij:
een meer objectief begrip van godsdienst wordt beïnvloed door een subjectiverende trend,1
reeds vanaf de totstandkoming een overwegend subjectief begrip van godsdienst wordt gehanteerd,
een toenemende subjectivering van het begrip godsdienst gecorrigeerd wordt door een objectiverende tegenbeweging,
een meer objectief begrip van godsdienst wordt gehanteerd,
geen consistente uitleg van het begrip godsdienst is te ontwaren.
20.1.1 Onderwerpen waarbij een meer objectief begrip van godsdienst beïnvloed wordt door een subjectiverende trend20.1.2 Onderwerpen waarbij reeds vanaf de totstandkoming overwegend een subjectief begrip van godsdienst wordt gehanteerd20.1.3 Onderwerpen waarbij een toenemende subjectiverende invloed op het begrip van godsdienst gecorrigeerd wordt door een objectiverende tegenbeweging20.1.4 Onderwerpen waarbij een meer objectief begrip van godsdienst wordt gehanteerd20.1.5 Onderwerpen waarbij geen consistent begrip van godsdienst valt te ontwaren