Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/9.10.1.d
9.10.1.d Beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250348:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
E.C.A. Nass 2019, p. 183.
Van der Kraan 2012, p. 162 en Holtman 2019, p. 164. Zie Verbrugh 2006, p. 55, waar hij betoogt dat de moedermaatschappij haar overblijvende aansprakelijkheid kan beëindigen met betrekking tot het vermogen dat bij de afsplitsing is overgegaan op een verkrijgende rechtspersoon buiten de groep. Vgl. echter Verbrugh 2007, p. 271, waar hij opmerkt dat dit naar de letter van de wet niet mogelijk is.
Van der Kraan 2012, p. 162.
Zie § 9.9.1.e.
Zie § 9.4.1.
Zie art. 2:404 lid 3 sub b en c BW. Zie ook § 8.5.
Zie § 8.5.3.
Als de moedermaatschappij de 403-verklaring na de afsplitsing van vermogen van de 403-maatschappij intrekt, kan zij onder voorwaarden de overblijvende aansprakelijkheid beëindigen. Daarbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid van de moedermaatschappij met betrekking tot het vermogen dat bij de afsplitsing bij de 403-maatschappij is achtergebleven en het vermogen dat onder algemene titel is overgegaan op de verkrijgende rechtspersoon.
Dat de moedermaatschappij haar overblijvende aansprakelijkheid met betrekking tot het gedeelte van het vermogen dat bij de afsplitsing bij de 403-maatschappij is achtergebleven niet kan beëindigen, staat buiten kijf. Er wordt in dat geval niet voldaan aan de voorwaarde ex art. 2:404 lid 3 sub a BW dat de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij is verbroken.1
Wat betreft de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid van de moedermaatschappij met betrekking tot het gedeelte van het vermogen dat bij de afsplitsing van de 403-maatschappij is overgegaan op de verkrijgende rechtspersoon, moet er opnieuw een onderscheid worden gemaakt of de verkrijgende rechtspersoon al of niet een groepsmaatschappij is van de moeder- en de 403-maatschappij. In het geval dat de verkrijgende rechtspersoon tot de groep van de moeder- en de 403-maatschappij behoort, kan er geen twijfel over bestaan dat de moedermaatschappij de overblijvende aansprakelijkheid niet kan beëindigen. Ook in dat geval is niet voldaan aan het vereiste ex art. 2:404 lid 3 sub a BW dat de groepsband is verbroken.
Als de verkrijgende rechtspersoon daarentegen niet tot de groep van de moeder- en de 403-maatschappij behoort, kan de moedermaatschappij haar overblijvende aansprakelijkheid met betrekking tot het vermogen dat op deze rechtspersoon is overgegaan wel beëindigen.2 Evenals Van der Kraan ben ik van mening dat het feit dat de 403-maatschappij van wie het vermogen is afgesplitst, nog steeds tot dezelfde groep behoort als de moedermaatschappij daar niet aan in de weg staat.3 Een vergelijkbare situatie doet zich voor als de 403-maatschappij zuiver splitst en een deel van het vermogen onder algemene titel is overgegaan op een groepsmaatschappij en het overige deel op een verkrijgende rechtspersoon buiten de groep.4 Ten aanzien van die situatie heb ik eerder opgemerkt dat een moedermaatschappij op grond van art. 2:404 lid 3 BW het deel van haar overblijvende aansprakelijkheid kan beëindigen dat betrekking heeft op het vermogen dat bij de splitsing is overgegaan op de verkrijgende rechtspersoon buiten de groep. De rest van de overblijvende aansprakelijkheid van de moedermaatschappij blijft dan bestaan.
Indien de moedermaatschappij niet haar overblijvende aansprakelijkheid zou kunnen beëindigen met betrekking tot het vermogen dat bij de afsplitsing van de 403-maatschappij onder algemene titel is overgegaan op de verkrijgende rechtspersoon buiten de groep, zou dat mijns inziens in strijd zijn met de bedoeling van de regeling van de beëindiging. De verkrijgende rechtspersoon behoort niet tot de groep van de moedermaatschappij, maar zijn handelingen kunnen wel nog tot aansprakelijkheid leiden voor de moedermaatschappij op grond van de ingetrokken 403-verklaring.5 De moedermaatschappij zou onnodig risico lopen als zij deze aansprakelijkheid niet zou kunnen beëindigen.
Als de moedermaatschappij een deel van haar overblijvende aansprakelijkheid wil beëindigen, is het voor haar belangrijk dat zij in de te deponeren mededeling van dit voornemen en de aankondiging in een landelijk verspreid dagblad dat en waar deze mededeling ter inzage ligt, duidelijk uiteenzet ten aanzien van welke crediteuren zij haar aansprakelijkheid wil beëindigen.6 De moedermaatschappij kan hiervoor verwijzen naar de beschrijving bij het splitsingsvoorstel van de 403-maatschappij, waarin is opgenomen welke vermogensbestanddelen op de verkrijgende rechtspersoon zijn overgegaan.7 Als een crediteur op basis van de informatie in de gedeponeerde mededeling en de aankondiging daarvan in een landelijk verspreid dagblad redelijkerwijs niet heeft kunnen opmaken dat zijn vordering op de moedermaatschappij zou komen te vervallen, is het beroep van de moedermaatschappij op de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid tegenover deze crediteur naar mijn mening onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.8
Ik wijs er tot slot nog op dat als de moedermaatschappij na de afsplitsing van vermogen van de 403-maatschappij haar overblijvende aansprakelijkheid wil beëindigen met betrekking tot het vermogen dat is overgegaan op de verkrijgende rechtspersoon buiten de groep, zij de 403-verklaring moet hebben ingetrokken. Als de 403-maatschappij gebruik wil blijven maken van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime, moet de moedermaatschappij ten aanzien van haar een nieuwe 403-verklaring deponeren.