Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.9.3
2.9.3 Verkokering en specialisatie
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Witteveen 1994, p. 65.
Van Schagen 1994, p. 27 en 73. Over de organisatie en de rol van de fracties in de besluitvorming in de Tweede Kamer zie Van Schagen 1994, p. 100 e.v.
Sinds 1953 bestaat de gespecialiseerde commissiestructuur in de Tweede Kamer. Voorheen was de Tweede Kamer verdeeld in afdelingen.
Van Schagen 1994, p. 43. En nog steeds wordt dit gesignaleerd als negatieve bijkomstigheid van het commissiestelsel: zie Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 190.
De samenstelling van de commissies vond plaats op basis van de grootte van de fractie. Dit is nog steeds het geval.
Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 187.
Van Schagen 1994, p. 77. Zie ook het commentaar van de commissie Deetman en de commissie Dolman op de verkokering, respectievelijk Kamerstukken II 1990/91, 21 427, nr. 3, o.a. p. 7 en 32 en Kamerstukken II 1983/84, 19 336, nr. 2, p. 19. Het onderzoek van de commissie Deetman had betrekking op de kwaliteit van wetgeving. Het onderzoek van de commissie Dolman had betrekking op de interne organisatie en de werkwijze van de Tweede Kamer.
Dit werd volgens Van Schagen deels teniet gedaan door de introductie van de zogenoemde compensatieregel. Dit zorgde ervoor dat Kamerleden die een verhoging van een begrotingspost eiste dit elders in de begroting diende te compenseren waardoor een integrale afweging werd bevorderd. Van Schagen 1994, p. 26. Zie over de compensatieregel paragraaf 2.11.1.2.
Het Reglement van Orde van de Tweede Kamer (RvO II) onderscheidt vijf soorten commissies, vaste commissies (voor ieder ministerie één), algemene commissies, themacommissies, tijdelijke commissies en overige commissies. Daarnaast kan er ook nog een commissie voor onderzoek (enquêtecommissie) worden ingesteld. Zie hierover uitgebreid Bovend’Eert & Kummeling, p. 180-188.
Artikel 16 RvO II. Zie Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 188 waarin verschillende auteurs worden aangehaald die voorstellen hebben gedaan om de verkokering te doorbreken.
Zie daarvoor ook Witteveen 1994, p. 65.
Van Schagen 1994, p. 78. Mogelijkheden voor het doorbreken van de verkokering op het fractieniveau worden ook door Van Schagen aangedragen. Zie Van Schagen p. 107 e.v.
Zie paragraaf 6.4.
Van Schagen wijst erop dat verkokering en specialisatie, hoewel vaak in een adem genoemd, niet hetzelfde zjjn. Verkokering leidt in hoge mate tot specialisering, maar andersom is dit niet het geval. Specialisering hoeft niet per se te leiden tot verkokering. Pas wanneer Kamerleden zich gaan over-specialiseren komt het gevaar van de verkokering om de hoek kijken, namelijk dat Kamerleden het overzicht over het grote geheel verliezen. Van Schagen 1994, p. 76. Zie voor deze stelling ook Minderman 2000, p. 64.
Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 188.
Minderman 2000, p. 64.
Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 187.
Van Schagen 1994, p. 76 en Minderman 2000, p. 63 en 64.
Kamerstukken II 1990/91, 21 427, nr. 3, p. 25 (Rapport commissie Deetman).
Glastra van Loon 1986, p. 128. Zie ook Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 106-107.
Artikel 34 lid 1 Reglement van Orde van de Eerste Kamer (RvO I). In de Eerste Kamer kan een onderscheid worden gemaakt tussen commissies ingesteld door het Reglement van Orde en de commissies ingesteld door de Kamer. De commissies die door de Kamer worden ingesteld kunnen onderscheiden worden in vaste en bijzondere commissies. Het RvO I kent daarnaast de mogelijkheid om gemengde commissies en een enquêtecommissie in te stellen. Zie hierover uitgebreid Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 188-190.
Het ‘meeregeren’ kwam ook tot uiting in de komst van het commissiestelsel en de daarmee gepaard gaande specialisatie, met name in de Tweede Kamer. Na de totstandkoming van de partijendemocratie is de overheersing van de partijen in de politieke praktijk sinds de Tweede Wereldoorlog alleen maar sterker geworden. Witteveen wees in de jaren negentig van de vorige eeuw bovendien op de sterke autonome rol van de individuele Kamerleden.1 De partijen dan wel de fracties en de fractiespecialisten domineerden de verhouding tussen de Tweede Kamer en de regering, als ook het interne functioneren van de Tweede Kamer.2 Dit ging gepaard met een sterke opkomst van de parlementaire commissies.3 Parlementaire werkzaamheden concentreerden zich vooral in de commissievergaderingen, wat ten koste ging aan het belang van de plenaire vergaderingen.4 Er werden een groot aantal commissies in het leven geroepen,5 veelal overeenkomstig de verdeling van de afzonderlijke ministeries en veelal ook volgens de verdeling van taken binnen de ministeries.6 Dit leidde tot verkokering, wat als een probleem werd ervaren.7 Kamerleden hielden zich slechts bezig met een beperkt aantal onderwerpen. Er was weinig aandacht voor het integrale regeringsbeleid. Met betrekking tot de begrotingsbehandeling had dit ook tot gevolg dat de integrale afweging tussen de verschillende departementale begrotingen te wensen overliet.8
In 1994 trad het geheel herziene Reglement van Orde van de Tweede Kamer in werking: het aantal commissies werd aanzienlijk verminderd om de verkokering terug te dringen. Deze commissiestructuur is tot op heden terug te vinden in het Reglement van Orde.9 Toch is er ook nu nog steeds sprake van een bepaalde mate van verkokering in de Tweede Kamer: voor elk ministerie is er een vaste commissie in de Tweede Kamer.10
Bovendien wees Van Schagen er in 1994 al op dat de verkokerde besluitvorming vooral plaatsvond in de fracties en de fractiecommissies.11 Het terugdringen van het aantal commissies zou daarom niet per se de verkokering tegengaan.12 Uit de behandeling van het Europees Semester in de Tweede Kamer blijkt in ieder geval dat de verkokering nog steeds een rol speelt in de Tweede Kamer.13
De verkokering leidt volgens Van Schagen in hoge mate tot specialisering van de Kamerleden.14 Specialisering leidt tot een efficiënte en doelmatige werkverdeling. Bovend’Eert en Kummeling wijzen erop dat de Kamerleden beter in staat worden gesteld om de regering te controleren en om een deskundige bijdrage te leveren aan de wetsvoorstellen.15 Volgens Minderman is specialisering voor Kamerleden zelfs een noodzakelijke voorwaarde om tot goede besluitvorming te komen en effectief invloed uit te kunnen oefenen.16
Negatief effect van de specialisering is volgens Bovend’Eert en Kummeling echter dat het leidt tot een ‘vervlechting’ van ministeries en Kamerleden in de vaste commissies, tenminste als de specialisering te ver wordt doorgevoerd. De deskundige ambtenaren op het ministerie en de deskundige Kamerleden uit een bepaalde commissie gaan samen het beleid bepalen.17 Dit gaat ten koste van de controlerende rol van het parlement.18 Een ander negatief gevolg van de specialisering is volgens de commissie Deetman dat het leidt tot vervreemding van de kiezer.19 De Kamerleden richten zich veelal op abstracte en technische details waardoor de kiezer niet goed weet waar het voor kiest of moet kiezen.20
Ook de werkzaamheden van de Eerste Kamer concentreren zich in commissies. De Eerste Kamer heeft voor elk ministerie een vaste commissie.21