Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/7.8.2
7.8.2 Verordening (EG) nr. 1056/2005
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS454083:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 2, tweede lid, Verordening (EG) nr. 1467/97, zoals gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1056/2005. Zie ook punt 6 van de considerans van Verordening (EG) nr. 1056/2005.
Artikel 104, derde lid, EG-verdrag.
Artikel 104, derde lid, EG-verdrag.
Artikel 2, derde lid, Verordening (EG) nr. 1467/97, zoals gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1056/2005. Zie ook punt 7 van de considerans van Verordening (EG) nr. 1056/2005.
Artikel 2, vierde en zesde lid, Verordening (EG) nr. 1467/97, zoals gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1056/2005. Het intrekken van besluiten wordt hierbij uitgezonderd. Ook pensioenhervormingen kunnen een rol spelen bij begrotingsevaluaties, zie artikel 2, vijfde en zevende lid, Verordening (EG) nr. 1467/97, zoals gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1056/2005, en punt 8 van de considerans van Verordening (EG) nr. 1056/ 2005.
Punt 9 en 11 van de considerans van Verordening (EG) nr. 1056/2005.
Artikel 3, vierde lid, Verordening (EG) nr. 1467/97, zoals gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1056/2005. In dit gewijzigde artikel is sinds Verordening (EG) nr. 1056/2005 ook opgenomen dat de Raad de lidstaat in de aanbeveling verzoekt ‘een minimale jaarlijkse verbetering van het conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, van ten minste 0,5% BBP als benchmark te bewerkstelligen, teneinde het buitensporige tekort binnen de in de aanbeveling gestelde termijn te corrigeren’. Ditzelfde geldt voor aanmaningen, zie het gewijzigde artikel 5, eerste lid, Verordening (EG) nr. 1467/97, zoals gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1056/2005. Zie ook punt 10 van de considerans van Verordening (EG) nr. 1056/2005. Deze minimale aanpassing van het begrotingssaldo is ook opgenomen in Verordening (EG) nr. 1055/2005 in het kader van het bereiken van de middellangetermijnbegrotings-doelstellingen, zie het gewijzigde artikel 5, eerste lid, tweede alinea, en artikel 9, eerste lid, tweede alinea, Verordening (EG) nr. 1466/97, zoals gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1055/2005.
Artikel 5, eerste lid, Verordening (EG) nr. 1467/97, zoals gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1056/2005.
Artikel 3, vierde lid, en artikel 5, eerste lid, Verordening (EG) nr. 1467/97, zoals gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1056/2005.
Artikel 3, vierde lid, Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie).
Artikel 3, vijfde lid, en artikel 5, tweede lid, Verordening (EG) nr. 1467/97, zoals gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1056/2005. Zie ook punt 12 van de considerans van Verordening (EG) nr. 1056/2005.
De tweede verordening die het Stabiliteits- en Groeipact wijzigt, gaat allereerst in op het begrip ‘ernstige economische neergang’. Een overschrijding van de drieprocentsgrens wordt als uitzonderlijk en tijdelijk beschouwd indien dit ‘het gevolg is van een negatief BBP-groeipercentage in volume of van een gecumuleerd productieverlies tijdens een langdurige periode van zeer geringe BBP-groei in volume ten opzichte van de potentiële groei’.1 Het idee van het oorspronkelijke Stabiliteits- en Groeipact dat alleen sprake kan zijn van ernstige economische neergang bij een daling van het reële bbp van ten minste twee procent op jaarbasis, of bij een daling tussen 0,75 procent en twee procent als een lidstaat hiervoor verdere ondersteunende informatie verschaft, wordt dus losgelaten. Niet alleen zijn de precieze percentages van de daling van het bbp niet langer relevant, maar zelfs tijdens een langdurige periode van zeer geringe groei kan een lidstaat uitgezonderd worden van de drieprocentsgrens.
Daarnaast geeft deze verordening een nadere invulling van het begrip ‘alle andere relevante factoren’. De Europese Commissie start een buitensporigtekortprocedure door een verslag op te stellen.2 Hierbij was zij op grond van het Verdrag van Maastricht al verplicht om rekening te houden met de vraag of het overheidstekort groter is dan de investeringsuitgaven van de overheid en tevens werden alle andere relevante factoren in aanmerking genomen, met inbegrip van de economische en budgettaire situatie van de lidstaat op middellange termijn.3 Deze verordening voegt daaraan toe dat het verslag een deugdelijke afspiegeling dient te vormen van de middellangetermijnontwikkelingen in de economische situatie en in de begrotingssituatie.4 Van beide aspecten worden vervolgens enkele elementen genoemd, zoals de potentiële groei, de heersende conjunctuuromstandigheden, de houdbaarheid van de schuldpositie en de algemene kwaliteit van de overheidsfinanciën. Ook kan een lidstaat factoren naar voren brengen die ‘relevant zijn om een uitvoerige kwalitatieve evaluatie van de overschrijding van de referentiewaarde [de drieprocentsgrens, SP] te kunnen maken’. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar begrotingsinspanningen in het kader van ‘de internationale solidariteit en verwezenlijking van Europese beleidsdoelstellingen, met name de eenmaking van Europa, indien de groei en de begrotingslast van een lidstaat daardoor nadelig worden beïnvloed’. Het aantal aspecten waarmee de Europese Commissie rekening moet houden bij haar evaluatie in het kader van de buitensporigtekortprocedure wordt met deze verordening dus flink uitgebreid. Ook bij de volgende stappen van de buitensporigtekortprocedure houden de Europese Commissie en de Raad rekening met deze factoren.5
De verordening wijzigt verder de termijnen voor de buitensporigtekortprocedure zoals die in het Stabiliteits- en Groeipact zijn bepaald. Door deze te verlengen kan een lidstaat volgens de Raad zijn optreden beter in de nationale begrotingsprocedure inpassen en een coherenter pakket aan maatregelen uitwerken.6 Als een buitensporigtekortprocedure is gestart, stelt de Raad een termijn van ten hoogste zes maanden vast (eerder: vier maanden) waarbinnen een lidstaat gevolg moet geven aan aanbevelingen.7 Indien de Raad constateert dat de aanbevelingen niet (voldoende) worden opgevolgd, komt hij binnen twee maanden (eerder: één maand) met een aanmaning.8 Zowel in de aanbeveling als in de aanmaning verzoekt de Raad de lidstaat het begrotingssaldo te verbeteren, met minimaal een half procent van het bbp als norm.9 Na uiterlijk vier maanden (eerder: twee maanden) neemt de Raad een besluit over sancties.10
In de oorspronkelijke versie van het Stabiliteits- en Groeipact diende, behoudends bijzondere omstandigheden, het buitensporige tekort binnen het jaar nadat het is geconstateerd verholpen te zijn.11 Deze verordening geeft lidstaten bij ‘onverwachte ongunstige economische gebeurtenissen met een ernstige negatieve weerslag op de openbare financiën’ meer ruimte.12 Als zulke gebeurtenissen zich voordoen na goedkeuring van een aanbeveling of aanmaning en de lidstaat daaraan effectief gevolg heeft gegeven, kan de Raad een herziene aanbeveling of een herziene aanmaning aannemen. In dat geval mag de termijn voor het corrigeren van het buitensporig tekort met een jaar worden verlengd. De Raad besluit of er sprake is van onverwachte ongunstige economische gebeurtenissen.