Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/3.4.2
3.4.2 In beginsel creëert een inadequate financieringsstructuur geen externaliteiten
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS403517:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Posner 1976, p. 503: “Although incorporation permits [the borrower] to shift a part of the risk of failure to the lender, there is no externality: the lender is fully compensated by the higher interest rate that the corporation must pay by virtue of enjoying limited liability.” Aldus ook Easterbrook & Fischel 1985, p. 105. Dit punt werd overigens in Nederland reeds gemaakt door Van Berkum 1942, p. 13.
Posner 1976, p. 520-521.
Thompson 2005, p. 630 overweegt: “[S]uch a penalty may be applied when it has little to do with any change in the allocation of risk between the parties and can sometimes result in a windfall to a creditor who has agreed to take a risk and is then able to get out of bearing that risk after it has been revealed to have been a bad bargain.”
Bainbridge 2002, p. 146.
De externaliserende werking van de beperkte aansprakelijkheid moet echter sterk worden genuanceerd. Veel vennootschapscrediteuren, zoals banken en andere professionele kredietverstrekkers, verdisconteren het door de beperkte aansprakelijkheid gecreëerde risico in het rentepercentage waartegen zij aan de vennootschap krediet verstrekken. Rente is niet alleen een compensatie voor het feit dat de kredietgever niet over zijn geld kan beschikken (de zogenoemde opportunity cost), maar vormt tevens een vergoeding voor het risico dat de uitgeleende hoofdsom niet (geheel) wordt terugbetaald. Zolang crediteuren in de gelegenheid zijn om de voorwaarden te beïnvloeden waarop zij krediet verstrekken en de risico’s kenbaar zijn, worden de aandeelhouders alsnog gedwongen de aan de onderneming verbonden kosten, zij het indirect, te internaliseren.1
Uit deze notie volgt volgens sommige auteurs dat de schuldeisers niet benadeeld worden als de vennootschap – bij haar oprichting of op een later moment – inadequaat wordt gefinancierd. Nu de crediteuren ten tijde van hun kredietverstrekking op de hoogte zijn, althans kunnen zijn, van de risico’s die voortvloeien uit de financieringsstructuur, worden zij geacht met deze risico’s akkoord te gaan (met uitzondering van gevallen van misleiding).2 Het zou daarom inefficiënt en onredelijk zijn als aandeelhouders aansprakelijk konden worden gehouden als deze risico’s zich op een later moment zouden verwezenlijken.3
Bainbridge stelt:
“You made your bed, now you must lie in it. […] Contract creditors can protect themselves by bargaining with the controlling shareholder and obtaining a modification of the default rule [of limited liability]. To the extent contract creditors fail to do so, and accordingly fail to adequately protect their own interests, there seems little reason for the law to protect them. Put another way, the creditor ought to lose because it assumed the risk of doing business with an individual who chose incorporation.”4