Einde inhoudsopgave
De invloed van de woonplaats op de fiscale behandeling (FM nr. 158) 2019/10.4.2.2
10.4.2.2 Imperatieve toepassing van de vrijstellingsmethode
Mr. dr. N.P. Schipper, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
Mr. dr. N.P. Schipper
- JCDI
JCDI:ADS388769:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Woon- en vestigingsplaats
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Inkomstenbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Europese verdragsvrijheden
Europees belastingrecht / Discriminatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 9.2 voor de onderbouwing hiervan.
Zie tevens paragraaf 9.4.
Waaruit geen verplichtingen volgen tot het voorkomen van dubbele belasting en waarbij het Hof van Justitie de verrekeningsmethode expliciet heeft aanvaard. Zie o.a. HvJ EG 12 mei 1998, zaak C-336/96 (Gilly), HvJ EG 23 februari 2006, zaak C-513/03 (Van Hilten-van der Heijden), HvJ EG 12 december 2006, zaak C-446/04 (FII Group Litigation), HvJ EG 6 december 2007, zaak C-298/05 (Columbus Container), HvJ EG 16 juli 2009, zaak C-128/08 (Damseaux) en HvJ EU 10 februari 2011, gevoegde zaken C-436/08 en C-437/08 (Haribo en Salinen).
Dit geldt onder meer voor het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Denemarken, Zweden, Finland, Polen, Spanje, Portugal, Italië en Griekenland, die – behoudens uitzonderingen – een ordinary credit verlenen ten aanzien van buitenlandse arbeidsinkomsten. Bron: Country Surveys & Country Analyses, International Bureau of Fiscal Documentation (IBFD) (beschikbaar via www.ibfd.org, geraadpleegd op 11 september 2018).
Een lidstaat die thans een verrekeningsmethode hanteert ten aanzien van buitenlandse arbeidsinkomsten, zal bij toepassing van een vrijstellingsmethode minder belasting heffen van inwoners waarvan dit inkomen ter heffing is toegewezen aan andere lidstaten met een lagere effectieve belastingdruk. Anderzijds zou voor dezelfde lidstaat het toepassen van een progressievoorbehoud ten aanzien van niet-inwoners naar verwachting doorgaans leiden tot een verhoging van de belastingheffing (aangezien het thans voor niet-inwoners bestaande progressievoordeel zou verdwijnen, hetgeen bijvoorbeeld relevant is voor situaties met salary-splits).
Bijvoorbeeld de moeder-dochterrichtlijn. Zie art. 4 lid 1 Richtlijn van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (Richtlijn 90/435/EEG), vervangen door de Richtlijn van de Raad van 30 november 2011 (Richtlijn 2011/96/EU), PbEU 2011, L 345, V-N 2012/13.5 en nadien op verschillende onderdelen gewijzigd.
Zie art. 8 van het voorstel voor een Richtlijn van de Raad voor een gemeenschappelijke vennootschapsbelasting (Common Corporate Tax Base – CCTB) van 25 oktober 2016, (COM) 2016, 685 final waar onder meer voor inkomen uit een buitenlandse vaste inrichting de vrijstellingsmethode wordt voorgeschreven, meer specifiek een objectvrijstelling.
Onder de belastingverdragen volgt dit reeds uit het feit dat dergelijk inkomen, bijzondere situaties daargelaten, ‘slechts belastbaar’ is in de woonstaat in de terminologie van de OESO-conforme verdragen.
Zoals veelvuldig vermeld heeft gelijkheid op de werkvloer naar mijn mening de voorkeur voor de optimale werking van het vrije verkeer van werknemers.1 De behandeling naar volledige fiscale draagkracht in de werkstaat dient hiervoor onafhankelijk van de woonplaats te worden vastgesteld. De gelijkheid op de werkvloer die op deze wijze ontstaat dient vervolgens te worden gehandhaafd door de woonstaat. Dit betekent dat de woonstaat de vrijstellingsmethode ter voorkoming van dubbele belasting zou moeten toepassen voor inkomsten die aan een andere staat ter heffing zijn toegewezen. Immers, indien de woonstaat een verrekeningsmethode zou hanteren ten aanzien van het buitenlandse arbeidsinkomen, dan zou een werknemer alsnog niet op gelijke voet concurreren op de buitenlandse arbeidsmarkt. Om de gewenste arbeidimportneutraliteit te bereiken is het imperatief voorschrijven van de vrijstellingsmethode (al dan niet met grondslag- en progressievoorbehoud) dan ook noodzakelijk.2
Gezien de huidige stand van het Unierecht3 en het feit dat door een groot aantal lidstaten de verrekeningsmethode wordt gehanteerd (o.a. voor buitenlands arbeidsinkomen dat wordt genoten door inwoners)4, is dit een controversieel onderdeel van het richtlijnvoorstel.5 Daarnaast wordt ook in andere onderdelen van secundair Unierecht zowel de vrijstellingsmethode als de verrekeningsmethode toegestaan.6 Gelet hierop zal de introductie van een verbod op de toepassing van de verrekeningsmethode voor arbeidsinkomen naar verwachting moeilijk haalbaar zijn (gezien de vereiste unanimiteit). Dit neemt echter niet weg dat ik dit een cruciaal onderdeel acht voor het goed functioneren van het vrije verkeer van werknemers.7 Daarnaast is in een meer recent richtlijnvoorstel van de Europese Commissie op het gebied van vennootschapsbelastingheffing (CCTB) eveneens een voorstel gedaan tot de verplichte toepassing van de vrijstellingsmethode.8 Volledigheidshalve merk ik op dat het voorgaande betrekking heeft op de behandeling van inwoners. Voor niet-inwoners zouden lidstaten reeds gelet op het volkenrecht en de daarop gebaseerde belastingverdragen geen verrekeningsmethode dienen te hanteren ten aanzien van de buitenlandse inkomsten.9