Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.7.7:2.7.7 Rb. Gelderland 26 januari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:498
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.7.7
2.7.7 Rb. Gelderland 26 januari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:498
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859083:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze uitspraak is in par. 2.2.3.6.1 uitgebreid besproken als het gaat om de vraag of M onwaardig is. Zie hierover ook De Vries, JERF 2022 16-12-2022/afl. 8, p. 920-922 (nr. 160).
Zie daarover nader par. 2.2.3 en 2.2.3.6.
Vgl. ook par. 2.7.4 en de opmerkingen over deze uitspraak in par. 2.7.3.
Zie daarover nader par. 2.2.3.6. In deze paragraaf komt ook de uitspraak in hoger beroep aan de orde. Het hof komt tot onwaardigheid.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
M brengt na een langdurige periode van geweld V om het leven. M verkeerde onder invloed van een psychose. De strafrechter komt tot een bewezenverklaring van doodslag, maar ontslaat de man van alle rechtsvervolging onder oplegging van de maatregel tbs.1 Van een veroordeling is geen sprake, zodat M op grond van de tekst van de wet niet onwaardig is. De broer van V doet (onder meer) een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank ziet echter geen ruimte om in dit geval te corrigeren op deze grond.
De rechtbank stelt voorop dat toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden aan de orde is. De broer heeft ter onderbouwing hiervan onder meer opgemerkt dat M zijn zus om het leven heeft gebracht na langdurige fysieke en mentale mishandeling. Daarnaast brengt de broer nog diverse omstandigheden in, waaronder dat M heeft ingebroken in de woning van de ouders van V alsmede dat hij de broer en zijn familie ernstig heeft mishandeld en bedreigd met de dood. Hoe ernstig deze feiten en omstandigheden volgens de rechtbank ook zijn, ze zijn onvoldoende om te kunnen concluderen dat in dit geval sprake is van zodanig uitzonderlijke feiten en omstandigheden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat M de rechten uitoefent die hem als erfgenaam op grond van de wet toekomen. Hiervoor acht de rechtbank allereerst van belang dat de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de doodslag geen rol kunnen spelen bij de vraag naar de toepasselijkheid van de redelijkheid en billijkheid, nu M met betrekking tot die feiten en omstandigheden is ontslagen van alle rechtsvervolging. Deze feiten en omstandigheden zijn hem derhalve niet toe te rekenen in strafrechtelijke zin, waardoor niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor onwaardigheid. Voor zover de overige aangedragen feiten en omstandigheden van M ten opzichte van V strafbare feiten zouden zijn, hebben zij niet geleid tot een strafrechtelijke veroordeling en daarmee niet tot onwaardigheid op grond van artikel 4:3 lid 1 sub b BW.
Voorts merkt de rechtbank op dat voor zover de gestelde omstandigheden geen betrekking hebben op gedragingen van M ten opzichte van V, zij geen rol spelen bij de vraag of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om M zijn rechten als erfgenaam van V te ontzeggen.
De rechtbank besluit met de overweging dat de psychose niet leidt tot een strafrechtelijke veroordeling en deze geestestoestand blokkeert ook de toepassing van de redelijkheid en billijkheid voor zover het dezelfde feiten en omstandigheden betreft. Voor het overige zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid te honoreren.
Het komt mij juist voor dat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid kijkt naar de vereisten voor onwaardigheid. Als wordt ingegrepen op grond van de redelijkheid en billijkheid in een geval als het onderhavige, inhoudende dat geen strafrechtelijke veroordeling is gevolgd, maar ontslag van alle rechtsvervolging, dan ontstaat een situatie die zich wat lastig laat rijmen met de overwegingen en gedachten van de wetgever bij het vereisen van een ‘veroordeling’ in artikel 4:3 lid 1 BW. De wetgever opteert daar bewust voor de eis van een strafrechtelijke veroordeling.2
Na deze uitspraak is maatschappelijke verontwaardiging ontstaan en zijn Kamervragen gesteld. Deze maatschappelijke ontwikkelingen en veranderende opvattingen kunnen nu in een volgende, vergelijkbare kwestie betrokken worden bij de toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid. Het zijn relevante omstandigheden bij de beoordeling.3 Het feit dat M mag erven van V strookt niet met het rechtsgevoel. Als in een dergelijke situatie gecorrigeerd wordt op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, dan nog blijft de slotsom dat de wetgever aan zet is om artikel 4:3 BW aan te passen.4
De rechtbank merkt verder op dat voor zover de feiten en omstandigheden geen betrekking hebben op gedragingen van M ten opzichte van V persoonlijk, zij geen rol kunnen spelen bij de vraag naar de toepassing van de redelijkheid en billijkheid. Zoals bij de bespreking van de uitspraak van de Rechtbank Utrecht hiervoor (par. 2.7.5) hoeft naar mijn mening bij deze toepassing niet per definitie sprake te zijn van rechtstreeks handelen tegen de erflater.