Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.5.2
2.5.2 De betekenis van de strekking van de norm en de relativiteitsleer
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS585116:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Van Gelein Vitringa 1919, p. 29.
Vgl. hierover ook Van Dam 1989, nr. 73.
In § 823 lid 1 BGB was overigens de schadevergoedingsverplichting in het geval van een inbreuk op een recht van een ander beperkt tot de schade van de rechthebbende. Vermeldenswaard is ook dat het Reichsgericht in 1891, en dus al vóór de inwerkingtreding van het BGB in 1900 en ook vóór de totstandkoming van het tweede ontwerp in 1895 waarin § 823 lid 2 in de uiteindelijke vorm was opgenomen, deze gedachte toepast om aansprakelijkheid in het geval van tekortschieten in een overeengekomen verplichting te begrenzen; zie nader nr. 379.
Van Gelein Vitringa 1919, p. 29. Waar volgens de bewoordingen van § 823 lid 2 BGB de vraag is of een bepaalde persoon door een wetsbepaling beschermd wordt, spitste Van Gelein Vitringa dit nog verder toe door zijn voorbehoud te laten zien op het belang waaraan de schade is toegebracht.
Van Gelein Vitringa 1919, p. 33. Vgl. ook p. 31 “De schade vloeit voort alleen uit de concurrentie [toegebracht door onbevoegde uitoefening van de geneeskunst] en zou allicht even groot zijn, indien ook de concurrent bevoegd was tot uitoefenen der geneeskunst” en p. 34 “Ook hier [in het geval van versperring van de openbare weg] is het onrecht het handelen zonder verlof der overheid, welk element echter tot de schade, die de versperring veroorzaakt, toe- noch afdoet.”
Van Gelein Vitringa 1919, p. 31. Zie Van Gelein Vitringa 1919, p. 37.
Ook Den Hollander 2016, p. 49 wijst erop dat Van Gelein Vitringa het strekkingsvoorbehoud nog niet in het onrechtmatigheidsvereiste inbedde; ten onrechte meent Den Hollander echter dat Van Gelein Vitringa überhaupt niet duidelijk maakte hoe het strekkingsvoorbehoud in art. 1401 (oud) BW ingepast diende te worden.
Van Maanen 2013, p. 156 schrijft dat uit door hem verricht archiefonderzoek blijkt dat de concepten van dit arrest van de hand van Van Gelein Vitringa zijn.
In deze casus blijkt dat voor de vraag of causaal verband bestaat van belang is wat men als de onrechtmatige daad ziet: het besluit waaraan een totstandkomingsgebrek kleefde, of het niet ter inzage leggen van het ontwerpbesluit. Het besluit als geheel is wel causaal voor de schade, het niet ter inzage leggen van het ontwerp is dat niet. Deze problematiek behandel ik nader in hoofdstuk 6.
De Hoge Raad geeft daarbij een voor mij tamelijk duistere motivering. Op deze opvatting is de Hoge Raad inmiddels in diverse arresten teruggekomen, zie nader nr. 293.
Het relatief maken van de onrechtmatige daad aan de hand van de strekking van de geschonden norm was overigens niet nieuw; in ieder geval Ehrenzweig had dit verband in zijn in 1920 gepubliceerde System des österreichischen allgemeinen Privatrechts (p. 45) ook al gelegd.
61. Van Gelein Vitringa gaf in 1919 een eerste aanzet voor de analyse van het probleem dat zich in de in nr. 60 besproken casus voordoet:
“Elk wettelijk voorschrift beoogt de bescherming van zekere belangen, maar vaak werkt het daarenboven in op verschillende belangen van geheel andere aard.”1
De wetgever kan een gedraging verbieden omdat die gedraging soms, vaak of altijd tot bepaalde schade leidt. Mogelijk is echter dat diezelfde gedraging tot schade leidt die de wetgever niet beoogde te voorkomen en waarvan, bovendien, het toebrengen in het algemeen acceptabel geacht wordt. Men zou kunnen zeggen dat het verbieden van een gedraging om een bepaalde reden, aldus als bijproduct heeft dat ook andere schade onrechtmatig kan worden toegebracht; het verbod werkt “daarenboven in op verschillende belangen van geheel andere aard”.2
Uitgaande van deze analyse dringt de oplossing zich vrijwel dadelijk op. Van Gelein Vitringa liet zich bovendien inspireren door het Duitse Bürgerliches Gesetzbuch. Op grond van § 823 lid 2 BGB was degene “welcher gegen ein den Schutz eines anderen bezweckendes Gesetz verstößt” gehouden om aan die ander zijn daaruit ontstane schade te vergoeden. Niet eenieder had volgens deze bepaling aanspraak op schadevergoeding ingeval van schending van de wet; alleen degenen die door de wet beschermd werden.3 Van Gelein Vitringa kwam zo tot de opvatting:
“Stellig moet dit voorbehoud worden gemaakt, dat het belang, waaraan de schade is toegebracht, tevens is het belang, tot bescherming waarvan het overtreden rechtsvoorschrift strekt.”4
Dit te maken voorbehoud liet zich echter niet eenvoudig in art. 1401 (oud) BW lezen. Van Gelein Vitringa kwam aldus voor de moeilijkheid te staan in welk vereiste dit voorbehoud ingebed kon worden. De oplossing vond hij vooral in de toets voor het causale verband (op dezelfde wijze als bij de in § 2.5.5 te bespreken leer van Demogue-Besier):
Na te constateren dat met de Hinderwet niet beoogd is te beschermen tegen schade die ontstaat als een inrichting aan alle redelijk eisen voldoet, betoogde Van Gelein Vitringa dat een verzuim om een vergunning voor die inrichting aan te vragen, die niet geweigerd had kunnen worden indien zij zou zijn aangevraagd, niet leidt tot een verplichting tot schadevergoeding. “De oplossing ligt, meen ik, hierin, dat (…) welbeschouwd, elk verband ontbreekt tusschen de onrechtmatigheid der handeling en de schade, die zij veroorzaakt. Niet het oprichten van een fabriek is onrechtmatig, maar dat doen zonder vergunning der overheid. Op het ontstaan en omvang der schade echter heeft het al of niet ontbreken der vergunning niet den minsten invloed.”5
Hoe het voorbehoud waarin de strekking van de geschonden norm een belangrijke rol speelt en deze causale constructie in het algemeen met elkaar samenhangen, verklaarde Van Gelein Vitringa niet. Een enkele keer zocht Van Gelein Vitringa in zijn publicatie overigens de oplossing in het door art. 1401 (oud) BW gestelde vereiste van de schuld aan de schade (zie over dat vereiste nader § 2.5.4):
“Het artikel [1401 (oud) BW] spreekt van schade, veroorzaakt door schuld. Den dader moet het verwijt treffen, dat hij schade toebrengt. Nu kan men hem, die onbevoegd de geneeskunst uitoefent, misschien veel verwijten en zeker, dat hij een wettelijk verbod ter bescherming van de volksgezondheid overtreedt, maar men kan, naar ons recht moeilijk hem er een grief van maken, dat hij zijn gestudeerden collega het brood uit den mond stoot.”6
Indien dus met de norm niet beoogd is een bepaald belang te beschermen, kan men de laedens, ondanks dat zijn onrechtmatige daad leidde tot schade aan dat belang, niet verwijten die schade te hebben veroorzaakt. Van Gelein Vitringa relativeerde dus niet de onrechtmatigheid, maar bracht zijn strekkingsvoorbehoud tot uitdrukking via andere door art. 1401 (oud) BW gestelde vereisten.7
62. In De Marchant et d’Ansembourg/Staat8 aanvaardde de Hoge Raad – met Van Gelein Vitringa als meewijzende raadsheer9 – het strekkingsvoorbehoud. Ook de Hoge Raad werd daarbij voor de moeilijkheid geplaatst hoe dit voorbehoud in art. 1401 (oud) BW diende te worden ingebed. Opvallend is dat het hof in deze zaak, zoals eerder door Van Gelein Vitringa bepleit, een causale constructie had gekozen.
In deze zaak had de Staat een besluit genomen waarvan het ontwerp niet eerst, zoals door art. 12 Onteigeningwet werd verlangd, ter inzage was gelegd. Het besluit was daarom onrechtmatig. Zou het besluit niet zijn genomen dan zou, zo voerde De Marchant et d’Ansembourg aan, zijn schade niet zijn ontstaan. Het hof oordeelde echter dat als het ontwerpbesluit wel ter inzage zou zijn gelegd, het besluit evengoed zou zijn genomen en de beweerde schade dan evengoed zou zijn ontstaan. Om die reden ontbrak naar zijn oordeel het vereiste causale verband. “[H]et onrechtmatig element [het niet ter inzage leggen van het ontwerpbesluit] brengt”, in de woorden van Van Gelein Vitringa, “de schade niet toe”.10
De Hoge Raad oordeelde dat het hof op een verkeerde wijze had getoetst of het causale verband aanwezig is,11 maar de Staat evengoed niet aansprakelijk was omdat de strekking van de geschonden norm niet is De Marchant et d’Ansembourg te beschermen tegen de schade zoals door hem geleden. Om die reden zag De Marchant et d’Ansembourg naar het oordeel van de Hoge Raad in de schending van de norm “ten onrechte (…) een onrechtmatige daad in den zin van art. 1401 B. W.”. De onrechtmatigheid komt in deze benadering dus te ontbreken waar de geschonden norm niet strekt tot bescherming van het belang waarin de schade is geleden.
Deze constructie bleek al spoedig te grof omdat de Hoge Raad geconfronteerd werd met casus waarin duidelijk was dat naast de claimende gelaedeerde, die niet door de norm werd beschermd, een ander nog wel aanspraak kon hebben op vergoeding van door de normschendende gedraging geleden schade. Het geheel ontkennen van de onrechtmatigheid van die gedraging is dan niet meer mogelijk: dan zou immers ook geen grond meer bestaan voor de aanspraak op schadevergoeding van die ander. De Hoge Raad nuanceerde kennelijk daarom de dogmatische inbedding van het strekkingsvoorbehoud: in plaats van de onrechtmatigheid van de gedraging geheel te ontkennen in het geval de geschonden norm niet strekt tot bescherming van de gelaedeerde en zijn schade, oordeelde de Hoge Raad dat in zo’n geval niet onrechtmatig “tegenover”12 of “jegens”13 de gelaedeerde is gehandeld. De relatieve onrechtmatige daad, die bestond in een gedraging in strijd met een wettelijke plicht, ontstond op die manier.14 De Hoge Raad oordeelde vervolgens dat ook de rechtsinbreuk slechts relatieve werking had15 en dat hetzelfde gold voor normen van ongeschreven recht.16 In § 2.6.3 zullen we zien dat het driemanschap dat het ontwerp voor boek 6 BW ontwierp, inzag dat deze jegens-constructie ook nog te grof was en daarom voor het strekkingsvoorbehoud een bijzondere bepaling ontwierp.