Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/8.1.4
8.1.4 Het perspectief van rechters
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200802:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het belang dat hieraan in de praktijk wordt gehecht is mogelijk relevant voor de modernisering van het Wetboek van Strafvordering. Zo wordt gedacht aan de introductie van de mogelijkheid tot het houden van een schriftelijke voorbereidingsronde (voorafgaand aan de zitting). Het voordeel daarvan is dat de inhoudelijke behandeling kan worden toegespitst op die aspecten van de zaak waarover Openbaar Ministerie en verdediging van mening verschillen of die anderszins bijzondere aandacht vragen. Echter, in het licht van het onmiddellijkheidsbeginsel zou dit enkel kunnen dienen als aanvulling op en niet als vervanging van het requisitoir, het pleidooi en het onderzoek ter zitting (vgl. Crijns, 2017).
Sinds 2004 zijn er binnen de strafrechtspraak verschillende projecten geweest die waren gericht op het verbeteren van de motivering in strafvonnissen. Deze projecten zijn bekend geworden als ‘Promis’ (Project Motiveringsverbetering in Strafvonnissen). De daaruit voortvloeiende inrichting en motivering van het strafvonnis heet de ‘Promis-werkwijze’ (Zie: De Groot-van Leeuwen e.a., 2015).
Opvallend is dat enkele jeugdrechters het gevoel hebben in vergelijking met jeugdofficieren van justitie wel voor een groot deel op dezelfde dingen te letten: ‘Als het gaat om de vraag wat het beste is voor de jongere, verschilt het perspectief niet wezenlijk. (…) De richting is meestal wel dezelfde. Ik denk dat officier en rechter beide het doel hebben de maatregel zo in te richten dat het de kans vergroot dat de jongere geen strafbare feiten meer pleegt.’
Interviews met officieren van justitie bevestigen het hier geschetste beeld.
Een rechercheur noemde dit tijdens een interview ook, maar dan om te bepleiten dat een verdachte die juridisch gezien niet voor voorlopige hechtenis in aanmerking komt, toch door een officier van justitie toegesproken zou kunnen worden.
Zoals uit bovenstaande blijkt hebben politiemensen en officieren van justitie vaak het gevoel op basis van hun betrokkenheid bij opsporingsonderzoeken en de aanpak van criminaliteitsproblemen in het algemeen, een ander perspectief op de strafrechtspleging te hebben dan rechters. Het beeld dat rechters hebben van de verschillen in perspectief met politiemensen en officieren komt hiermee vaak overeen, al denken zij ook dat dit voor de uitkomsten weinig uitmaakt of dat er ‘geen wezenlijke verschillen’ zijn. Sommige rechters willen verschillen overbruggen door middel van hun aanpak in strafzaken.
Hierna wordt beschreven hoe rechters in vergelijking met de andere onderzochte groepen met emoties en informatie in aanraking komen. De eindverantwoordelijkheid van rechters vormt eveneens een bepalende factor voor hun perspectief. Dit lijkt mede te bepalen waar ze op letten en hoe ze aankijken tegen onder meer het strafdossier dat aan hen wordt voorgelegd, verklaringen van de verdachte en de inbreng van de verdediging. Tot slot komt aan de orde hoe de institutionele context het perspectief van rechters op het functioneren van het strafrecht beïnvloedt.
Werksituatie
Het perspectief van de strafrechter of rechter-commissaris wordt grotendeels bepaald door de tenlastelegging of de vordering voorlopige hechtenis die het OM aanlevert. Niet in alle gevallen komt de rechter voorafgaand of tijdens de zitting met verdachten, slachtoffers en getuigen in aanraking. Dit lijkt een belangrijk verschil met politiemensen, die vaak directe kennis hebben van de situatie en van de verdachte. Voor hen geldt meestal niet dat gebeurtenissen worden ‘gereduceerd’ tot een schriftelijke weergave van (juridische) feiten. Wanneer rechters wel de betrokkenen zelf zien, is dat vaak pas enige tijd nadat een vermeend strafbaar feit heeft plaatsgevonden. Hoe dan ook staat de rechter op grotere afstand. Zo ervaren rechters dat ook zelf. Zo kan het volgens een rechter vanuit zijn perspectief bijvoorbeeld lastig zijn om de ‘persoon van de verdachte’ goed in te schatten. Daarom nodigt zij (weleens een enkele keer) politiemensen op zitting uit om hun perspectief op de zaak te geven.
‘Laat zo’n wijkagent anders ook iets voor mij iets op papier zetten: “Het zit zo en zo in elkaar. Ik ben al drie jaar bezig en dit is wat ik vind dat er nodig is.” Wij zitten in een ivoren toren, rechters en officieren doen gewoon zaken en weten echt niet altijd wat er nodig is. Ik heb daar niet altijd kijk op. Wijkagenten weten wat die jongens of meisjes nodig hebben.’
Overigens proberen rechters hun perspectief ook wel te verbreden. Zo pleit een rechter ervoor het perspectief van het ‘papieren dossier’ soms te doorbreken. In plaats van af te gaan op alleen een schriftelijke weergave van eerder bij de politie afgelegde verklaringen, zouden rechters volgens hem vaker zelf onderzoek moeten doen op zitting. Een volgens deze rechter relevant voorbeeld betreft een zaak die voornamelijk gebaseerd was op de aangifte van het slachtoffer. De rechtbank twijfelde over de schuld van verdachte, maar kon min of meer delen in het perspectief van de opsporing door het onderzoek ter zitting:
‘Een vrouw doet aangifte bij de politie. Ze verklaart dat ze tijdens de rijles door haar rij-instructeur is betast. Hij heeft aan haar borsten gezeten en in haar kruis gezeten en had vieze praatjes: seksueel getinte verhalen. Er is natuurlijk geen enkele getuige bij en de verdachte ontkende. Het meisje heeft het voorval meteen verteld aan haar mentor op school enzo. Met een dergelijke de auditu verklaring kom je aan het bewijsminimum. Binnen de raadkamer waren de meningen sterk verdeeld. Er waren binnen de raadkamer die zeiden: “We geloven dat meisje gewoon niet. Ze kan wel van alles verzinnen en daar gaan we die vent niet voor opsluiten, dat doen we niet!” Aan de andere kant waren er stemmen: “Waarom zou ze zoiets verzinnen? Dat geloven we niet. Ze wordt daar niet beter van. Wie haalt het in zijn hoofd om zo'n verhaal over de rijinstructeur te vertellen?” Uiteindelijk hebben we besloten dat meisje op zitting te horen als getuige: een confrontatie, in aanwezigheid van de verdachte. En zelf te bevragen en te toetsen en de betrouwbaarheid van dat meisje op de proef te stellen. De slotsom was dat het meisje heel stellig was, eigenlijk nog stelliger dan uit het dossier bleek en toen de verdachte daarmee geconfronteerd werd, had hij eigenlijk geen weerwoord. Dan is de overtuiging er wel heel snel en deze man is ook veroordeeld. Dat was waarschijnlijk niet gebeurd als we deze zaak uitsluitend op grond van papier hadden afgedaan, met een meer op de verdachte georiënteerde kijk op de zaak. Dan was het waarschijnlijk een vrijspraak geworden.’
In dit geval waren de rechters van mening dat zij hun perspectief moesten verbreden. Door het onmiddellijkheidsbeginsel te hanteren en onderzoek te doen op zitting ontstond de mogelijkheid de informatie uit het strafdossier aan te vullen met eigen waarneming.1 De geïnterviewde had overigens een lange carrière als officier van justitie achter de rug, hetgeen hem naar eigen zeggen in staat stelde de toegevoegde waarde van een onderzoek ter zitting vroegtijdig in te zien.
Tijdens veel interviews werd benadrukt dat de rechtsbeschermende functie van het strafrecht kenmerkend is voor het perspectief van rechters (verderop wordt hierop nader ingegaan). Het is dan ook niet in alle opzichten dat rechters menen het verschil in perspectief met politie en OM te kunnen overbruggen. Zo vermoedt een rechter dat het nogal eens optredende verschil tussen de strafeis die het OM neerlegt in (regelmatig voorkomende) zaken waarin tegen de verdachte belediging van een politiemedewerker ten laste is gelegd, te maken heeft met een onoverbrugbaar verschil in perspectief. Deze rechter meent er geen rekening mee te kunnen houden dat een belediging plaatsvindt in een werkomgeving die voor de politie soms zeer zwaar kan zijn. In zijn ogen heeft het OM deze gedachte wel van politiemensen en de politiek overgenomen.
‘Ik kan mij voorstellen als je dagelijks op straat loopt als agent en je krijgt voortdurend van alles naar je hoofd geslingerd, dat die emmer dan weleens overloopt. Maar voor mij is een belediging een unieke zaak, waarbij voor mij niet meeweegt dat de betreffende agent die dag al tien keer is uitgescholden. Dat kun je nooit oplossen en je kunt dan ook niet meewegen wat die agent dagelijks moet meemaken.’
Politie én OM maken in de ogen van veel rechters in het algemeen te weinig gebruik van een ‘juridisch filter’, zoals rechters gewoonlijk wel zouden doen. Gemeend wordt dan dat binnen politie en OM feiten en omstandigheden uit het oog worden verloren door een te grote emotionele betrokkenheid en de wens criminaliteits- en overlastproblemen tegen te gaan door middel van straf. Regelmatig vindt een rechter ‘een ideologie van maakbare veiligheid’ doorklinken in het requisitoir van de officier van justitie. Op deze wijze wordt een juridisch vraagstuk volgens een andere rechter geregeld gepresenteerd als een maatschappelijk vraagstuk.
‘Er is wel verschil in inzicht en gevoel tussen politie, OM en rechtspraak. “Je bent niet pienter”, dat staat dan op een dagvaarding en die komt op zitting. (…) Wat mij betreft een voorbeeld van wat onder de grens van strafwaardigheid valt: dit is geen belediging. Maar het wordt wel aangebracht. Tegen de politie wordt gezegd dat deze verdachte zich moet verdedigen bij de rechter. (…) De drempel wordt soms niet gehaald en dat versterkt het beeld van: “Potverdorie nog aan toe, nu komt de zaak op zitting en krijg je dit soort uitspraken. Begrijpt die rechter nou niet waar wij de hele dag mee bezig zijn?” Ik begrijp dat wel, maar leg de lat toch ergens anders. Als ik naar de requisitoirs luister dan gaat het ze om het extra beschermen van mensen met een publieke taak. Je proeft ook wel een politieke druk die daarachter zit. Dit zijn mensen die we hoog moeten hebben, hebben we ook, ook de rechters. Maar misschien zit daar wel een probleem, dat bij het OM ofwel niet de mogelijkheid bestaat om te filteren of niet de wens bestaat om te filteren. Het kan best zijn dat veel zaken worden gefilterd die ik niet zie, maar desondanks komen er zaken op zitting die daar niet thuishoren. Je ziet het ook in de eisen: die zijn fors. Soms [eisen officieren] gevangenisstraf voor het doen van een enkele uitspraak.’
‘We zijn bezig met een definitieverschuiving. Wat een juridisch probleem zou moeten zijn in de zittingszaal, wordt gepresenteerd als een maatschappelijk probleem. Maar daar is de rechter niet voor. Die is er voor de individuele verdachte en de bestuurder is er voor het algemeen belang, en dat is een groot verschil.’
Het requisitoir van de officier van justitie in strafzaken wordt door rechters regelmatig ervaren als verlengstuk van een beleidsmatige aanpak van criminaliteitsproblemen, meer dan als een juridische beoordeling van de individuele zaak.
‘Officieren komen met dingen die gewoon niet kunnen. Soms komen ze met een optelsom en concluderen dat er bewijs is, dat lijkt nergens naar. Het raakt kant noch wal. Je ziet het nu veel met liquidaties: er is sprake van een zekere wanhoop. Dingen die mogelijk verband houden met op handen zijnde liquidaties, wil men vervolgen. Dan willen ze graag zeggen: kennelijk waren ze op weg om die en die. Dan denk ik, kennelijk, kun je dat wat schragen ergens mee? (…) Ik zie dat hier met grote frequentie. Ik maak me daar ook zorgen om. Vanuit onmacht om problemen op te lossen gaan ze dingen roepen: “Het bewijs is duimendik aanwezig.” Maar je kan op je klompen aanvoelen dat de rechter dat niet zal vinden. En dan niet je verantwoordelijkheid nemen. (…) We hebben dat ook gezien met mensenhandel. Prostitutie met vrouwen afkomstig uit voormalige Oostbloklanden en een officier die uit frustratie roept dat de rechtbank geen straffen wil uitdelen. De president hier, waar je anders nooit van hoorde, vond het zelfs nodig contact met de krant op te nemen en te zeggen: “De officier gaat altijd uit van bewijs, maar de rechters zien dat daar weleens iets aan schort.” Dat is toch eigenlijk idioot.’
Aan dit beeld van de officier bij wie soms het ‘juridisch filter’ ontbreekt, draagt bij dat zittingsofficieren soms weinig tijd zouden hebben (zie hoofdstuk 5) om de zaak te bestuderen en daarin eventueel aanvullende activiteiten te (laten) verrichten, voorafgaand aan de zitting. Rechters zeggen dat met enige regelmaat van officieren te vernemen en lijken zich tegelijkertijd over hun eigen werksituatie maar weinig zorgen te maken.
‘Zaken die wij op zitting krijgen komen heel vaak [rechtstreeks] uit de organisatie. Dan zegt een officier: eerlijk gezegd heb ik het niet bekeken. Dat mag niet, maar door de bevoegdheden en taken lager neer te leggen gaat het [kennelijk] zo. Er zijn volgens mij veel zaken die een officier niet meer ziet voorafgaand aan de zitting.’
Regelmatig halen rechters aan dat enkele spraakmakende gerechtelijke dwalingen invloed hebben gehad op de wijze waarop zij tegen bewijs aankijken. Een geïnterviewde rechter meent dat met name door de toegenomen aandacht voor de schriftelijke motivering van vonnissen2 door rechters op een andere manier over bewijs wordt nagedacht. Overtuiging zou minder als een oordeelsruimte op basis van common sense worden opgevat en meer als een aansporing de verschillende bewijsstukken in het vonnis kritisch te behandelen.
‘Vanwege de Promis vonnissen wordt uitgebreider ingegaan op bewijsmiddelen. Vroeger werd eerder gezegd: dit en dit is er en hij heeft het gewoon gedaan. Schakelbewijs: we zien een aantal keer een bepaalde modus operandi. Dat gooien we op een hoop en dan hebben we een bepaald aantal feiten. Daar wordt inderdaad voorzichtiger mee omgegaan. Tegenwoordig ligt minder de nadruk op overtuiging. Dat valt me ook wel op, maar ik vind dat we beter zijn gaan spitten. We beoordelen onderdelen meer apart en beoordelen die wat formeler. Er wordt met minder lef gevonnist, maar ik vind het wel preciezer. (…) Met de Promis vonnissen moet je stap voor stap alles uitschrijven en daarmee kunnen uitleggen. Je moet de maatschappij uitleg geven. Vroeger was het gewoon: Ik ben ervan overtuigd dat hij het heeft gedaan en het wettig bewijs is er. Klaar, hoppakee, hij heeft het gedaan. Nu, als er iets mist, laten we het dan maar vooral niet doen.’
Een andere rechter omschrijft het effect van de toegenomen aandacht voor schriftelijke motivering als een factor die het element van de overtuiging bij de bewijsbeslissing beter inzichtelijk maakt en onderbouwt. Mogelijk draagt de noodzaak van schriftelijke motivering in het werk van rechters eraan bij dat zij meer dan de andere onderzochte groepen gericht zijn op de rechtsbeschermende functie van het strafrecht.
‘Opschrijven is lastig, omdat je je gevoel niet kunt opschrijven. Je moet het hebben van technische bewijs en bij bewijs gaat het ook meer om de vraag, daar verschillen officieren met rechters, hoe ver het bewijs mag afstaan van wat de verdachte wordt verweten. Wanneer de verdachte ontkent en er is geen bewijs dat de verdachte direct bij het misdrijf brengt, dan ontstaat die vraag.’
Ook lijkt het perspectief van veel rechters eerder gericht op ongewenste neveneffecten van strafrechtelijk- en overheidsoptreden, dan op criminaliteit en de sancties die daarbij kunnen passen. In het volgende voorbeeld komt dit duidelijk naar voren:
‘Wat we merken is dat er wel iets schort aan de hulpverlening, één van onze ketenpartners, juist doordat de gemeenten sinds 2015 de jeugdzorg uitvoeren. Hulp waarvan iedereen ter zitting zei dat die noodzakelijk was. Bureau Jeugdzorg wilde doorpakken. Maar een carte blanche om een handtekening te zetten voor [eventuele andere kinderen in een gezin], nadat de eerste onder toezicht is gesteld, dat doen we niet omdat kind no. 4 misschien wel een stempel wordt opgedrukt dat juist averechts werkt. Dat is misschien het kind dat het wel goed deed. “Zie je wel? Ze hebben ook over mij zorgen.” Als je dan ook nog eens op straat komt en vaker wordt aangepakt dan blanke kinderen: al is het maar even je ID laten zien en: “Waarom rijd jij op die scooter?” Dat zijn dingetjes waar we het over hebben en de maatschappelijke tendensen waar we hierop aanslaan.’
Wel menen enkele rechters dat de pakkans ‘relatief laag’ is. Ook is er een rechter die ‘merkt dat criminelen middelen hebben om geheim te houden wat ze doen’ en zich afvraagt of er voldoende aan dit probleem wordt gedaan. Toch lijken rechters zich dergelijke op crime control gerichte vragen minder te stellen dan officieren van justitie. Zo hebben officieren vaak wel ideeën over mogelijkheden voor uitbreiding van opsporingsbevoegdheden; rechters nauwelijks. Ook lijken specifieke ontwikkelingen in de criminaliteit en de opsporing van daders rechters slechts weinig bezig te houden. Een kinderrechter vertelt dat de problemen met criminele jeugdgroepen in zijn stad in gesprekken met zijn collega’s niet of nauwelijks aan de orde komen. Eerder gaan gesprekken met collega’s volgens hem over wat er in de stad gebeurt bijvoorbeeld over provocerend of discriminerend politieoptreden. De focus van rechters bij de individuele strafzaak en bij de verdachte, hangt mogelijk samen met hun grotere afstand tot het werk van politiemensen in vergelijking met officieren van justitie. Zij komen minder met politiemensen in aanraking en wanneer dat het geval is, is dat vaak ‘functioneel’ zoals een rechter aangeeft en meestal tijdens de formele zitting. Tegelijkertijd lijkt een rol te spelen dat rechters vanuit hun eindverantwoordelijkheid reactief reageren en hun aandacht anders verdelen dan politiemensen en officieren van justitie.
Eindverantwoordelijkheid
Hoewel sommige rechters tijdens de interviews aangeven dat de verantwoordelijkheid uiteindelijk bij hogere rechters kan komen te liggen, lijkt hun eindverantwoordelijkheid (in zaken die aan hen worden voorgelegd) veel invloed te hebben op de manier waarop ze hun aandacht verdelen: de meeste rechters lijken het strafrecht te bekijken vanuit hun rol als eindverantwoordelijke en zijn daarbij vooral gericht op de rechtsbeschermende functie van het strafproces. Dit aspect lijkt een deel van de rechters nog te benadrukken vanwege zorgen over de wijze waarop officieren van justitie hun werk doen.
Veel officieren van justitie willen ‘een punt maken’, zo menen rechters. Ze menen dat het verschil maakt dat een officier van justitie ‘rekwireert’ op basis van het verzamelde bewijs en dat de rechter daarover oordeelt: ‘De officier zegt weleens het feit bewezen te achten en medeplegen ook. Maar waarom dan en op basis van welke bewijsmiddelen is dat? Officieren nemen vaker grote stappen [dan rechters].’ In de ogen van een rechter willen officieren ‘voor het maximale gaan’ of voor ‘wat er eventueel in zit’, maar moeten rechters vanwege hun eindverantwoordelijke rol ‘voor het zekere gaan’.
Rechters lijken vanuit hun eindverantwoordelijkheid nog sterker dan officieren van justitie te letten op informatie en interpretaties die de verdachte vrij kunnen pleiten en daarmee op de waarborgfunctie van strafrecht. Hierop sluit aan dat rechters regelmatig zeggen ‘zoals de verdediging de andere kant van de zaak’ te willen bekijken. Dit blijkt onder meer uit de volgorde die een rechter meestal hanteert bij het lezen van strafdossiers. De indeling die het OM aanbrengt vestigt volgens haar te weinig aandacht op de verklaring van de verdachte.
‘Het dossier is zo ingericht dat het tot de conclusie leidt: deze verdachte heeft het gedaan. Het begint met een overzichtje. Dan zie je de aanhouding, de aangifte, alle getuigenverklaringen. Als je zo dom bent om op bladzijde één te beginnen en pas als laatste op bladzijde honderd de verklaring van de verdachte gaat lezen, dan ben je wel een erg flinke vent als je nog gaat bedenken dat verdachte het niet heeft gedaan. Die wou ook nog wat zeggen. Oh ja, en hij wou het nu allemaal nog gaan ontkrachten zeker? De meeste rechters kijken eerst waar het over gaat en kijken dan al vrij snel naar het standpunt van de verdachte.’
Een rechter zegt dat officieren het pleidooi van de verdediging tijdens de rechtszitting weleens onweersproken laten. Andere rechters menen dat officieren van justitie soms weinig oog hebben voor alternatieve scenario’s die tijdens de zitting worden aangedragen. Gemeend wordt dat officieren van justitie tijdens de behandeling van een strafzaak vaak aan hun oorspronkelijke standpunten blijven vasthouden, waardoor rechters hun eigen perspectief op strafzaken dienen te hanteren.
‘Er zijn bepaalde officieren die na hun requisitoir en het pleidooi van de advocaat niet de moeite nemen om daarop te reageren: “Nee hoor, ik heb alles gezegd.” Als er wezenlijke vragen aan de orde zijn gekomen, hoe zit dit dan? Als iemand bijvoorbeeld zegt dat het anders is gegaan dan in het dossier wordt gesuggereerd. Dan zijn er wel officieren die strak aan hun scenario vasthouden, een ander scenario is er niet en niet de moeite nemen om te reageren. Terwijl andere officieren er wel op ingaan. Als er kritische kanttekeningen worden geplaatst, dan vind ik dat je daar op moet reageren en soms is het een gemiste kans als dat niet gebeurt. Misschien is de rechtbank nog wel te overtuigen.’
Officieren zouden soms na afloop van een zitting aan de rechters laten weten het eens te zijn met de uiteindelijke beslissing en daarmee afstand nemen van hun tijdens de zitting ingenomen standpunt. Officieren van justitie keren dan pas nadat de rechter een beslissing heeft genomen terug van hun aanklagersrol naar hun ‘magistratelijke rol’ (vgl. Skolnick, 1966; zie hoofdstuk 2). Ondanks hun eindverantwoordelijkheid ervaren rechters dit als een onprettige situatie, bijvoorbeeld nadat een verdachte is vrijgesproken: ‘Ik mag het vuile werk opknappen. De hele zaal is boos op mij. Als je je werk goed had gedaan als officier had je de zaak niet aangebracht.’
Regelmatig zeggen rechters nadrukkelijk te letten op de belangen van verdachten in het strafproces. Dit is in lijn met het ideaal van due process en zou onder meer betekenen dat veel aandacht wordt besteed aan wat verdachte te zeggen heeft over de in een strafzaak door het OM aangedragen feiten. Opvallend in dit verband is dat een deel van de rechters een vrij negatief beeld lijkt te hebben van de politie. Zo bestaat de indruk onder rechters dat processen-verbaal soms niet betrouwbaar zijn, zoals weleens op zitting aan het licht zou komen, of ‘slecht geformuleerd’ zijn. Ook menen sommige rechters dat politiemensen steeds minder van burgers pikken en situaties te snel laten escaleren; ontwikkelingen die in hun ogen moeten worden bijgestuurd door de strafrechtspraak. Ondanks het eerder genoemde besef van rechters dat het voor hen onmogelijk is om precies na te gaan hoe het is als politieagent in bepaalde situaties te moeten functioneren, overheerst toch een kritisch perspectief op de politie. Daarbij gaat men onder meer af op eerder behandelde strafzaken, zoals in de volgende voorbeelden:
‘Wij hebben geen oog voor moeilijke situaties [waarmee politiemensen te maken krijgen] en de snelheid waarmee zij moeten beslissen. Het reactievermogen dat je moet hebben. Ik heb daar wel bewondering voor, maar aan de andere kant is de politie ook wel aan het verharden en ontsporen. Ik hoor, zie en lees hoeveel geweld er wordt gebruikt door de politie en ik schrik daarvan. Dat lijkt me een uitvloeisel van de algemene tendens tot verharding. (…) Het weekendarrangement wat de politie weleens toepast op overlast gevende mensen in het uitgaansleven. Op vrijdagavond voor de minste of geringste aanleiding oppakken, op het bureau neerzetten en maandagochtend weer vrijlaten onder het mom dat ze geen tijd hadden voor verhoor. Dit [zogeheten] weekendarrangement is al een paar keer de nek omgedraaid door het hof.’
‘Een dronken man, loopt wat lallend over straat, maakt een beweging tegen twee agenten en roept: “Als ik een pistool had, dan zou ik jullie neerschieten.” Dat slaat gewoon helemaal nergens op. Maar hij wordt aangehouden, geboeid voor bedreiging en die zaak komt voor bij mij. Ik spreek vrij. Ik vind het te absurd voor woorden om hier een bedreiging van te maken, maar het gerechtshof veroordeelt hem weer. Maar dan denk ik: af en toe moet je de politie terugroepen. Doe eens normaal, je kunt niet alles oplossen door meteen het strafrechtelijk circuit te bewandelen: paperassen, bureaucratie, gedoe en hoge kosten. Stuur hem gewoon naar huis, maar niet meteen proces-verbaal opmaken.’
Een jeugdrechter die meent dat politiemensen ‘kat-en-muis spelen’ met een verdachte door hem voortdurend naar zijn legitimatie te vragen, acht dit bijvoorbeeld een vorm van uitlokking door de politie. Ook bij de eerder besproken reactie van rechters op de volgens hen grote hoeveelheid zaken waarin de verdachte belediging van een politiemedewerker ten laste is gelegd, lijkt hun kritiek op de politie een rol te spelen:
‘Dit is ook het beleid van het ministerie. Voortdurend roepen: “Blijf af van de politie.” Ze zijn heilig [verklaard]. Maar kijk ook eens naar het gedrag van de politie, hoe ze reacties uitlokken en soms hun eigen regels maken buiten de wet om.’
Meer dan officieren lijken rechters zich met de waarborgfunctie van het strafrecht te identificeren. Zoals eerder vermeld lijkt hun rol als eindverantwoordelijke grote invloed te hebben op hun perspectief op het strafrecht. Behalve dat zij de focus bij de rechten van de verdachte leggen, zien zij het ook als hun taak te letten op in hun ogen negatieve ontwikkelingen in strafrechtelijk- en overheidsoptreden. Overigens uiten niet alle rechters daar kritiek op. Sommige rechters spreken juist hun waardering uit voor de politie of menen dat rechters meer begrip mogen tonen voor de moeilijke kanten van politiewerk:
‘Ik heb sowieso waardering voor de politie. Er zijn misschien wel collega’s die in beginsel vrij sceptisch zijn over politieonderzoeken, maar dat heb ik helemaal niet. Ik denk weleens: dit had beter gekund of waarom hebben ze dat en dat niet gedaan? Maar ik zie dat men zich erg inspant. Zeker in grote onderzoeken zie je dat.’
‘[Rechters] hoeven er niet te staan. Als wij een ruzie zien op straat kunnen we ervan weglopen. Politiemensen moeten erop af, ook als het drie uur ’s nachts is en mensen onder invloed zijn. Als je dan te maken krijgt met verbaal of fysiek geweld in jouw richting, dan moet je daar iets mee. Dat [politiemensen] dan zelf af en toe hard terug meppen, dat begrijp ik en dat zeg ik dan ook altijd wel om daarmee mijn begrip te tonen voor het werk dat ze doen.’
De nadruk die veel rechters leggen bij het belang van ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ door middel van strafrecht, lijkt eveneens aan de rol van de rechter als eindverantwoordelijke toe te schrijven: de toekomst van de verdachte ligt uiteindelijk in zijn handen. Hierdoor zien veel rechters het als een morele verplichting vertrouwen te hebben in mogelijkheden tot ‘positieve gedragsbeïnvloeding’: ‘Je wilt wel iets proberen.’ Zo merkt Packer het volgende op over retributie: ‘It is backward-looking to the offense rather than forward-looking to the offender; it is punitive rather than preventive.’ (1968: 58) In lijn hiermee lijkt de blik van de rechter vooral op de toekomst en die van de officier van justitie vaak meer op het verleden gericht: ‘Waar de officier denkt in bestraffen van strafbare feiten, denkt de rechter vanuit de hoop de verdachte op het goede spoor te krijgen.’3
Veel rechters menen dat de strafrechtspleging niet alleen aan juridische grenzen, maar ook aan instrumentele grenzen gebonden is (vgl. Packer, 1968). Straf is vaak geen oplossing, maar in de ogen van veel rechters op zijn best ‘een noodzakelijk kwaad’. Ze lijken veel oog te hebben voor de persoon en de omstandigheden van verdachten in strafzaken, hetgeen een belangrijke rol speelt bij de manier waarop zij naar het strafrecht kijken.
‘Ik had vanochtend een officier op mijn kamer om te praten over hoe wij nu omgaan met verwarde mensen. Het viel op dat in [een andere provincie] de rechter-commissarissen eerder dan wij de recidivegrond aannemen bij verwarde mensen. Ik kan het ook uitleggen: [het strafrecht] is niet het doucheputje van de samenleving. Het is niet zo dat wij iedereen waarvan de samenleving zijn handen aftrekt maar achter een deur zetten. Dat is heel lelijk. Ik denk dat vijftig procent van de mensen die worden voorgeleid ziek zijn. Vaak speelt verslaving een rol, maar ook dat is een ziekte. Maatschappelijk zit daar ook iets bij van eigen schuld, dikke bult. Maar dat is niet juist. Als je een verslaafd iemand onder de scan zou leggen [zou onderzoeken], dan kun je een afwijking [in het brein] zien.’
Rechters begrijpen vaak wel de frustratie over de strafrechtspleging onder politiemensen: ‘Zij hebben het gevoel van dweilen met de kraan open. Waarom niet meer bescherming bieden [aan de samenleving]?’ Een belangrijk verschil met politiemensen en ook met een deel van de officieren van justitie is dat veel rechters van oordeel zijn dat het strafrecht slechts zeer beperkt oplossingen kan bieden en deze beperkte instrumentele waarde van strafrecht ook accepteren. Zo kan een rechter opmerken over een hardnekkige recidivist: ‘In gevallen waarin je mensen regelmatig terugziet zie je dat het probleem hardnekkig is. Het strafrecht is dan blijkbaar niet het middel om iemand tot stoppen te brengen.’ Vaak menen rechters dat strafrecht vooral moet dienen als een bijdrage aan het oplossen van criminaliteit en overlast op de lange termijn. Zo zou een geïnterviewde rechter invloed willen uitoefenen op uiteenlopende aspecten in het leven van de verdachte, zodat een ‘integrale aanpak’ van zijn problemen ontstaat en recidive in de toekomst met meer zekerheid wordt voorkomen.
‘Ik kan een strafje geven voor wat er gebeurd is in een geschil tussen buren, dat ene puzzelstukje, maar ik zou eigenlijk graag wat over die hele puzzel zeggen. Want daar heb ik wel allerlei ideeën over. Daarin vind ik het strafrechtsysteem niet heel erg effectief. Neem de burenruzie mee, maar ook de uitkeringskwestie, de belastingproblematiek en kom tot een integrale aanpak.’
Informatie
In de ogen van rechters is hun positie ‘aan het einde van de strafrechtsketen’ een gegeven waarmee politie en justitie rekening te houden hebben. Zij moeten beseffen dat rechters tot in detail geïnformeerd moeten worden en daarop voortdurend anticiperen: ‘We staan als rechters aan het einde van de keten en doen uitspraak op basis van wat ons wordt voorgelegd.’ Rechters zijn zich ervan bewust dat met name politiemensen over meer informatie beschikken over personen die mogelijk in verband gebracht kunnen worden met criminele feiten of al eerder met justitie in aanraking zijn geweest.
‘De rechter ziet er weinig van als allerlei [hulpverlenings]trajecten weinig opleveren, de politie wel. De rechter zegt dat Abdullah nog zo jong is dat hij nog alle mogelijke kansen moet krijgen. Terwijl een politieman zegt: “Ik ken hem al vanaf dat hij tien jaar was. Het is altijd een rotjong geweest en dat wordt nooit meer wat.” Dat snap ik.’
Niet alleen komen rechters minder en van een grotere afstand met emoties van betrokkenen in aanraking dan politiemensen en officieren van justitie, ook denken rechters op onderdelen over minder informatie te beschikken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om informatie waarover wijkagenten vaak wel zouden beschikken, zoals over overlast in de wijk. Ook menen rechters dat het beeld dat zij krijgen van verdachten tijdens de zitting kan afwijken van het beeld dat politiemensen van hen hebben, op basis van hun gedrag buiten de rechtszaal. Tegelijkertijd menen rechters, net als officieren van justitie, dat politiemensen vaak niet beschikken over een goed beeld van de omstandigheden van de verdachte, zoals specialisten dat kunnen schetsen. Overigens sluiten ook sommige rechters niet uit dat specialisten weleens ‘door een roze bril’ naar verdachten kijken. Een kinderrechter:
‘De politie is dichter in de buurt en waar heb je verder zicht op? Ze staan in de wijk, constateren rotzooi en zien de persoon daarachter verder vaak niet, al probeert de wijkagent dat wel. Ik zit op mijn werkplek, heb alleen maar mijn dossier en zie de minderjarige maar heel kort. Bij mij proberen [verdachten] zich meestal voorbeeldig te gedragen. Dan zijn ze om door een ringetje te halen, want ze zijn superafhankelijk van mij. Ik ga ze misschien schorsen of niet, ik ga misschien een straf opleggen. Ik zie een heel andere persoon dan in de rapportages. Agressief, opvliegend zijn ze bij mij meestal niet. Daar moet ik alert op zijn. Het is wel een leuk joch, waar heeft iedereen het over? Maar ik lees wel het totaalplaatje van zo’n iemand. Mijn beslissing is in de ogen van de agent die alleen maar dat hele kleine stukje ziet van dat rotgedrag op straat misschien niet goed. Waar hebben ze het over die rechters? Luchtfietsers. Ik kan me dat heel goed voorstellen. Maar die agent mee laten kijken met wat de omstandigheden zijn en laten meebeslissen, zou wellicht wel tot overeenkomstige inzichten leiden. Tegelijkertijd: Ik zie het enorm recalcitrante gedrag van zo’n jongere op straat niet. Daardoor kan het zijn dan mijn gezichtsveld toch enigszins vertroebeld raakt door wat ik voor me op zitting zie en door de roze bril die de positief ingestelde jeugdhulpverlener mij schetst.’
Rechters vinden het lastig dat zij minder dan politie en OM zicht hebben op de uitwerking van strafrechtelijke beslissingen in de praktijk: ‘Het moeilijke bij ons is: als het goed gaat, dan zien we ze niet meer terug. Ik zou weleens wat meer van de politie willen terug horen: die Jantje, waar is die eigenlijk gebleven?’ In zaken waarin de manier waarop door de politie is ingegrepen centraal staat, ervaren sommige rechters eveneens de beperkingen van hun perspectief:
‘De politie is bezig geweest om iemand onder controle te krijgen op straat en dan merken ze later dat dit strafmatigend heeft gewerkt of dat het ten laste gelegde verzet door de verdachte terzijde is geschoven. Maar je had er maar eens bij moeten zijn en ervaren hoe lastig het was. De praktijk vertaalt zich heel moeilijk naar gerechtelijke uitspraken. Het gevoel dat wij niet meemaken wat zij meemaken, dat herken ik wel. Feitelijk is het juist dat je niks afweet van hun werk[omstandigheden]. Je spreekt politiemensen weleens professioneel, functioneel op zitting. Maar buiten dat zijn er weinig contactmomenten.’
Het beeld van de rechtspraak als een ‘ivoren toren’ doemt op bij een citaat als dit. Uit de interviews met rechters blijkt echter ook, zoals eerder aangegeven, dat rechters zich wel bewust zijn van mogelijke beperkingen in hun perspectief en dat ze dat soms proberen te compenseren. Ook hebben rechters (met name leidinggevenden) contact met het OM om onderlinge ervaringen uit te wisselen, problemen te bespreken en soms ook de ontwikkelingen in de criminaliteit. Op basis daarvan werd bijvoorbeeld door een team van kinderrechters besloten in bepaalde gevallen standaard voorlopige hechtenis toe te passen.
Rechters zijn zelf kritisch over beperkingen in het perspectief van politiemensen en officieren van justitie. Zo bestaat onder geïnterviewde rechter-commissarissen het beeld dat verdachten van officieren van justitie vaak te weinig aandacht krijgen voorafgaand en tijdens de voorgeleiding. In hun optiek wordt de te maken afweging over voorlopige hechtenis van de verdachte grotendeels aan de rechters overgelaten en heeft de officier van justitie in deze gevallen een te beperkt beeld van de verdachte. Officieren zouden verdachten in de regel niet zelf zien en normaalgesproken niet bij de voorgeleiding van de verdachte aan de rechter-commissaris aanwezig zijn.4 De blik van de officier van justitie zou onder de geschetste omstandigheden beperkt blijven tot de strafbare feiten, terwijl rechters hier meer inzicht krijgen in ‘de persoon van de verdachte’ en zijn omstandigheden.
‘De officier ziet de verdachte niet. Ze sturen bij bepaalde personen wel de NIFP of reclassering op de verdachte af, om te kijken of deze wel detentiegeschikt is of naar een speciale afdeling van de gevangenis moet. Maar zij zitten niet met die persoon in gesprek. Ik heb daar ook weleens discussie over met een officier. Bij een voorgeleiding is het evenwicht vaak zoek vind ik. De officier praat via het dossier tot jou als rechter-commissaris. Er zit een advocaat bij, die op allerlei punten reageert op het dossier en er zit een verdachte die ook een verhaal heeft. En daarop komt geen weerwoord van een officier.’
Een andere rechter beschrijft dat verdachten voorafgaand aan een eventuele voorgeleiding bij de rechter-commissaris, in het verleden ook bij de officier van justitie werden voorgeleid5 en welke functie dit had. Op deze wijze kon volgens deze rechter de situatie van de verdachte in ogenschouw worden genomen door de officier.
‘Vroeger werden verdachten ook aan de officier voorgeleid. In mijn opleidingstijd was het heel gebruikelijk om als officier eerst zelf met verdachten te praten, voordat ze werden voorgeleid aan de rechter-commissaris. Dan kon je ook zelf kijken en het verhaal aanhoren. Soms kwam je dan tot de conclusie: Ik ga helemaal niet de bewaring vorderen, dat vind ik niet opportuun. De andere kant van het verhaal krijgen officieren niet meer te horen. Ze zijn bijna niet bij de voorgeleiding, tenzij het om een grote zaak gaat met grote belangen daarbij, dan komen ze wel om de zaak extra te bepleiten. Dat helpt ook, maar ze zijn er bijna nooit bij en hebben de verdachte ook nooit gezien. Het is allemaal papierwerk en contact met de politie. Soms denk ik: Ik zou gronden kunnen aannemen, maar ik vind het in dit geval niet opportuun. Het feit is te gering of weet ik veel wat, de persoonlijke omstandigheden. Dan laat ik hem gaan. Ik kan me voorstellen dat een officier [onder de huidige omstandigheden] misschien denkt: Wat is dit nou?’
Politieke en institutionele context
Rechters lijken op grotere afstand te staan van beleidsmatige en politieke keuzes dan politiemensen en officieren van justitie. Ze menen zelden verantwoordelijkheid te dragen voor crime control of voor het oplossen van maatschappelijke problemen. Echter, net als voor officieren van justitie vormen gemaakte politieke keuzes, onder meer leidend tot ‘aangescherpte wetgeving’ (vgl. Kelk, 2013; zie ook hoofdstuk 1) wel een belangrijk kader. Daarbij constateren rechters dat het strafrecht in het algemeen punitiever is geworden en meer strafbaarstellingen kent, waarbij de ontwikkelingen in straf- en strafprocesrecht in hun ogen de maatschappelijke opvattingen over de grenzen van het strafrecht weerspiegelen.
‘Er is een verruiming van wetgeving: ontnemingswetgeving is verruimd, terrorismewetgeving is erbij gekomen. Het is sterk op aanpakken gericht en minder op het recht als waarborg. Daarbij heb ik het gevoel dat het OM meer een afdoeningsmachine is geworden dan een organisatie op afstand, magistratelijk de politie sturend. Maar ook rechters passen gewoon de nieuwe wetten toe: de Wet beperking taakstraffen bijvoorbeeld en er worden hogere straffen opgelegd. De vraag is, is het crime control, maar het is wel harder geworden. Dat is een duidelijke tendens.’
Nadrukkelijk speelt de buitenwereld een rol in de manier waarop rechters hun blik op strafrechtelijke uitkomsten toelichten. Daarbij gaat het met name om nieuwe wetgeving en politieke keuzes, zoals hierboven al naar voren kwam, maar ook om de publieke opinie. Een rechter merkt op dat de strafmaxima tot stand komen via een democratisch proces: ‘Kamerleden gaan erover stemmen. Zij worden gevoed door achterban en samenleving. Dat is voor ons een gegeven. Of ik dat wenselijk vind, daar zit ik hier niet voor als rechter.’ Volgens rechters worden op basis van ‘signalen uit de samenleving’ (bijvoorbeeld in het verleden over kindermisbruik) de oriëntatiepunten voor specifieke delictsvormen bepaald. De rechtspraak werkt daarvoor met zogeheten ‘eenheidscommissies’. Een rechter:
‘De wetgever doet de maximum straffen omhoog. Dat betekent denk ik dat wij ook hogere straffen gaan opleggen. Daar wordt op gereageerd: de rechtspraak groeit ook mee. Het betekent ook vaker kunnen toepassen van de twaalfjaarsgrond [bij voorlopige hechtenis]. Als in de wetgeving de straffen omhooggaan, gaan de rechters in principe hoger straffen. Je moet reageren op wat in de maatschappij leeft en je gaat ervan uit dat wat er in de politiek leeft, ook verband houdt met wat er in de maatschappij leeft. Dat merk je. Voor bepaalde feiten zie je flink hogere straffen. (…) Je moet het zien als een weegschaal, waarbij één van de belastende factoren de maximumstraf, dus de ernst van het feit is.’
Anders dan officieren van justitie zien sommige rechters wantrouwen ten opzichte van de rechtspraak terug in ontwikkelingen in de wetgeving. Ook de toegankelijkheid van de rechtspraak is voor hen een zorgpunt. ‘De politiek moet eens ophouden met te roepen dat de rechter geschift is’, zegt een rechter, duidend op de beperkter wordende taak van de strafrechter ten gunste van het bestuurlijk sanctierecht. Daarnaast hebben rechters moeite met de OM-afdoening, die hun rol eveneens beperkt heeft: ‘Het gaat om eenvoudige zaken, maar toch vraag ik me af of de [OM-afdoening] bijdraagt aan een eerlijk proces. Veel burgers zijn geneigd om direct te betalen, terwijl ze het recht hebben op een onafhankelijk oordeel over het optreden van de staat.’
Veel rechters zijn kritisch over wetgeving die hun oordeelsruimte inperkt. Zij zien dat telkens als wantrouwen ten opzichte van de rechtspraak, hetgeen voor hen ook spreekt uit het regelmatig tijdens interviews aangehaalde wetsvoorstel over minimumstraffen dat eerder in het parlement is behandeld. Soms ook geeft men toe tegen wetgeving in te gaan of die te ‘omzeilen’ als de positie van de onafhankelijke rechter in de betekenis van het due process model in het geding is. Daarbij is overigens alleen het voorbeeld van het ‘taakstrafverbod’ (art. 22b Sr) gegeven. Een rechter:
‘Het primaat van het rechtspreken ligt niet altijd meer bij de rechter. Dat wordt beïnvloed door de politiek en dat vind ik vervelend. De hele discussie over minimumstraffen. Ik blijf vinden dat de rechter die vrijheid moet hebben. Ik vind het taakstrafverbod een gedrocht. Je merkt dat rechters daar onderuit proberen te komen. De scheiding der machten moet gehandhaafd blijven.’
Rechters zijn positief over de toegenomen rol voor het slachtoffer tijdens het strafproces. Een rechter spreekt zelfs de wens uit het strafproces ‘radicaal om te bouwen’ zodat ‘de opdracht die we hebben om vooral met de verdachte bezig te zijn’ meer naar de achtergrond gaat en slachtoffers een (nog) belangrijker positie krijgen. Meerdere rechters pleiten ervoor de betrokkenheid van de slachtoffers bij het strafproces te verhelderen, door daarin ‘een knip te maken’. Een uitvoerige behandeling van de vorderingen en verklaringen van slachtoffers wordt daarbij gewenst, maar pas na de vaststelling van de schuld van verdachte. In de huidige situatie heeft het slachtoffer al eerder spreekrecht.
Op organisatorische veranderingen binnen de rechtspraak wordt door rechters overwegend positief gereageerd (met name vanwege betere informatievoorziening), waarbij sommigen wel kritiek uiten vanwege werkdruk, de doorgevoerde centralisatie en een (gevoelsmatige) beperking van de onafhankelijke rol van de rechter.
‘De kwaliteit is door automatisering omhooggegaan. Je krijgt bijvoorbeeld alle jurisprudentie veel makkelijker toegankelijk. Nu krijg je elke week de nieuwste arresten op je bord. Maar de status van de rechter is lager geworden, het is langzamerhand ook gewoon een ambtenaar met een bestuur erboven. Je moet je blijven realiseren dat je niet een handtekeningenmachine bent, maar een eigen taak hebt in de samenleving. Dat is iets waar je voor moet blijven waken. Door schaalvergroting krijg je een organisatie waarvan je de collega's niet meer kent en waarin rechtsgelijkheid zo belangrijk zal worden dat je steeds meer regeltjes [oriëntatiepunten] moet maken om maar niet uit de pas te lopen. Dat gaat ten koste van de individuele beoordeling en daar moeten we alert op blijven.’
Opvallend is ook dat rechters problemen binnen de strafrechtspleging als gevolg van overheidsbeleid, grotendeels binnen het OM lokaliseren. Volgens meerdere rechters is de werkdruk binnen het OM zo hoog dat officieren gedwongen zijn ‘als een verlengstuk van de politie te fungeren, en niet als iemand met een onafhankelijke taak’. Ook merken rechters bijvoorbeeld op dat de ondersteuning van slachtoffers bij het opstellen van een ‘vordering benadeelde partij’ nogal eens tekort zou schieten:
‘Ik denk dat zowel bij OM als in de rechtspraak, uit de noodzaak tot bezuinigen, er een prikkel is om zaken meer bedrijfsmatig aan te pakken. Dat gaat ten koste van de aandacht die het strafrecht nodig heeft. Als ik kijk naar het OM, is de officier heel lang niet betrokken bij het voorproces in zaken; dan bedoel ik de kleine zaken. In de bulk van de zaken die we voorbij zien komen zijn ze in dat voortraject vrijwel niet betrokken geweest. Op zitting moeten ze het doen. Een dag of twee van tevoren kijken ze voor het eerst naar de zaak en dat betekent dat er geen fundamentele gedachten meer worden gevormd of handelingen worden verricht. Maar je ziet het ook bij ons: de druk om efficiënter recht te spreken, gaat ten koste van de tijd die je hebt voor zaken.’
‘Je zou verwachten dat het OM goed voor slachtoffers opkomt, maar dat gebeurt niet altijd. Ik merk op zitting dat geen contact is opgenomen met die partijen, terwijl de vordering [benadeelde partij] soms gewoon ondermaats is.’
Daarbij beschouwen rechters sommige OM-richtlijnen als het resultaat van ‘politieke druk’. Een rechter herkent hierdoor de bij de straftoemeting gebruikelijke juridische aspecten niet terug in de strafeisen van officieren van justitie.
‘Ik denk dat sprake is van politieke druk. Handen af van onze hulpverleners, handen af van de politie, het zijn mantra’s bijna. Het lijkt af en toe wel wanneer er geweld wordt gebruikt tegen de politie, als voorbeeld, dat alles wordt losgelaten: aanpakken en in de gevangenis ermee. Terwijl de normale noties waar je rekening mee houdt in strafzaken, overboord gaan. (…) Ze krijgen steeds meer richtlijnen en daar houden ze zich aan. Met name de jonge officieren, die durven daar echt niet van af te wijken. Een bijzonder geval? Nee, de richtlijn volgen. Daardoor krijg je steeds een grotere kloof tussen de richtlijn en de opgelegde straf.’
Nieuwe wetgeving en juridische ontwikkelingen worden door zowel officieren van justitie als door rechters kritisch beschouwd. De omstandigheden waaronder rechters werken lijken daarbij minder sterk door politieke en institutionele factoren te worden beïnvloed dan bij officieren van justitie het geval is. Toch is de tamelijk ondergeschikte houding die rechters aannemen ten opzichte van de grote veranderingen die zich hebben voltrokken opvallend. Rechters werken met ‘aangescherpte wetgeving’, hogere strafmaxima, veranderende oriëntatiepunten en lijken zich daar in het algemeen bij aan te sluiten. Het is niet zo dat rechters vanuit hun eigen perspectief op het strafrecht duidelijke opvattingen hebben over hoe te reageren op het rechtspolitieke klimaat.
Uit bovenstaande blijkt dat rechters in het algemeen erkennen door hun werksituatie op grotere afstand te staan van gepleegde strafbare feiten dan politiemensen en officieren van justitie. Emoties en informatie die naar voren kunnen komen bij de opsporing, blijven grotendeels buiten hun blikveld. Wel wordt door rechters soms geprobeerd, bijvoorbeeld via onderzoek ter zitting, deze achterstand op politie en OM goed te maken.
Op een aantal punten ervaren rechters een verschil in perspectief met officieren van justitie. Hun rol als eindverantwoordelijke lijkt van invloed op de manier waarop ze hun aandacht verdelen. Het willen voorkomen van fouten is bepalend voor hun perspectief op bewijsbeoordeling en tevens voor de manier waarop ze naar de rol van de strafrechtelijke sanctie kijken. Mogelijke negatieve neveneffecten van strafrechtelijk optreden krijgen veel gewicht. Ook heeft de rechter uiteindelijk veel invloed op de toekomst van de verdachte en zijn rol dient zich, zo menen rechters, uitdrukkelijk tot de individuele zaak te beperken. Deze is aan hem voorgelegd en de verdachte – over wie onafhankelijk, zorgvuldig en afgewogen een ingrijpende beslissing genomen moet worden – staat centraal.
Het strafrecht heeft voor rechters meestal vooral een rechtsbeschermende functie en legt de nadruk bij ‘positieve gedragsbeïnvloeding’. Ze lijken daardoor in hun opvattingen over de strafrechtspleging verder van politiemensen af te staan dan officieren van justitie. Toch is die afstand niet voor alle rechters hetzelfde; ook onder hen komen opvattingen voor die passen bij de begrippen ‘instrumentaliteit’ en ‘harde aanpak’ (zie hoofdstukken 6 en 7). Op sommige punten komen binnen de onderzochte groepen dezelfde opvattingen naar voren. Hiervoor worden verklaringen gegeven in de volgende paragraaf.