Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/6.6.1
6.6.1 Wet wijziging WW-stelsel in 2006 (a-grond): verwijtbare werkloosheid en ‘dringende reden’
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258968:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Driessen, ‘Het arbeidsrecht in 50 uitspraken’, annotatie bij CRvB 24 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1576, p. 313.
Artikel 7:678 lid 2 BW bepaalt dat dringende redenen onder andere aanwezig geacht kunnen worden in de volgende situaties.
- 1.
Opzettelijk valse getuigschriften of valse inlichtingen geven over de wijze waarop de vorige
arbeidsovereenkomst is geëindigd;
- 2.
In ernstige mate missen van bekwaamheid of geschiktheid voor het werk;
- 3.
Zich ondanks waarschuwing overgeven aan dronkenschap of ander liederlijk gedrag;
- 4.
Diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven die zien op het vertrouwen van de
werkgever;
- 5.
Mishandeling, bedreiging of grove belediging van de werkgever, diens familieleden of
huisgenoten;
- 6.
Verleiding van de werkgever, diens familieleden of huisgenoten tot handeling strijdig met
de wetten of goede zeden;
- 7.
Opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, eigendom van de werkgever beschadigen
of aan ernstig gevaar blootstellen;
- 8.
Opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, zichzelf of anderen aan ernstig gevaar
blootstellen;
- 9.
Schending geheimhouding bedrijfsgeheimen of huishouding werkgever;
- 10.
Hardnekkig weigeren van redelijke bevelen of opdrachten;
- 11.
Grovelijk de plichten van de arbeid veronachtzamen;
- 12.
Door opzet of roekeloosheid buiten staat geraken of blijven de bedongen arbeid te verrichten.
Damsteegt, De Werkloosheidswet 2017, p. 154.
Damsteegt, De Werkloosheidswet 2017, p. 153; CRvB 14 augustus 1990, ECLI:NL:CRVB:1990:ZB2028, RSV 1990/356.
Besluit van 26 september 2006, Stcrt. 2006, 190.
Kamerstukken II 2005/06, 30370, nr. 3, p. 26-27.
Met de Wet wijziging WW-stelsel in 2006 wilde het kabinet het ontslagrecht versoepelen, maar ook de WW transparanter maken door een vereenvoudiging van het begrip ‘verwijtbare werkloosheid’. De verwijtbaarheidstoets werd in de praktijk als ondoorzichtig ervaren en leidde tot veel ruis.1 De Wet wijziging WW-stelsel heeft de a-grond van artikel 24 lid 1 sub a WW ingrijpend beperkt door verwijtbare werkloosheid te koppelen aan een ontslag op grond van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW. Dit zijn daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die als gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In het tweede lid van artikel 7:678 BW wordt een niet-limitatieve opsomming gegeven van twaalf situaties die tot een dringende reden voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst kunnen zorgen.2 De situaties zien op zware wangedragingen en kunnen in een aantal gevallen ook tot strafrechtelijke vervolging leiden.3
Naast de zojuist besproken a-grond bevat artikel 24 lid 2 WW een b-grond voor de bepaling van verwijtbare werkloosheid. De b-grond houdt in dat de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Bij de a-grond gaat het, kort gezegd, om beëindiging van het dienstverband door de werkgever en de b-grond ziet op beëindiging van het dienstverband door de werknemer. Door de wijziging van het SER-voorstel in het amendement van Noorman-Den Uyl4 was de dringende reden niet meer beperkt tot de ontslagroutes van ontslag op staande voet of ontbinding van de overeenkomst. Ook bij het beëindigen van de overeenkomst met wederzijds goedvinden of ontbinding door de kantonrechter op ‘neutrale gronden’ kon het UWV de a-grond van toepassing verklaren als er indicaties waren dat er sprake was van een verwijtbare gedraging van de werknemer.5
Om de pro-formaprocedures tegen te gaan werd in artikel 24 lid 6 WW expliciet bepaald dat het nalaten van een verweer tegen een ontslag geen overtreding oplevert van de verplichting om verwijtbare werkloosheid of benadeling van de WW-fondsen te voorkomen.
Het UWV heeft in de Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW6 nadere uitwerking gegeven aan de wijziging van het begrip ‘verwijtbare werkloosheid’ met de Wet wijziging WW-stelsel en heeft daarbij aangesloten bij de uitleg van het kabinet. In de beleidsregels is namelijk bepaald dat beëindiging van de dienstbetrekking op initiatief van de werkgever alleen tot verwijtbare werkloosheid leidt als er een arbeidsrechtelijke dringende reden in de zin van artikel 7:687 BW aan ten grondslag ligt. Het UWV doet onderzoek naar de ontslagreden als de werknemer een WW-uitkering aanvraagt. Uit het dossier (ontslagbrief, werkgeversverklaring etc.) moeten voldoende sterke aanwijzingen blijken voor die dringende reden voor ontslag om tot een nader onderzoek over te gaan. De ontslagroute, bijvoorbeeld het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden of opzegging tijdens de proeftijd, is daarbij niet van belang, maar kan indicatief zijn. Een ontslag op staande voet of een schorsing met onmiddellijke ingang kan ook een indicatie zijn.7