Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.5
4.5 Voorwaardelijkheid van de overdracht
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS397344:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Mezas 1985, p. 3, voetnoot 10, Faber 1997, p. 210 e.v, Van Swaaij 2000, p. 131 en p. 136-139, Asser/ Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 220, Faber 2007, p. 38 e.v., Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 239, Hijma & Olthof 2014, p. 96 (die deze mogelijkheid naast de mogelijkheid van een voorwaardelijke levering of voorwaardelijke titel noemen), Rongen 2014, p. 304, Van der Wiel & Houdijk 2016, p. 201 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 522. In deze richting ook Fesevur 2005, p. 239-240, hoewel hij ook lijkt aan te nemen dat de voorwaarde aan de goederenrechtelijke overeenkomst is verbonden. 67 Verstijlen 2007, p. 825, Struycken 2007, p. 552, voetnoot 209 en Stolz 2015, p. 995-996.
Verstijlen 2007, p. 825, Struycken 2007, p. 552, voetnoot 209 en Stolz 2015, p. 995-996.
Vgl. ook Stolz 2015, p. 947 en p. 994.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 240. In die richting ook Van der Wiel & Houdijk 2016, p. 202.
Zo ook Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 223: ‘Uitgangspunt is hier dus dat sprake is van een onvoorwaardelijke verbintenis tot het verschaffen van een recht onder opschortende voorwaarde.’ Vgl. ook Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 489.
Daarmee doet deze constructie sterk denken aan het betoog van Wiarda 1937, p. 115 e.v. volgens wie de constructie van de ‘overdracht onder opschortende voorwaarde van eigendom’ en de ‘overdracht van eigendom onder opschortende voorwaarde’ inwisselbare figuren zouden zijn. Zie daarover nog hierna in hoofdstuk 8, paragraaf 8.2.5.
Vgl. Serick 1993, p. 62-63: ‘Die Bedingung verändert die der Übereignungserklärung an sich zukommende Wirkung; sie beschränkt oder ändert jedoch nicht das Eigentum, auf das sich die Willenserklärung bezieht.’
Zie over deze doorwerking Reehuis 2010, nr. 46 en nr. 93.
Vgl. Scheltema 2003, p. 313-314 en p. 321 en t.a.v. de verbintenis onder ontbindende voorwaarde op p. 323: ‘Het is zelfs aannemelijk dat art. 3:84 lid 4 BW slechts van toepassing is als de tot overdracht strekkende verbintenis van de ontbindende voorwaarde afhankelijk is.’
Vgl. Klang/Beclin 2011, § 897 ABGB, Rn. 53: ‘Der Verkäufer überträgt daher nicht “bedingtes Eigentum”, sondern erst unter der Bedingung Eigentum.’
Zie sterk in die richting bijv. Rongen 2014, p. 304-305.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.5.
Zie bijv. Faber 2007, p. 39: ‘Hooguit kan men stellen dat de opschortende voorwaarde waaronder de overdracht geschiedt, in de titel en in de levering besloten ligt. Feit blijft immers dat de titel en de levering beide betrekking hebben op een voorwaardelijke overdracht.’ Zie ook Fesveur 2005, p. 240: ‘We moeten dus vaststellen dat de titel (…) in die zin een beperkte strekking heeft, dat hetgeen partijen door haar beogen te bereiken in eerste instantie slechts het effect zal hebben van een voorwaardelijke eigendomsverkrijging door de koper. (…) Op de verkoper rust een onvoorwaardelijke verbintenis tot een voorwaardelijke overdracht.’ Zie ook Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 489: ‘In dit geval is dus de verbintenis een onvoorwaardelijke met als inhoud dat de vervreemder een voorwaardelijke overdracht zal bewerkstelligen.’
Rongen 2014, p. 305.
Zie ook Scheltema 2003, p. 314 en Scheltema 2013, p. 161.
Letzgus 1938, p. 18 en Stadler 1996, p. 296, voetnoot 57.
Tot slot wordt een derde variant verdedigd, waarbij sprake is van een onvoorwaardelijke levering ter uitvoering van een onvoorwaardelijke verbintenis die strekt tot overdracht onder opschortende voorwaarde.1 In deze visie vloeit de voorwaardelijkheid niet zozeer voort uit de omstandigheid dat de voorwaarde is verbonden aan een van de overdrachtsvereisten, maar is de verplichting van de verkoper slechts gericht op voorwaardelijke overdracht.
In deze constructie wordt niet erg duidelijk waarop de voorwaardelijkheid van de overdracht is gebaseerd. Het lijkt erop – maar het blijft enigszins gissen – dat deze auteurs menen dat de opschortende voorwaarde niet zozeer verbonden is aan de verbintenis die de titel tot overdracht vormt, maar dat de voorwaardelijkheid besloten ligt in de inhoud van de verbintenis, doordat de partijbedoeling slechts gericht is op een overdracht onder opschortende voorwaarde. Moeizaam aan een dergelijke benadering is evenwel dat een overdracht in de zin van artikel 3:84 lid 1 BW een resultante vormt van de drie vereisten van overdracht, zodat zich niet goed laat verklaren op welke wijzen de overdracht een voorwaardelijk karakter zou kunnen hebben, als tegelijkertijd alle vereisten voor overdracht een onvoorwaardelijk karakter hebben.2
Door een aantal auteurs lijkt de verklaring hiervoor te worden gezocht in de omstandigheid dat de voorwaarde betrekking heeft op het object van overdracht.3 Zo schrijven Bartels en Van Mierlo:
‘Men kan uit hetgeen in art. 3:84 lid 4 BW is bepaald afleiden, dat iemand die een onvoorwaardelijk recht heeft op een goed, zijn recht in deze zin kan overdragen dat de verkrijger een recht verkrijgt dat aan een ontbindende voorwaarde is onderworpen. Vooropgesteld moet worden dat eigendom en beperkte goederenrechtelijke rechten in beginsel onvoorwaardelijk zijn. Dit uitgangspunt zou eraan in de weg kunnen staan te aanvaarden dat de verkrijger een recht onder ontbindende voorwaarde kan worden verschaft. Men kan eigendom immers niet beperken op een wijze die de wet niet kent. Evenmin kan men buiten de in de wet genoemde gevallen beperkte rechten scheppen. De wet houdt echter in art. 3:84 lid 4 BW met zo veel woorden in, dat men een verkrijger een recht kan verschaffen dat aan een ontbindende voorwaarde is onderworpen.’4
De voorwaarde lijkt hier te worden betrokken op het recht zelf dat wordt overgedragen.5 Aldus is niet zozeer sprake van een overdracht onder opschortende voorwaarde van de eigendom van de zaak, maar van een overdracht van de ‘eigendom onder opschortende voorwaarde’.6 Problematisch aan deze benadering is evenwel dat niet goed valt in te zien op welke wijze partijen de voorwaarde aan het eigendomsrecht zouden kunnen verbinden. Het Nederlandse recht biedt partijen de mogelijkheid om voorwaarden te verbinden aan rechtshandelingen of aan verbintenissen, maar niet de mogelijkheid om voorwaarden te verbinden aan (eigendomsrechten van) zaken die worden overgedragen.7 Bartels en Van Mierlo lijken deze mogelijkheid te baseren op artikel 3:84 lid 4 BW, omdat de bepaling uitdrukkelijk erkent dat de voorwaarde aan een eigendomsrecht kan worden verbonden.8 In dat artikel wordt inderdaad de mogelijkheid genoemd dat een recht wordt verkregen dat aan een voorwaarde is onderworpen (i.e. een voorwaardelijk eigendomsrecht). Maar blijkens de tekst van een bepaling wordt een zodanig rechtsgevolg bereikt doordat geleverd wordt ter uitvoering van de voorwaardelijke verbintenis. Het is aldus de doorwerking van de voorwaardelijkheid van de verbintenis in de rechtsgevolgen van de overdracht, die bewerkstelligt dat het verkregen recht afhankelijk wordt van de voorwaarde.9 Of anders gezegd: uit artikel 3:84 lid 4 BW moet veeleer worden afgeleid dat het voor de verkrijging van een eigendomsrecht onder voorwaarde noodzakelijk is dat de aan de overdracht ten grondslag liggende verbintenis voorwaardelijk is, omdat slechts zo kan worden bewerkstelligd dat de voorwaarde doorwerkt in de rechtsgevolgen van de overdracht.10
Deze benadering gaat bovendien voorbij aan het feit dat de partijbedoeling, ondanks het eigendomsvoorbehoud, gericht blijft op overdracht van de zaak en niet slechts op voorwaardelijke overdracht of overdracht van voorwaardelijke eigendom.11 Daarmee doet deze benadering enigszins denken aan het in Duitsland en Oostenrijk wel gehuldigde standpunt dat de verkoper in geval van een eigendomsvoorbehoud, niet tot verschaffing van de (onvoorwaardelijke) eigendom, maar slechts tot de verschaffing van voorwaardelijke eigendom verplicht zou zijn.12 Deze opvatting komt uitgebreider in het volgende hoofdstuk aan de orde,13 maar op deze plaats past alvast de opmerking dat zij niet strookt met het doel van de koopovereenkomst, in het bijzonder artikel 7:9 lid 1 BW, op grond waarvan de verkoper verplicht is tot eigendomsoverdracht. Wanneer partijen een eigendomsvoorbehoud overeenkomen, wijken zij niet af van deze verplichting – daargelaten dat dit bij een consumentenkoop niet eens mogelijk zou zijn (art. 7:6 BW) – maar brengen zij slechts een wijziging aan in de wijze waarop dit resultaat wordt bereikt. Dat blijkt ook uit de functie van het eigendomsvoorbehoud als opschortingsrecht. Doordat partijen de verplichting tot eigendomsverschaffing modelleren door middel van de voorwaarde, wordt bewerkstelligd dat de verkoper zijn verplichting tot eigendomsverschaffing pas nakomt indien de koper de verschuldigde prestatie voldoet. Uit het feit dat partijen juist vasthouden aan dit uitgangspunt van ‘gelijk oversteken’ blijkt dat de verkoper zijn verplichtingen nog niet geheel nakomt, maar integendeel gedeeltelijk afhankelijk maakt van de voldoening van de verschuldigde prestatie door de koper. Nog altijd is de partijbedoeling gericht op overdracht van de eigendom van de zaak.
In feite herleiden de auteurs die deze constructie verdedigen de voorwaardelijkheid uiteindelijk meer of minder expliciet wel degelijk tot een van de overdrachtsvereisten, namelijk de titel die aan de overdracht ten grondslag ligt. Aangenomen wordt namelijk dat de titel tot overdracht slechts strekt tot een voorwaardelijke overdracht, zodat de voorwaardelijkheid toch volgt uit de titel.14 Zo merkt Rongen op dat de titel bij de overdracht onder voorwaarde ‘in die zin voorwaardelijk is, dat partijen daarmee een voorwaardelijke overdracht beogen.’15 Per saldo schuurt deze constructie daarmee sterk aan tegen de hier verdedigde visie.16 Of men de verbintenis aldus typeert dat zij strekt tot voorwaardelijke overdracht, of als een verbintenis onder opschortende voorwaarde, die echter in zoverre al onvoorwaardelijke elementen heeft dat zij terstond verplicht tot het tot stand brengen van een voorwaardelijke overdracht, lijkt vooral een kwestie van semantiek. In beide visies komt tot uitdrukking dat de titel is samengesteld uit voorwaardelijke en onvoorwaardelijke elementen.
Uiteindelijk geef ik er, gelet op de hiervoor genoemde argumenten, de voorkeur aan te spreken van een verbintenis onder opschortende voorwaarde. Tegen de hier bestreden constructie pleit bovendien dat zich in de visie dat sprake is van een onvoorwaardelijke levering ter uitvoering van een onvoorwaardelijke verbintenis die strekt tot voorwaardelijke overdracht niet goed laat verklaren op welke wijze de uiteindelijke overgang van de onvoorwaardelijke eigendom op de koper door de titel wordt gerechtvaardigd, als de titel slechts strekt tot overdracht onder voorwaarde. Sterker nog, wanneer men zou aannemen dat de verkoper slechts verplicht is tot overdracht onder voorwaarde of tot overdracht van voorwaardelijke eigendom, zou men zelfs kunnen stellen dat de uiteindelijke onvoorwaardelijke eigendomsverkrijging door de koper zonder rechtsgrond – en derhalve onverschuldigd – plaatsvindt.17