Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.3.1
2.3.1 Het karakter van de Btw-richtlijn(en)
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS494538:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Anders dan een richtlijn heeft een verordening wel rechtstreekse werking. Een verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat (art. 288 VWEU). Dit geldt dus ook voor de Btw-verordening (zie ook de laatste alinea van de Btw-verordening). Indien komt vast te staan dat de nationale wet in strijd is met de verordening, dan is deze laatste van toepassing. Zij kan dan ook door de nationale autoriteiten jegens de belastingplichtige worden ingeroepen.
Zie onder meer HvJ 4 oktober 2012, nr. C-550/11, V-N 2012/54.14 (PIGI), r.o. 32-33.
Art. 90 en art. 185 Btw-richtlijn kennen immers beide een ‘kan’-bepaling. Zie uitvoerig paragrafen 3.3.6.2 en 5.3.5.
Art. 288 VWEU bepaalt dat een richtlijn voor elke lidstaat1 verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat. Om dat resultaat te bereiken dienen de nationale instanties zelf maatregelen (vorm en middelen) te treffen in hun nationale rechtsorde. Willen bepalingen van een richtlijn dus volle werking hebben, dan moeten zij door een lidstaat zijn omgezet in nationale wetgeving: zij werken niet automatisch en rechtstreeks door in de nationale rechtsorde van een lidstaat.2 Lidstaten zijn verplicht om alle maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van de betreffende richtlijn (art. 291 lid 1 VWEU). Hierbij hoeft een lidstaat zich niet aan de letterlijke tekst van de richtlijn te houden. Lidstaten mogen in hun interne belastingwetgeving bewoordingen hanteren die niet identiek zijn aan die welke in een richtlijn worden gebruikt, mits zij maar overeenstemmen met de door de richtlijn nagestreefde doelstelling. Lidstaten kunnen derhalve kiezen voor de wetgevingstechniek die hun het meest geschikt lijkt.3
Hierna ga ik nader in op een aantal aspecten die bij de tenuitvoerlegging van een richtlijn (in het bijzonder de Btw-richtlijn) een rol spelen. Achtereenvolgens ga ik in op het uitgangspunt van richtlijnconforme interpretatie (paragraaf 2.3.1.1), het karakter van zogenoemde ‘kan’-bepalingen (paragraaf 2.3.1.2)4 en het concept van rechtstreekse werking (paragraaf 2.3.1.3)5. Deze elementen zijn relevant voor dit onderzoek, omdat art. 90 en art. 185 Btw-richtlijn beide een ‘kan’-bepaling kennen, op grond waarvan lidstaten kunnen afwijken van het uitgangspunt dat bij niet-betaling een btw-correctie moet worden gemaakt. Daarnaast is het met name voor de vraag hoe art. 29 Wet OB 1968 zich verhoudt tot de hiervoor bedoelde bepalingen, relevant nota te nemen van het uitgangspunt dat nationale bepalingen zoveel mogelijk overeenkomstig de Btw-richtlijn moeten worden uitgelegd en te bezien onder welke omstandigheden een belastingplichtige bij eventuele strijdigheid tussen het nationale recht en het Unierecht een rechtstreeks beroep kan doen op het Unierecht. Ik sluit af met paragraaf 2.3.1.4.
2.3.1.1 Richtlijnconforme interpretatie2.3.1.2 ‘Kan’-bepalingen2.3.1.3 Rechtstreekse werking2.3.1.4 Slotsom