Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.4.4.3:4.4.4.3 Algemene conclusies over vervolgingsbeletselen
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.4.4.3
4.4.4.3 Algemene conclusies over vervolgingsbeletselen
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946216:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het voorgaande volgt dat de Nederlandse strafwetgeving een groot aantal beletselen bevat dat de vervolging om uiteenlopende redenen verhindert. De achtergronden van die vervolgingsbeletselen zijn niet eenduidig en de vindplaatsen zijn divers. Het onderwerp is dus niet integraal en samenhangend geregeld.1 De acceptatie van (ongeschreven) vervolgingsbeletselen maakt inzichtelijk dat evenmin sprake is van een gesloten systeem van vervolgingsbeletselen. Dit leidt tot de vraag of het totaal aan vervolgingsbeletselen zich toch op enigerlei wijze als coherent onderdeel binnen de wetssystematiek laat duiden.
Van Dorst wijst in dit verband erop dat vervolgingsbeletselen gemeenschappelijke processuele kenmerken hebben en dat zij in effect vaak gelijk aan elkaar zijn. Een succesvol beroep op een vervolgingsbeletsel leidt immers steeds tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Daaropvolgend stelt ook Van Dorst vast dat de vervolgingsbeletselen – ondanks die processuele overeenkomst – in hun zin en strekking ver uiteenlopen. Dit leidt tot de (bijna dichterlijke) conclusie dat het totaal aan vervolgingsbeletselen slechts een (processuele) eenheid in (inhoudelijke) verscheidenheid vormt.2
Cleiren en Van Male onderschrijven de diversiteit van de ratio achter de verschillende vervolgingsbeletselen. Zij onderscheiden verschillende (categorieën van) argumenten voor die beletselen, zoals het belang van en bij een proces, de rechtszekerheid van betrokkenen, de effectiviteit en doelmatigheid van een strafvorderlijke procedure alsmede de rechtmatigheid van de vervolging.3 De uitoefening van het (in beginsel onbeperkte) vervolgingsrecht van het openbaar ministerie wordt daarmee op uiteenlopende gronden nader genormeerd. Cleiren en Van Male stellen vast dat de bovenvermelde factoren als het ware aan het openbaar ministerie worden toegerekend, terwijl deze niet steeds (rechtstreeks) zien op handelingen vanuit het openbaar ministerie. Zij vinden hiervoor een verklaring door een verband te signaleren tussen de wettelijke vervolgingsbeletselen en de op de trias politica geënte taakverdeling tussen de wetgever, de rechter en het openbaar ministerie. Zij beschrijven dat de grenzen van het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie worden bepaald door vervolgingsbeletselen, waarbij de rechter de grens bewaakt aan de hand van de belangenafweging die de wetgever aan de onderscheiden vervolgingsbeletselen ten grondslag heeft gelegd. Dit brengt Cleiren en Van Male tot de conclusie dat alle wettelijke vervolgingsbeletselen nauw samenhangen met de initierende rol van het openbaar ministerie en zijn institutionele positie binnen de strafrechtspleging. In het verlengde hiervan stellen zij dat ongeschreven vervolgingsbeletselen niet zozeer zijn verbonden met de institutionele positie van het openbaar ministerie, maar politiek-functioneel van aard zijn. In die zin dat deze beletselen direct zien op de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie voor het vervolgingsbeleid en invulling geven aan de vraag of het openbaar ministerie de toebedeelde taken rechtmatig heeft uitgevoerd.4 Binnen dit perspectief is het verklaarbaar dat alle (geschreven en ongeschreven) vervolgingsbeletselen – ondanks hun uiteenlopende ratio en plaats in de wetgeving – in de rechtspraktijk steeds hun uitwerking vinden in de normering van het handelen van het openbaar ministerie via een (niet-)ontvankelijkheidsverklaring.
De slotsom is dat een sluitend of coherent systeem van vervolgingsbeletselen ontbreekt. De beletselen zijn op uiteenlopende wijzen en plaatsen in het geschreven en ongeschreven recht verankerd en daaraan ligt niet steeds dezelfde ratio ten grondslag. De gemene deler is slechts dat het mechanismen betreft die het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie inkaderen. De redenen daarvoor zijn divers van aard en gewicht.