Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/6.2.1.5
6.2.1.5 Casuspositie 4: Voorbehoud bij het aangifteprogramma (BNB 2002/45)
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661553:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
HR 7 december 2001, nr. 36517, BNB 2002/45 (zie ook HR 11 november 2007, nr. 43084, BNB 2008/21). Overigens kwalificeert de Hoge Raad de uiting niet met zoveel woorden als algemene voorlichting, maar wordt deze ‘gediskwalificeerd’ voor toepassing van het vertrouwensbeginsel op grond van de aanwezigheid van een disclaimer (zie ook Van Leijenhorst in BNB 2002/45) en wordt deze in de literatuur geschaard onder voorlichting (zie paragraaf 4.3.5.2).
De in het rekenprogramma gehanteerde berekeningswijze berust op een onjuiste rechtsopvatting, terwijl die maatstaf als zodanig niet zichtbaar is (‘simplexity’, zie paragraaf 2.5.2.4).
Zie hofuitspraak r.o. 4.3.
Zie r.o. 3.3; cassatieberoepschrift van belanghebbende in BNB 2002/45 en de hofuitspraak r.o. 4.3.
De burger meent dat er onterecht ‘met twee maten’ wordt gemeten (rechtsongelijkheid), omdat zijn aangifte bij een steekproef is bovengekomen en hij moet bijbetalen, terwijl andere belastingplichtigen automatisch worden afgehandeld. Zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel is pas in cassatie aangevoerd, maar vraagt feitenonderzoek en is derhalve niet behandeld door de Hoge Raad (zie r.o. 3.2).
Zie BNB 2002/45, r.o. 3.1.1-3.1.3.
Bovendien kan voor de burger relevant zijn hoe zijn geval wordt behandeld ten opzichte van andere vergelijkbare gevallen (gelijkheidsbeginsel), hetgeen het voor de burger mogelijk des te minder acceptabel maakt als hij ongunstiger wordt behandeld dan een ander, wanneer de Belastingdienst zich in zijn geval aan verantwoordelijkheid onttrekt vanwege de disclaimer, maar niet in andere gevallen (althans, in de perceptie van de burger).
Zie Kamerstukken II 2015/2016, Aanhangsel handelingen, nr. 2709, kenmerk 2016Z09028, antwoord vraag 5, waarin staatssecretaris van Financiën Wiebes opmerkt: ‘Hoewel het voor de individuele belastingplichtige wel eens moeilijk te doorgronden kan zijn waarom een bepaalde verdeling optimaal is, heeft hij (…) echter geen last van deze complexiteit, omdat hij aan de hand wordt genomen door de techniek van het aangifteprogramma.’
Casuspositie
Type voorlichting
Communicatiewijze
Aard
Tekortkoming
Beroep op vertrouwensbeginsel
4. Het voorbehoud bij het aangifteprogramma1
Berekening bij aangifteprogramma
Geschreven tekst;
Algemeen
Onjuiste rechtsopvatting2
Slaagt niet (disclaimer)
Elektronisch
De situatie
Een man doet op elektronische wijze aangifte met het aangifteprogramma van de Belastingdienst. Volgens het aangifteprogramma bedraagt de verschuldigde belasting een x-bedrag. Op grond daarvan komt de burger niet in aanmerking voor een verplichte aanslag en was het te betalen bedrag nihil. In de afdruk van de aangifte via het programma is vermeld dat aan deze berekening geen rechten kunnen worden ontleend (‘disclaimer’). De inspecteur volgt de aangifte, maar legt wél een belastingaanslag op. Reden is, in de kern, dat volgens de inspecteur eerst moet worden berekend of een verplichte aanslag volgt en pas daarna de invorderingsvrijstelling aan de orde komt (en niet omgekeerd, zoals in de door het programma uitgevoerde berekening, waarop de man zich beroept). Mocht de man vertrouwen op de uitkomst van de berekening?
Standpunt Belastingdienst, burger en belastingrechter
Belastingdienst: Volgens de inspecteur bevat het aangifteprogramma een fout. Er is sprake ‘van serviceverlening met een foutje’, aldus de inspecteur.3Burger: De burger krijgt na zijn aangifte via het aangifteprogramma te lezen een te betalen bedrag van nihil.4 Door de rechtszaak over zijn geval komt een fout in het programma aan het licht, aldus de burger. Die fout speelt óók bij andere belastingplichtigen en óók voor andere belastingjaren. De burger is zich er naar eigen zeggen van bewust dat is vermeld dat aan een en ander geen rechten kunnen worden ontleend, maar hij vindt wel dat mensen hierin gelijk moeten worden behandeld.5Belastingrechter: De Hoge Raad oordeelt (net als het Hof) dat het aangifteprogramma een foutief uitgevoerde berekening maakt van de verschuldigde belasting.6 Volgens de Hoge Raad maakt het aangifteprogramma, ‘kennelijk als extra service voor de belastingplichtige’, een berekening onder vermelding van een voorbehoud. Dat voorbehoud moet worden opgevat dat het óók geldt ten aanzien van de in de uitkomst van de berekening besloten liggende rechtsopvatting. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het betoog van rechtsongelijkheid vraagt feitenonderzoek, wat niet mogelijk is in cassatie.
Het juridisch perspectief en het burgerperspectief
Juridisch perspectief: Vanuit dit perspectief is te verklaren dat de burger niet mocht vertrouwen op de uitkomst van het aangifteprogramma, zij het met een kanttekening. Opvallend is dat de Hoge Raad het beroep op het vertrouwensbeginsel afwijst enkel vanwege de aanwezigheid van de disclaimer. Aan toetsing van de voorwaarden voor toepassing van het vertrouwensbeginsel komt de Hoge Raad niet toe. De disclaimer werkt dus als een ‘algehele vrijwaring’ voor de Belastingdienst, zelfs tegen een onjuiste rechtsopvatting (die overigens niet zichtbaar is, want zij ligt in de berekeningswijze besloten), zelfs als de burger die onjuistheid niet hoefde te onderkennen.Burgerperspectief: Vanuit dit perspectief is de uitkomst niet hetzelfde als in het juridisch perspectief, althans niet zonder meer. Het aangifteprogramma heeft als communicatief doel om burgers in staat te stellen hun aangifte te doen. In dat kader geeft het ook een berekening van de verschuldigde belasting. Of dat nu serviceverlening is of niet, de burger verwacht dat die uitkomst klopt (maxime van kwaliteit). Gegeven deze context, is te verklaren waarom de burger er in dit geval op rekent dat de Belastingdienst geen aanslag oplegt. Dat was, gegeven hoe communicatie werkt en de context, de enige juiste interpretatie van de communicatieve betekenis van de uitkomst van het programma. De oorzaak voor de miscommunicatie ligt erin dat in het aangifteprogramma door de Belastingdienst een onjuiste berekeningswijze – voortkomend uit een onjuiste rechtsopvatting – is gemaakt. Uit communicatief oogpunt is de Belastingdienst dus verantwoordelijk voor het misverstand. Kanttekening is de disclaimer. Daaruit moet de burger, gezien hoe communicatie werkt, afleiden dat de Belastingdienst geen volledige verantwoordelijkheid wil of kan nemen voor de uiting (‘hedging’). Toch werkt de algemene disclaimer hier niet zoals door de Belastingdienst beoogd. Vanuit de taal- en communicatiewetenschap is dat verklaarbaar. De aanwezigheid van een algemene disclaimer doet niet af aan de ontoelaatbaarheid van onjuistheden in voorlichting (paragraaf 5.4.4, 5.7.3). Een theoretische verklaring daarvoor is mijns inziens dat in zo’n geval geen sprake is van adequate hedging. Voor de ontvanger (burger) is het, gegeven de context waarin de Belastingdienst als autoriteit wordt geacht bij uitstek deskundig te zijn ter zake van het belastingrecht en gegeven de communicatievorm (het aangifteprogramma als institutioneel middel bij belastingheffing), niet acceptabel dat de zender zich met een disclaimer onttrekt aan zijn verantwoordelijkheid voor de (juistheid van de) inhoud van de uiting. Daarbij kunnen tevens meespelen de aard van de onjuistheid (niet kenbaar), de intensiteit van de hedge (algemene disclaimer) en de intentie van de hedge (voorkomen van aansprakelijkheid in plaats van coöperatief verwachtingenmanagement) (paragraaf 5.5.4, 5.7.3).
Confrontatie van perspectieven
Deze casuspositie is bijzonder interessant vanwege de opvallende discrepantie tussen het burgerperspectief en het juridisch perspectief ten aanzien van de disclaimer. In het juridisch perspectief wordt de disclaimer opgevat als een vrijwaring van aansprakelijkheid; de enkele aanwezigheid ervan verhindert simpelweg gebondenheid van de Belastingdienst (paragraaf 4.3.5). Echter, in het burgerperspectief sorteert de disclaimer niet datzelfde effect. De burger komt in verweer en procedeert zelfs tot aan de Hoge Raad, terwijl hij zich bewust was van het algemene voorbehoud. Relevant is dat vanuit communicatief oogpunt de taalkundige strategie van hedging weliswaar coöperatief is, maar louter als sprake is van adequatehedging (d.w.z. in lijn met bepaalde randvoorwaarden). Daar lijkt het hier met een algemene disclaimer van Belastingdienst (de autoriteit) om aansprakelijkheid uit te sluiten voor zijn eigen informatie, zoals hier, aan te schorten.7 Op disclaimers kom ik apart terug (paragraaf 6.2.2 en 6.2.4.2).De casus legt verder een ander punt bloot, namelijk ten aanzien van de aard van de informatie. De burger gaat af op een toegankelijk ingericht aangifteprogramma, terwijl hij geen zicht heeft op (of weet heeft van) de onderliggende complexiteit. De rechtsopvattingen die ten grondslag liggen aan het aangifteprogramma en de uitgevoerde berekeningen zijn voor burgers onzichtbaar (‘simplexity’). Dat is vanuit het doel van het aangifteprogramma verklaarbaar (gemakkelijker maken8), maar het schuurt wel met het gegeven dat eventuele onjuistheden in de regel voor rekening van de burger komen. Tot slot dringt zich bij deze casus de vraag op waarom de Belastingdienst zich onttrekt aan zijn verantwoordelijkheid voor de fout, die voortkomt uit een onjuiste rechtsopvatting en waarbij de burger geen verwijt valt te maken. Dit conflicteert niet alleen met het burgerperspectief, maar roept ook de vraag op naar schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de aan (voorlichtende) uitingen van de Belastingdienst te stellen kwaliteitseisen (paragraaf 2.5.2).