Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.2.3.5:2.2.3.5 Invloed jurisprudentie EHRM op eis onherroepelijke veroordeling
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.2.3.5
2.2.3.5 Invloed jurisprudentie EHRM op eis onherroepelijke veroordeling
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859140:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 1 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL6889, NJ 2010/206, m.nt. Perrick (Velcea et Mazare/Roemenië). Deze zaak kent ook een strafrechtelijk aspect. Ik beperk mij tot het erfrechtelijke gedeelte. De kern van deze paragraaf is eerder verschenen: De Vries & Leire, TE 2022/03, p. 64-69. In mijn bijdrage in TE 2021/01, p. 12-17 ga ik ook kort in op de kwestie van de Roemeense erflater. In par. 3.6.1 komt dit nader aan de orde.
Zie over dit arrest ook de noot van Perrick onder ECLI:NL:XX:2009:BL6889, NJ 2010/206 en Breemhaar, in: Rechtspraak erfrecht 2019, p. 110-113.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het voorgaande is duidelijk geworden wat de eis van een onherroepelijke veroordeling inhoudt. In deze paragraaf wordt aan de hand van een uitspraak van het EHRM bezien of deze eis in alle gevallen de toets der kritiek wel kan doorstaan. De feiten in deze Roemeense zaak liggen als volgt.1
Aurel vermoordt op 7 januari 1993 zowel zijn vrouw Tatiana als zijn schoonmoeder. Slechts enkele uren na deze moorden pleegt Aurel zelfmoord. Aurel laat twee brieven achter, waarin hij toegeeft hen beiden te hebben vermoord. De vraag ligt voor of Aurel onwaardig is om van Tatiana te erven. De toenmalige Roemeense onwaardigheidsbepaling bepaalt dat een persoon onwaardig kan worden verklaard als sprake is van een veroordeling voor onder andere moord van de overledene of een poging daartoe. Door de zelfmoord van Aurel komt het niet tot een strafproces en daarmee evenmin tot een strafrechtelijke veroordeling. De rechterlijke instanties in Roemenië hanteren een strikte lezing van de wet en verklaren Aurel niet onwaardig, omdat een veroordeling ontbreekt. De vader en zus van Tatiana wenden zich tot het EHRM en beklagen zich er (onder meer) over dat de weigering om Aurel onwaardig te verklaren een schending oplevert van artikel 8 EVRM.
Het Hof verwerpt de klacht van Tatiana’s zus, omdat deze tardief is. De klacht van Tatiana’s vader beoordeelt het Hof wel inhoudelijk. Onder verwijzing naar onder meer het Marckx-arrest herinnert het Hof eraan dat family life niet alleen ziet op sociale, morele of culturele belangen, maar ook op materiële belangen zoals erfrechtelijke kwesties tussen naaste verwanten (r.o. 125).
Het Hof stelt vervolgens vast dat twee belangen tegenover elkaar staan: enerzijds het belang van Tatiana’s vader, die wil dat Aurel onwaardig wordt verklaard om te erven van zijn dochter, en anderzijds het belang van Lucian, een broer van Aurel, om te erven van zijn broer met inbegrip van een deel van Tatiana’s nalatenschap, omdat Aurel niet onherroepelijk is veroordeeld (r.o. 128). De eis van een onherroepelijke veroordeling voor moord om bepaalde personen onwaardig te verklaren, kan zijn rechtvaardiging vinden in de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, hetgeen een van de legitieme doelen is uit artikel 8 lid 2 EVRM. Een dergelijke eis biedt in principe een waarborg voor rechtszekerheid in vergelijking met elke andere vaststelling van schuld van de vermeende onwaardige, hetgeen de belangen van de maatschappij dient (r.o. 128).
Het Hof vervolgt dat het EVRM niet vereist dat een lidstaat bepalingen in de wet opneemt die zien op onwaardigheid. Echter, indien deze bepalingen er zijn, moeten ze worden toegepast op een manier die overeenstemt met hun doel. Een te strikte toepassing van de wettelijke bepaling kan strijdig zijn met artikel 8 EVRM (r.o. 129).
Zonder voorbij te gaan aan het belang van rechtszekerheid in de nationale rechtsorde van de verdragsstaten, hetgeen een belangrijk principe is, oordeelt het Hof dat gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak, de interpretatie door de Roemeense autoriteiten van de oorzaken die tot onwaardigheid leiden te restrictief is geweest, waardoor family life van Tatiana’s vader is geschaad. Onder die bijzondere omstandigheden valt dat er volgens het Hof geen enkele twijfel bestaat over de schuld van Aurel, hetgeen duidelijk blijkt uit de bevindingen van het Openbaar Ministerie, de bekentenis van Aurel en de erkenning door de familie van Aurel dat hij schuldig was. Door hier geen rekening mee te houden zijn de nationale gerechten verder gegaan dan noodzakelijk is om het rechtszekerheidsbeginsel te waarborgen (r.o. 131).
Het Hof stelt het persoonlijk karakter van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid niet ter discussie en erkent dat het overlijden van de verdachte tot gevolg heeft dat geen veroordeling volgt, maar de verdragsstaat mag niet de indruk wekken dat hij het gedrag tolereert en mag geen afbreuk doen aan burgerrechtelijke belangen van belanghebbenden (r.o. 132). Het respecteren van Tatiana’s vaders family life vereist dat de bijzondere omstandigheden in aanmerking worden genomen, om zo een mechanische wetsinterpretatie te vermijden. Het Hof concludeert hieruit dat, gelet op de zeer bijzondere situatie in onderhavige zaak en rekening houdend met de beperkte beoordelingsruimte die een verdragsstaat heeft in kwesties van family life, geen juist evenwicht gevonden is tussen de belangen van Tatiana’s vader enerzijds en de belangen van de opvolger van Aurel anderzijds (r.o. 133). Het Hof neemt unaniem een schending aan van artikel 8 EVRM (r.o. 134 en 150).
Vermeldenswaard is nog dat Roemenië ondertussen zijn wetgeving heeft gewijzigd. Nieuw ten opzichte van de oude wetgeving is artikel 958 lid 2 Roemeens BW, inhoudende dat indien de strafrechtelijke veroordeling voor de in het eerste lid genoemde feiten (een misdrijf met de bedoeling de erflater te doden) wordt verhinderd door het overlijden van de dader, van rechtswege van onwaardigheid sprake is als de burgerlijke rechter onherroepelijk vaststelt dat een van de feiten zich heeft voorgedaan (r.o. 77). Het Hof merkt op dat deze wijziging in dezelfde richting gaat als de redenering die het in dit arrest uiteenzet (r.o. 134).2
2.2.3.5.1 Artikel 8 EVRM2.2.3.5.2 Artikel 1 Eerste Aanvullende Protocol EVRM en artikel 14 EVRM2.2.3.5.3 Plaatsvervulling