Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/3.3.1
3.3.1 Formele en materiële wederrechtelijkheid
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715414:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Schaffmeister & Heijder 1983, p. 464-470.
Van Bemmelen 1973, p. 2-3. Zie ook: Devlin 1965, p. 4-5 en 7.
Welzel definieert het rechtsgoed bijvoorbeeld als ‘iedere wenselijke sociale toestand die het recht tegen schendingen wil beschermen’ (Welzel 1969, p. 4). Dat stelt echter geen inhoudelijke eisen. Ook de opvatting dat het om gemeenschapsbelangen moet gaan, is weinigzeggend. Van bijna ieder belang is een gemeenschapsbelang te maken.
Vgl. Van Bemmelen 1973, p. 8. Vooral bij materieel omschreven culpoze delicten heeft de rechter, over de band van de criteriumfiguur, ruimte om maatschappelijke normen mee te wegen (Schaffmeister & Heijder 1983, p. 465-466).
Welzel 1969, p. 3.
Van Veen 1972, p. 466-467; Bos 1971, p. 4. In beginsel, omdat de democratisch gelegitimeerde wetgever natuurlijk niet per se volledig aan hoeft te sluiten bij de heersende opvattingen in de samenleving.
Van Bemmelen 1973, p. 4.
Roxin 1997, p. 195-196.
Zo verwijt Buiting Van Dyk een tautologische redenering, doordat Van Dyk stelt dat de poging strafbaar moet zijn, omdat deze de rechtsorde schendt, zonder te onderbouwen waarom dit het geval is (Buiting 1965, p. 119; Van Dyk 1954, p. 15-16). Zelf komt Buiting echter niet veel verder; zijn argumenten voor de strafwaardigheid van poging komen grofweg neer op ‘iedereen vindt het strafwaardig’, ‘er zijn zelfstandig strafbaar gestelde gevaarzettingsdelicten’ en ‘het niet strafbaar stellen van voorfasedelicten roept angst, chaos en gevaar voor eigenrichting op’ (Buiting 1965, p. 119-212).
Simester & Von Hirsch 2011, p. 27. Die begrippen lijken overigens te overlappen met het onderscheid tussen mala in se en mala prohibitum (Cornford 2015, p. 16-17) en pre-juridisch wederrechtelijkheid lijkt ook nauw samen te hangen met natuurrecht. Een zeer vergelijkbaar onderscheid wordt overigens door Bos gevonden bij het definiëren van het begrip ‘strafbaar feit’ (Bos 1971, p. 3-4).
Simester & Von Hirsch 2011, p. 25 en 72. Zie ook: Machielse 2005, p. 420. Ook veel in de Opiumwet strafbaar gestelde gedragingen – in het bijzonder het voorhanden hebben van grondstoffen om drugs mee te maken – veroorzaken bijvoorbeeld op zichzelf nog geen rechtstreekse schadelijke gevolgen (Verbruggen 2004, p. 120).
Simester & Von Hirsch 2011, p. 27-28; Packer 1969, p. 262. Vgl. Peters 1966, p. 172; Devlin 1965, p. 5. Zo ook minister Korthals Altes (Corstens 1984, p. 13). Die afspraak moet natuurlijk wel aan het legaliteitsbeginsel voldoen en zodoende ook bekend zijn gemaakt. In vergelijkbare zin meent Strijards dat de kern van ieder delict het handelen in strijd met de geopenbaarde staatswil is (Strijards 1988, p. 21-22).
Simester & Von Hirsch 2011, p. 77.
Simester & Von Hirsch 2011, p. 77. In Nederland wordt dat risico bovendien ingeperkt door de wettelijke strafuitsluitingsgronden en de mogelijkheid die het openbaar ministerie heeft om in individuele gevallen alsnog te besluiten om niet te vervolgen als dat niet opportuun is (Schaffmeister & Heijder 1983, p. 473).
Simester & Von Hirsch 2011, p. 78-79. Een beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid kan en mag geen manier worden om naar eigen inzicht het recht opzij te schuiven. Zie ook: HR 9 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1721, NJ 2000/145. Deze redenering is overigens vergelijkbaar met het regelutilisme. Zie: Hare1981, p. 25.
Vgl. Kelk/De Jong 2019, p. 13. Om die reden ligt het vervolgingsmonopolie ook bij een publieke autoriteit: het openbaar ministerie (Devlin 1965, p. 6-7).
Concl. A-G G.E. Langemeijer, ECLI:NL:PHR:1949:37, bij HR 6 oktober 1949, ECLI:NL:HR:1949:37, NJ 1950/178.
Vgl. Roxin 1973, p. 76; Van Veen 1972, p. 466-467; Bos 1971, p. 4.
Welzel 1969, p. 3-4.
Machielse 2005, p. 420. Toch zag de wetgever in 1990 voorbereiding zelf niet als zelfstandig strafwaardige gedraging; hij benadrukte juist dat de wederrechtelijkheid van de voorbereidingshandeling een afgeleide is van het beoogde gevolg (Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 3, p. 16). Vgl. Yaffe 2010, p. 21.
Devlin 1965, p. 9-10 en 18; Pompe 1959, p. 46-47. Het is wellicht goed om er nogmaals expliciet op te wijzen dat, zolang de heersende morele opvattingen in een samenleving liberaal zijn, er inhoudelijk weinig tegenstellingen of verschillen hoeven te bestaan tussen een liberaal en een communitaristisch strafrecht (Moore 2012, p. 662; Duff 1998, p. 257). Vgl. ook de volgorde waarin Schaffmeister en Heijder de wederrechtelijkheid willen toetsen (Schaffmeister & Heijder 1983, p. 470-471).
Langemeijer 1970, p. 18. Langemeijer merkt overigens terecht op dat een daadwerkelijke revolutie vaak niet nodig zal zijn, omdat de enkele dreiging van revolutie al voldoende kan zijn voor de meerderheid om zich te realiseren dat er grenzen zijn aan wat minderheden zich laten opleggen.
De Werkgroep Van Veen zag bijvoorbeeld geen noodzaak om terugtred van voorbereiding mogelijk te maken, omdat het openbaar ministerie in dergelijke gevallen vermoedelijk zal vaststellen dat vervolging niet zinvol is (Van Veen 1988, p. 9).
Von Liszt 1932, p. 177.
Groenhuijsen & Van der Landen 1990, p. 11-12; Bos 1978, p. 319; Opzoomer 1884, p. 190. Dat is naar Nederlands recht ook met zoveel woorden vastgelegd in Artikel 11 van de Wet algemene bepalingen. Lindenberg ziet deze bepaling als een herinnering aan de rechter van het onderscheid tussen recht en moraal (Lindenberg 2007, p. 86). Volgens Jansen is het historische doel van deze bepaling daarentegen primair om duidelijk te maken dat de rechter zich niet meer tot het Romeinse recht mocht wenden en niet om de rechter tot ‘slaaf van de wet’ te maken. De rechter mag volgens hem best voorbij de tekst van de wet kijken naar de strekking en bedoeling daarvan, maar het oordeel over de juistheid van de (inhoud van de) wet moet hij aan de wetgever overlaten (Jansen 2008, p. 25-26. Vgl. Pompe 1959, p. 53). Maar ook de strekking en bedoeling van de wet en de wil van de wetgever zijn niet altijd duidelijk (De Doelder & Strijards 1979, p. 250-251). De wetgever moet er ook voor zorgen dat de wet voldoende duidelijk en eenvoudig toepasbaar is, zodat de rechter ook niet op de stoel van de wetgever hoeft te gaan zitten (Van de Wetering, Eckhardt & Bakker 2018, p. 157, 164 en 167; De Hullu 2021, p. 346; Wolswijk 1998, p. 245; Groenhuijsen & Van der Landen 1990, p. 12; Schaffmeister & Heijder 1983, p. 443; Van Veen 1980, p. 6).
Remmelink 1971, p. 84; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 348 en voetnoot 3; Van Veen 1972, p. 466. Toegegeven: de wetgever komt er niet altijd aan toe verouderde wetgeving tijdig aan nieuwe maatschappelijke inzichten aan te passen (Schaffmeister & Heijder 1983, p. 444). Sommige bestaande regels stemmen daarom niet meer overeen met het rechtsbewustzijn van de samenleving. Dat hierin enige vertraging bestaat, is volgens Devlin echter niet problematisch. Dat voorkomt dat kortdurige opvattingen al te gemakkelijk in wetten worden verankerd (Devlin 1965, p. 18). Er is echter ook wel voorgesteld de rechter de bevoegdheid te geven verouderde strafbepalingen buiten toepassing te laten of het toepassingsbereik ervan in te perken (Van Dorst 1978, p. 178-179). Een uitspraak van de rechter die nieuwe inzichten wel meeweegt, correspondeert wellicht beter met de op dat moment heersende normen dan een strikte wetstoepassing. Dan nog doet de rechter echter in feite aan plaatsvervangend wetgeven, zodat terughoudendheid op zijn plaats is. Een betere manier om wetgeving actueel te houden, is om wetten periodiek (bijvoorbeeld om de vijf jaar, of steeds na de verkiezing) te evalueren. Een dergelijke verplichting werd in 1851 in de Gemeentewet ingevoerd, maar is – anders dan de Memorie van Toelichting wil doen geloven waarschijnlijk vooral om praktische redenen – in 1937 geschrapt (Van Dorst 1978, p. 177-178).
Lindenberg 2007, p. 87, voetnoot 201; Van Veen 1980, p. 20. Remmelink spreekt in dat kader beeldend van “jurisprudentieel, plaatsvervangend wetgeven” (Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 348). Overigens erkent Remmelink dat de rechter daar ook aan doet als hij met een creatieve wetsinterpretatie strafbaarheid uitsluit (Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 352). De Waard bepleit mede in dat licht een codificatie van de strafuitsluitingsgrond van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid (De Waard 1976, p. 352).
Vgl. de enge interpretatie die De Waard signaleert (De Waard 1976, p. 343 en 353-354). Zie ook: HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1074 (OMW bij telen hennep voor gedoogde coffee-shop).
Van Veen 1972, p. 466; Remmelink 1971, p. 84.
Devlin 1965, p. 21. Zie ook: Mousourakis 1998, p. 59-60; Devlin 1965, p. 15, 90-91 en 98-99.
Devlin 1965, p. 12-13.
Devlin 1965, p. 11 en 22.
Langemeijer 1970, p. 17-18.
Devlin 1965, p. 8. Die redenering moet overigens worden onderscheiden van de redenering dat gedrag wel strafwaardig is, maar niet strafwaardig genoeg voor strafbaarstelling. Op die tweede vraag ziet het ultimum remedium-beginsel (zie §4.3).
Ten Voorde 2014, p. 172-175 en 178; Ten Voorde 2012b, p. 76; Simester & Von Hirsch 2011, p. 62 en 64.
Ten Voorde 2012b, p. 80.
Zie ook: De Jong 2016, p. 9-10. Ten Voorde spreekt in dit kader van sociale zorgplichten respectievelijk politieke zorgplichten (Ten Voorde 2012b, p. 77). Vgl. ook: Simester & Von Hirsch 2011, p. 68.
Ten Voorde 2012b, p. 77.
Ten Voorde 2012b, p. 77-78. Zie ook: Simester & Von Hirsch 2011, p. 64, 67 en 68.
Schaffmeister & Heijder 1983, p. 465. Schaffmeister en Heijder noemen als voorbeeld dat het voor de vraag of mensen een gedraging als het ‘binnendringen’ van een woning kwalificeren nogal uitmaakt of de persoon die binnenkomt de buurvrouw of een wildvreemde is.
Simester & Von Hirsch 2011, p. 62.
Garvey 2011, p. 207.
In de praktijk zijn immers ook veel gedragingen strafbaar die vanuit het oogpunt van het liberale schadebeginsel niet per se directe schade veroorzaken (Devlin 1965, p. 7). In de literatuur worden onder meer genoemd: belediging en aanzetten tot haat (artikel 37c t/m 37e Sr), deelname aan een verboden organisatie (artikel 140 lid 2 Sr), smalende godslastering (artikel 147a en 429bis (oud) Sr), onrechtmatig verblijf in Nederland (artikel 197 Sr), bigamie (artikel 237 Sr), de verspreiding van pornografie (artikel 240 Sr), overspel (artikel 241 (oud) Sr), smaad aan een overledene (artikel 270 Sr), abortus (artikel 296 Sr), dierenmishandeling (artikel 350 lid 2 Sr) en het niet voldoen aan administratieve eisen door verkopers van tweedehands spullen (artikel 437 Sr). Zie: Van Bemmelen 1973, p. 10-13; Pompe 1959, p. 47-48. Veel van deze feiten zijn inmiddels echter niet meer onverkort strafbaar (Van Bemmelen 1973, p. 12-13). Desalniettemin menen veel auteurs dat het continentaal-Europese wederrechtelijkheidsbegrip niet met het Angelsaksische schadebeginsel te verenigen is (zie bijvoorbeeld: Lestrade 2018, p. 143 en 162; Machielse 2008, aant. 3.5; Peršak 2007, p. 99-100; Haveman 1998, p. 21). Zo stelt Van Bemmelen dat strafwaardig gedrag slechts ‘in beginsel’ schadelijk hoeft te zijn, waarmee hij de deur openhoudt voor de strafbaarstelling van immoreel, niet-schadelijk gedrag (Van Bemmelen 1973, p. 10). Ook Machielse meent dat het vereisen van een rechtsgoedschending niet in het Nederlandse recht zou passen, vooral gelet op de strafbaarheid van gevaarzettingsdelicten en bepaalde overtredingen (Machielse 2008, par. 3.5). Diverse auteurs wijzen bovendien op arresten waarin de Hoge Raad aangeeft dat de enkele omstandigheid dat het beschermde rechtsgoed niet geschonden is, nog niet wil zeggen dat de (materiële) wederrechtelijkheid wegvalt (Machielse 2008, par. 3.5; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 349; Schaffmeister & Heijder 1983, p. 472-473). In HR 9 februari 1954, SEW 1956, p. 201-202 schrijft de Hoge Raad bijvoorbeeld: “Aan den rechter is, al heeft de wetgever het verbod […] gegeven in het belang van juiste concurrentie-verhoudingen, nergens de vrijheid verleend op grond van het niet geschaad zijn van deze verhoudingen dengene, die dit verbod overtrad, niet strafbaar te verklaren.” Zie ook: HR 9 februari 1954, SEW 1954, p. 145; HR 29 maart 1949, NJ 1949/289; HR 7 november 1967, NJ 1968/44. Onder de wetgeving omtrent kinderporno, waarbij in beginsel gevaar voor het kind centraal staat, worden bijvoorbeeld ook virtuele kinderporno en het chatten met iemand die zich voordoet als kind bestraft (zie ook: Van de Wetering, Eckhardt & Bakker 2018, p. 158-159). Voor belediging van een bevriend staatshoofd is evenmin vereist dat de diplomatieke betrekkingen daadwerkelijk in gevaar zijn gebracht (HR 7 november 1967, ECLI:NL:HR:1967:AB4068, NJ 1968/44, r.o. 2). En het aanwezig zijn op een schip met een buitenlandse bestemming is strafbaar, zonder dat hoeft te blijken dat de verdachte de bedoeling had het land te verlaten (HR 29 maart 1949, NJ 1949/289). Het openbaar ministerie hoeft dus (als het rechtsgoed geen bestanddeel is) niet te bewijzen dat enig rechtsgoed is geschonden (Schaffmeister & Heijder 1983, p. 441).
Waar een liberaal het wederrechtelijkheidsbegrip koppelt aan schendingen van klassieke grondrechten, zal een communitarist – zoals in §1.4.2 reeds werd aangestipt – wederrechtelijkheid afleiden uit maatschappelijke normen.1 Een communitarist onderstreept dat normen niet kunnen worden afgeleid uit pre-juridische, vaststaande, soms zelfs universele waarden, zoals in een liberaal strafrecht gebeurt (en zoals historisch ook wel via een beroep op goddelijke inspiratie is geprobeerd).2 De bron van recht wordt in plaats daarvan gezocht in de heersende opvattingen in de samenleving.3 De vraag is daarbij vooral in hoeverre het strafbaar te stellen gedrag afwijkt van wat van een doorsnee lid van de samenleving mag worden verwacht.4 Welzel stelt bijvoorbeeld dat het in het strafrecht niet zozeer gaat om de daadwerkelijke bescherming van individuele rechtsgoederen – tegen de tijd dat het strafrecht ingrijpt, zijn die immers doorgaans al geschaad – maar om de handhaving van in het rechtsbewustzijn van de samenleving geldende normen.5 Wat in strijd met het recht is, wordt dan in beginsel door de democratisch gelegitimeerde wetgever bepaald.6 In de woorden van Van Bemmelen is de vox dei zo vervangen door de vox populi.7 Die is doorgaans in de praktijk ook een stuk eenvoudiger vast te stellen.
De maatschappelijke relevantie van de gedraging waar de communitarist op hamert, is vanuit liberaal oogpunt al snel een soort cirkelredenering, nu de beslissing van de maatschappij om bepaald gedrag strafbaar te stellen, de gedraging ook meteen maatschappelijk relevant maakt.8 Een dergelijke redenering vinden we in de literatuur over de strafwaardigheid van voorfasedelicten echter regelmatig terug.9 Aangenomen dat de democratisch gelegitimeerde wetgever de opvattingen van de samenleving weerspiegelt, valt goed te betogen dat het overtreden van een democratisch tot stand gekomen regel als zodanig al wederrechtelijk is. Simester en Von Hirsch onderscheiden in vergelijkbare zin pre-juridische wederrechtelijkheid (pre-legal wrongfulness) van post-juridische wederrechtelijkheid (post-legal wrongfulness).10 Bij materieel wederrechtelijk gedrag denken we meestal aan pre-juridisch wederrechtelijk gedrag: gedrag dat mensen ook zonder strafbaarstelling moreel verwerpelijk vinden, zoals moord of diefstal. Er is echter ook gedrag dat vooral wederrechtelijk wordt dóór de strafbaarstelling en dat dus enkel post-juridisch wederrechtelijk is.11 Een voorbeeld vormen de verkeersregels. Het lijkt voorafgaand aan de invoering van enige regel prima facie niet materieel wederrechtelijk om links te rijden, maar als een samenleving afspreekt dat iedereen rechts moet rijden, om ervoor te zorgen dat er minder ongelukken gebeuren, wordt het vanuit communitaristisch perspectief na invoering van die regel wél materieel wederrechtelijk om – in strijd met die afspraak – links te rijden.12 Wederrechtelijkheid is dan in de kern de schending van een afspraak die de samenleving heeft gemaakt.
Dat verklaart ook waarom overtredingen van regels (bijvoorbeeld verkeersregels) soms worden bestraft, zelfs als er in het concrete geval geen gevaar voor schade bestond. Mensen maken regelmatig vergissingen over de gevaarlijkheid van hun handelingen.13 Vanuit liberaal oogpunt is het in beginsel paternalistisch om mensen tegen dergelijke vergissingen te beschermen als er geen daadwerkelijk gevaar is ontstaan, maar vanuit communitaristisch oogpunt valt goed te verdedigen dat dergelijke individuele risico-inschattingen beter kunnen worden vervangen door één uniforme, vooraf door de samenleving vastgestelde regel en daarbij het risico van overinclusiviteit voor lief te nemen.14 Uniforme regels nemen het gevaar van inschattingsfouten weg en maken de samenleving voorspelbaarder en daarmee veiliger en moeten daarom ook zoveel mogelijk worden gevolgd, zelfs als er in een concreet geval geen gevaar bestond.15 Het is simpelweg niet in het belang van de samenleving als burgers iedere keer als ze de weg op gaan een nieuwe, eigen afweging maken op welke weghelft ze zullen gaan rijden. Schendingen van regels moeten daarom ook met meer worden gerechtvaardigd dan de enkele vaststelling dat het doel van de regel in het concrete geval niet in gevaar kwam. Het schenden van een democratisch tot stand gekomen regel is in beginsel zelfstandig afkeurenswaardig en strafwaardig.16 Anders gezegd: een formeel wederrechtelijke gedraging is automatisch ook in zekere mate materieel wederrechtelijk. Ook A-G Langemeijer schrijft bijvoorbeeld dat:
“[…] gedrag dat, enkel in zijn uitwerking beschouwd, van het standpunt der rechtsorde noch bepaald wenselijk noch bepaald ongewenst geacht kan worden niettemin als ongewenst en dus als materieel wederrechtelijk beschouwd zal moeten worden wanneer het onder een delictsomschrijving valt en dus in ieder geval ideëel nadeel aan de rechtsorde toebrengt.”17
Er bestaat zo (post-juridisch) op het eerste gezicht maar weinig ruimte voor een onderscheid tussen formele en materiële wederrechtelijkheid. Wederrechtelijkheid lijkt eerder een binaire aangelegenheid: een gedraging is in strijd met een afspraak (en dus wederrechtelijk) of niet.18 Dat is juist voor zover het gaat om formele wederrechtelijkheid. Het doden van een zware crimineel is formeel even wederrechtelijk als het doden van een onschuldig kind, omdat de dader in beide gevallen dezelfde afspraak heeft geschonden.19 In vergelijkbare zin kan worden gesteld dat poging en voorbereiding in feite even formeel wederrechtelijk zijn als het voltooide delict: de samenleving heeft van ieder van die gedragingen immers afgesproken dat ze niet mogen worden verricht.20 Deze gedragingen zijn ook materieel wederrechtelijk, maar niet in dezelfde mate (daarover §3.3.2 en §3.3.3). Sterker nog: het is onder omstandigheden mogelijk dat een formeel wederrechtelijke gedraging – zelfs na erkenning van de zelfstandige strafwaardigheid van het overtreden van afspraken – door een ondergrens zakt en per saldo niet (of niet langer) materieel wederrechtelijk is.
Binnen de communitaristische invalshoek moet namelijk erkend worden dat geschreven recht uiteen kan gaan lopen met de daadwerkelijke opvattingen in de samenleving. Zoals gezegd verschillen opvattingen (en rechtsgoederen) naar plaats, tijd en cultuur. Deze kunnen zodoende ook wijzigen.21 De democratie heeft in de communitaristische benadering het doel de evolutie van opvattingen te kanaliseren en institutionaliseren.22 Dat proces is echter traag en imperfect, zodat onder omstandigheden in een concreet geval de vraag kan rijzen of de gedraging wel ‘echt’ materieel wederrechtelijk is. In beginsel zullen die gevallen maar zelden voorkomen. Uitgangspunt binnen de communitaristische stroming is immers dat veruit de meeste strafbepalingen aansluiten bij de heersende opvattingen in de samenleving. En zelfs bij moreel min of meer neutrale gedragingen zal de zelfstandige strafwaardigheid van het overtreden van de afspraak nog enige mate van materiële wederrechtelijkheid met zich brengen. Pas als het materiële wederrechtelijkheidsgehalte – op basis van de hierna in §3.3.2 en §3.3.3 nog te bespreken factoren – zodanig negatief uitvalt dat daarmee zelfs die standaard mate van materiële wederrechtelijkheid teniet wordt gedaan, is een formeel wederrechtelijke gedraging niet langer materieel wederrechtelijk.
In de praktijk komt dat overigens nog minder vaak voor dan in theorie, nu het Nederlandse openbaar ministerie zaken met een beperkt of twijfelachtig wederrechtelijkheidsgehalte veelal zal seponeren.23 Op het moment dat de rechter zich over de zaak buigt, hebben zowel de politie als het openbaar ministerie dus kennelijk al geoordeeld dat de gedraging wél wederrechtelijk is. De rechter moet alleen daarom al zeer terughoudend zijn met de toetsing van de materiële wederrechtelijkheid. Zelfs als gedrag enkel formeel, maar niet materieel wederrechtelijk is, zou hij volgens sommige auteurs gewoon de wet moeten toepassen.24 Het zou niet aan de ongekozen rechter zijn om het wederrechtelijkheidsoordeel te toetsen.25 Als hij dat wel zou doen, leidt dat tot rechtsonzekerheid, willekeur en de ondermijning van het gezag van de wet.26 Zelfs als de wetgever de rechter expliciet – via geschreven rechtvaardigingsgronden – de bevoegdheid geeft de wederrechtelijkheid in individuele gevallen te toetsen is dat vanuit democratisch oogpunt eigenlijk al enigszins problematisch, maar vooral toetsing aan ongeschreven rechtvaardigingsgronden is zeer problematisch.27 Als de rechter binnen de communitaristische opvatting al een oordeel mag geven over de materiële wederrechtelijkheid, moet hij zich daarbij – in lijn met het voorgaande – in ieder geval baseren op de heersende opvattingen in de samenleving (de materiële component) en zich de vraag stellen of er in het parlement ruime steun zou zijn voor een wetsvoorstel voor de uitzondering die hij wil maken (de formele component).28 Het is dan niet vreemd dat een beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid in de praktijk vrijwel nooit wordt aanvaard.29 De rechter zal dan aannemelijk moeten maken dat er aanleiding is om af te wijken van het communitaristische uitgangspunt dat wetgeving overeenstemt met de actuele opvattingen in de samenleving, maar een individuele rechter is eigenlijk niet goed in staat om die actuele opvattingen te peilen, zoals dat bij bijvoorbeeld verkiezingen gebeurt. Beter zou dan bijvoorbeeld via juryrechtspraak het wederrechtelijkheidsoordeel van de samenleving mee kunnen worden gewogen.30
Wederrechtelijk is in de communitaristische opvatting dus datgene wat de samenleving wederrechtelijk vindt. Uitgangspunt daarbij is dat het democratisch gekozen parlement die opvatting tot uitdrukking brengt. Door deze in beginsel procedurele invulling is het communitaristische wederrechtelijkheidsbegrip in potentie grenzeloos.31 Iedere gedraging kan door strafbaarstelling materieel wederrechtelijk worden. Er hoeft strikt genomen zelfs geen inhoudelijke rechtvaardiging te worden gegeven voor de keuze om tot strafbaarstelling over te gaan: het gegeven dat een meerderheid die keuze steunt, volstaat in principe.32 Toch zullen in de praktijk niet alle meerderheidsopvattingen recht worden, al was het maar omdat een onderdrukte minderheid – zelfs als zij het democratische idee steunt – zich niet zal laten onderwerpen aan al te tirannieke wetgeving en in het uiterste geval zelfs tot geweld over kan gaan.33 De vrees daarvoor zal in veel gevallen al tot een zekere mate van zelfrestrictie leiden. Maar ook meer principieel is het goed denkbaar dat enerzijds een meerderheid in de samenleving een bepaalde norm aanhangt, maar dat er tegelijkertijd geen meerderheid is die van mening is dat die norm (ook aan de minderheid) mag worden opgelegd.34 Het onbeperkt opleggen van dergelijke normen kan immers ook de gemeenschap aantasten en tegenstellingen in de samenleving vergroten. Bovendien kan in de samenleving ook veel steun zijn voor de in de voorgaande paragraaf geschetste liberale argumenten, zodat die via een omweg alsnog meewegen.
Toch is het communitaristische uitgangspunt fundamenteel anders dan het liberale uitgangspunt. Dat blijkt wel als Ten Voorde – in navolging van Simester en Von Hirsch – bepleit om aansprakelijkheid in de voorfase te baseren op zorgplichten.35 Ten Voorde stelt daarbij voorop dat burgerschap niet alleen over vrijheid gaat, maar ook over verantwoordelijkheden ten opzichte van de gemeenschap.36 Die verantwoordelijkheden zijn deels rolafhankelijk (denk aan de specifieke plichten die op producenten en ambtenaren rusten) en deels gelden ze voor alle burgers.37 Strafbaarstellingen in de voorfase zouden vooral berusten op dit tweede type algemene burgerplichten.38 Ten Voorde benadrukt echter ook de relevantie van de rol die de normadressaat in de samenleving heeft, de specifieke context waaronder hij handelt en de complexe geschreven en ongeschreven sociale plichten die daarmee samenhangen.39 Juist het rol-afhankelijk maken van plichten past goed binnen een communitaristisch strafrecht. Wat naar het oordeel van de samenleving wederrechtelijk is, hangt veelal af van de concrete omstandigheden waaronder de gedraging is verricht én van de persoon van de dader.40 Simester en Von Hirsch zien onmiddellijk in dat zorgplichten tussen burgers onderling de basis kunnen vormen voor allerlei vergaande vrijheidsbeperkingen.41 Garvey meent bijvoorbeeld dat één van die burgerplichten inhoudt dat burgers zelfs niet de intentie mogen vormen om elkaar te schaden en benadert poging als een vorm van verraad aan de samenleving.42 Dat gaat wel erg ver, maar de kern van het betoog, dat ook andere factoren dan schade aan individuele rechtsgoederen kunnen maken dat mensen gedrag als wederrechtelijk bestempelen, lijkt prima facie niet onjuist.43 De vraag is aan welke factoren dan zoal kan worden gedacht en in hoeverre deze een betere verklaring bieden voor strafbaarheid in de voorfase dan de liberale theorie. Daarbij wordt eerst gekeken naar de typen rechtsgoederen die binnen een communitaristisch strafrecht bescherming verdienen (§3.3.2). Vervolgens wordt aandacht besteed aan de redenen op grond waarvan het wederrechtelijkheidsoordeel van de gemeenschap tot stand kan komen (§3.3.3), waarna nader in wordt gegaan op de wederrechtelijkheid van voorfasehandelingen (§3.3.4) en de consequenties die hieruit moeten worden getrokken voor het strafmaximum dat staat op voorfasedelicten (§3.3.5).