Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/3.11.1
3.11.1 Oproep tot vorming tot democratisch burgerschap 1946
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977041:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bolkestein 1946. Het is in opdracht van Van der Leeuw samengesteld, maar niet onder zijn verantwoordelijkheid verschenen; vgl. A. Bartels, ‘Het Middelbaar Onderwijs’ in het Schema-Bolkestein´, PS 1947, p. 33 e.v.
Kamerstukken II 1950/51, 2233, nr. 2; Onderwijsplan-Rutten, Den Haag: Sdu 1951 en Van der Heiden 2004.
Kamerstukken II 1954/55, 2233, nr. 4; Knippenberg & Van der Ham 1993, p. 348.
Stellwag 1946.
Ibid., p. 38.
Ibid., p. 39.
Ibid., p. 39.
The study of the theoretical, political and practical aspects of citizenship, as well as its rights and duties, including the study of civil law and code, and the study of government with attention to the role of citizens in the operation and oversight of government.
Ibid., p. 39-40.
Daalder 1947 en 'Opvoeding tot democratie', S en D 1949, p. 680 en Middelbare meisjesscholen als symptomen van onderwijsvernieuwing, Groningen: Wolters 1957.
Fundatie Werkelijk Dienen 1950, p. 10 en De hogere burgerschool. Rapport Onderwijsvernieuwing, dl 1, Alg. Beschouwingen, ’s-Gravenhage 1952; vgl. de kritiek op de voorstellen: Ph. Kohnstamm, ’Het Rapport der fundatie Werkelijk dienen’, De Nieuwe Stem 1950, p. 447.
Ibid., p. 18.
Onderwijsvernieuwing 1946.
Memorandum, Bussum 1945.
Duynstee & Bosmans 1977, p. 70.
Het Memorandum is opgenomen in het rapport Onderwijsvernieuwing van de Vernieuwingsraad, Onderwijsvernieuwing, 1946; vgl. E. Pelosi, ’De reactie van het docentenkorps’, in: J.W. van Hulst (red.) 1970, p. 289.
Cf. D. Hooghiemstra 2013 (Over Kees Boeke).
Ph.J. Idenburg, ´Naar een constructieve Onderwijspolitiek´, PS 1970, p. 1-18; Drop 1985, p. 23.
C. Boeke was oprichter en jarenlang directeur van De Werkplaats in Bilthoven.
Van der Leeuw 1946, p. 12, Knippenberg & Van der Ham 1993, p. 332, Grotenhuis 1998, p. 138 en De Graaf 2000, p. 65.
Zie: W.P.J. Pompe, ´Het nieuwe tijdperk’, in: Ph. Kohnstamm e.a., Personalistisch socialisme naar drieërlei fundering, Amsterdam: Ned. Volksbeweging 1945, p. 28 e.v., W. de Jong, Van wie is de burger? Omstreden democratie in Nederland 1945-1985, (diss. RUN), Enschede: Ipskamp 2014 en ’Omstreden democratie’, M & P 2015, 05, p. 8-9.
Rombouts 1928, p. 204-205; vgl. invoering van heemkunde, naar analogie van het vak Blut und Boden.
De Vletter 1945.
W. Banning, Sociale vernieuwing. Onderwijsvernieuwing, Vernieuwingsraad 1946, p. 81, Het vraagstuk van de arbeid, p. 97 met een pleidooi voor Burgerschapskunde in het onderwijs, De dag van morgen, p. 109, Voor mensen in wording, naar een nieuwe structuur van het Nederlandse onderwijsstelsel, De nieuwe maatschappij en de democratie, Arnhem: Van Loghum 1935 en Moderne maatschappijproblemen, Haarlem: Bohn 1960 en J.G. Toebes 1981, p. 74. Sleeswijk-Holstein kent sinds 1946 het vak Staats- und Landeskunde, later Gegenwartskunde, naast het vak Institutionenkunde (p.71). In het Duitse regeerakkoord van 2018 is een minister voor Heimat opgenomen. Het vak Heimatkunde bestaat al langer.
J.J. Gielen, Kath. Cult. Tijdschr. 1946, p. 363-366; vgl. De Jong 2014.
Duyverman, ‘In plaats van een oratio pro domo’, Weekblad februari 1946.
N. Dodde, ‘De Vernieuwingsraad 1945-1946’, Ped. Forum, 1978, 3, 1, p. 54, Leune 1976, p. 41, C. Morsch, Met de moed van de Hoop, Eindhoven 1984 en De Jong 2017, p. 79.
Ph. Kohnstamm, ´Opvoeding in personalistische geest´, Keerpunt 1947, 1, p. 218 e.v.
Ph.A. Kohnstamm 1946, p. 6 e.v. en ´Taak en positie der paedagogiek in de opbouw ener nieuwe gemeenschap´, PS 1946, p. 1 e.v.
Ibid., p. 11.
Ph.A. Kohnstamm, ‘Het onderwijs’, Volksontwikkeling 1946/47, 22, p. 122 e.v. en ‘Algemeen vormend onderwijs voor de gehele Nederlandse jeugd’, PS 1949, p. 329-348.
Rengelink & Mug 1949.
De Commissie bestaat uit de burgemeesters R.M.A.A. Geuljans (Roermond), Ch.M.J.H. Hustinx (Nijmegen), H.M. Martens (Ermelo), J.W. Noteboom (Voorburg), G.C. van Willigen (Lekkerkerk) en wethouder A. de Roos (Amsterdam), in: Burgerschap en Burgerzin 1949, s.p., VNG-voorwoord.
Ibid., Inleiding, s.p.
Ibid., p. 7-8 (NB: Democratie is geen staats- maar regeringsvorm. W).
Ibid., p. 31-32.
Holthuizen 1994.
De VNG-commissie voor Kiezen en Delen en de Kiezen en Delenprijs bestaat uit de burgemeesters W.H.J. Bloemendaal (Culemborg, D66), A.W.H.M. Jansen (Neerijnen, PvdA), P.H. Schoute (Wassenaar, VVD) en Th.E.M. Wijte (IJsselstein, CDA) (K en D, p. VI).
Holthuizen 1994, p. VII-VIII. De prijs valt toe aan het Jeugdjournaal (1982), Keesings onderwijsbladen (organisatie scholierenverkiezingen) (1983), Stichting Krant in de klas (1984), Anne Frank Stichting (krant) (1986), Politieke vormingsinstelling M50 (Jongerenmagazine Choice (1989) en de Stichting IVIO voor de AO-reeks (1992).
Het vak politikè: leren van de kunst van goed burger zijn
In de partijprogrammas voor de Tweede Kamerverkiezingen in 1946 is de democratische vorming het speerpunt. In 1946 verschijnt Het Schema van de organisatie van het onderwijs van Bolkestein met enige kenmerken van zijn wetsvoorstel (1940).1 Dit schema vormt de opmaat tot de Eerste nota onderwijsvoorzieningen (1951)2 en de Tweede Onderwijsnota (1955).3 Classica en schoolpedagoge Stellwag neemt in Reorganisatie der Middelbare school de pedagogische doelstelling van het vhmo als centraal thema. De vorming tot staatsburger is kerndoel van middelbaar onderwijs.4 Stellwag vraagt zich af ‘op welke gebieden de eischen liggen, die door de Maatschappij gesteld worden’. Ze denkt aan kwalificaties voor (a) een beroep, (b) als staatsburger, (c) lid eener cultuurgemeenschap en (d) huisvader of -moeder. ‘Globaal gesproken moet de Maatschappij-School opleiden voor deze onderdeelen, wil zij voorbereiden op het maatschappelijk leven’, stelt Stellwag.5 ‘Als lid van een staatsgemeenschap moet de leerling op de hoogte zijn van de werking van het bestuursapparaat en de regeringslichamen, van politieke vraagstukken en sociaaleconomische voorlichting hebben ontvangen’, vervolgt zij.6 Dat zou goed kunnen in het vak politikè, met de bakermat in het oude Griekenland. Het gaat dan om ‘het leren van de kunst van goed staatsburger zijn’.7
Het vak civics: toerusting tot staatsburger
Angelsaksische scholen kennen het vak civics voor politiek/maatschappelijke vorming.8 Dit zou op de Maatschappij-School van pas komen ‘als opleiding tot staatsburger, onder het gezichtspunt van politieke verantwoordelijkheid die elk staatsburger draagt en dit gekoppeld aan staathuishoudkunde en grondige kennis van […] bestuurslichamen’, stelt Stellwag.9
Mij. Nijverheid en Handel: Grondslagen van de democratische rechtsstaat
Ook de Nederlandse Maatschappij voor Nijverheid en Handel wijst in 1946 op de noodzaak om leerlingen te vormen in de grondslagen van de democratische rechtsstaat. De Maatschappij wil dit niet alleen bij staatsinrichting vastleggen, maar ook in een doelbepaling van het (mu)lo en vhmo. Een jaar later schrijft mms-directeur Daalder in Toekomstmuziek over democratische opvoeding.10 De Fundatie Werkelijk Dienen brengt in 1950 na een enquête verslag uit over het curriculum voor een vierjarige middelbare school.11 Ze adviseert de uren geschiedenis te vervangen voor ‘vermijdbare verkwisting’ door staatsinrichting dat als ‘vak van deze tijd’ belangrijker is voor een doelmatiger staatsburgerlijke vorming. Ook is voorgesteld een vak arbeidsverhoudingen (medezeggenschap) in de vierde klas vhmo.12
Rapport-Elzinga van de Maatschappij voor Nijverheid en Handel 1946
Van de commissie-Elzinga, ingesteld door de Mij. voor Nijverheid en Handel, verschijnt in 1946 het rapport Onderwijsvernieuwing, deel 1, Algemene beschouwingen. Rapport Middelbaar Onderwijs.13 Het hoofdbestuur wilde bijdragen aan het te vernieuwen onderwijsstelsel in herrijzend Nederland.
Vernieuwingsraad: democratisch staatsburgerschap
Na de aanbieding van een Memorandum14 in 1945 over ‘harmonieuze vorming’ aan minister Van der Leeuw15 door de Werkgemeenschap voor Vernieuwing van Opvoeding en Onderwijs (1934-1984) volgt in 1946 Onderwijsvernieuwing16 met voorstellen over democratisch (staats)burgerschap.17 Wat in het interbellum niet van de grond komt, lukt wél na de Tweede Wereldoorlog, omdat de bezetting bij ieder in het geheugen zit. Van der Leeuw (inmiddels PvdA) die de Vernieuwingsraad een warm hart toedraagt (als mede-oprichter), voert een regisserende onderwijspolitiek.18 Dat blijkt in 1946 op een congres met reformpedagoog Kees Boeke als dagvoorzitter, waar Van der Leeuw het nationaal en Europees bewustzijn van burgers sociale impulsen verschaft.19 Als onderwijstaak merkt hij aan: ‘het leerlingen in de breedste zin des woords opvoeden tot democratische staatsburgers […]’.20
Heemkunde of burgerschapskunde voor democratisch staatsburger
De reformpedagogen uiten hun ambities voor staatsburgerlijke vorming.21 De dienende functie staat voorop. Zo benadrukt De Vletter, oud-rector van het Bloemendaalse Kennemer Lyceum en betrokken bij de sociale opvoeding van leerlingen, de gerichtheid op het dragen van een eigen verantwoordelijkheid als democratisch staatsburger. Hij is voorstander van heemkundeonderwijs22 bij staatsinrichting en geschiedenis.23 Banning (PvdA) zou heemkunde willen incorporeren bij burgerschapskunde24, terwijl minister Gielen (KVP) pleit voor de vorming van ‘heel de mens’ (Bildung).25 Duyverman schaart zich in In plaats van een oratio pro domo bij hen die ‘de garde staatswetenschappers’ oproepen aan het vernieuwingsdiscours actief deel te nemen’.26 Nog in 1946 is de Vernieuwingsraad door een gebrek aan koers een zachte dood gestorven.27
Kohnstamm: staatsburgerlijke opvoeding
Op karakteristieke wijze bepleit pedagoog Kohnstamm ‘radicale vernieuwing van de staatsburgerlijke opvoeding’.28 ‘Echter, men kan staatsburgerlijke vorming nog niet vernieuwen, want het is nog niet ingevoerd. Dit zou dus eerst moeten gebeuren’.29 Kohnstamm oefent veel kritiek op het ontbreken van adequaat staatsburgerlijk onderwijs en vindt het ‘een onzinnige toestand dat men op 23-jarige leeftijd kiesgerechtigd is, terwijl de staat niet de minste voorbereiding helpt geven voor de verantwoordelijke taak van het kiezen: dat heet democratie, die uitgaat van ieders verantwoordelijkheid voor het staatsbeleid’.30 ‘Staatsburgerlijke vorming’, stelt Kohnstamm, ‘vraagt tijd en daarom moet de overheid de leerplicht verlengen, waardoor leerlingen meer staatsburgerlijke opvoeding krijgen’.31
VNG: Burgerschap en Burgerzin 1949
De gemeenten verspreiden vanaf 1949 onder alle 23-jarigen onder auspiciën van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de uitgave Burgerschap en Burgerzin van de historici Rengelink & Mug op de jaarlijkse gemeentelijke Burgerdagen.32 Een door de VNG ingestelde commissie van gemeente bestuurders gaat akkoord met de publicatie van deze uitgave.33 De uitgave opent met de oproep: ‘Er komt een nieuwe verantwoordelijkheid op U te rusten, omdat ook U mede zal beslissen over de vraag hoe ons land, de provincie of de gemeente worden bestuurd. Het gemeentebestuur wil U nader brengen tot het besef van die verantwoordelijkheid van Uw kiesgerechtigd burgerschap, maar ook nader tot begrip van het voorrecht dit te bezitten in het democratisch bestel van ons vaderland’.34 Gesteld wordt dat ‘zonder gemeenschapszin vrijheid chaos wordt’. De uitgave vervolgt met: ‘U bent nu staatsburger. U hebt de rechten, die allen hebben en Wie niet meedijkt in nood, verbeurt zijn erf met: ‘Democratie is niet maar alleen een staatsvorm, democratie is een gezindheid’.35 Om te besluiten met: ‘Geen wet ter wereld is in staat iemand tot een goed democratisch staatsburger te maken. Wij moeten een democratische gezindheid hebben die zich niet in voorschriften laat vastleggen’ en ‘Wij moeten verdraagzaam zijn, […] anderen zonder morren hun geloof en gewetensvrijheid laten, […]’.36 In de jaren vijftig verdwijnen de Burgerdagen en wordt de uitgave voor te moraliserend gehouden. In 1970 verschijnt Kiezen en Delen.37 Ook nu bestaat de adviescommissie uit burgemeesters.38 In 1982 is door de VNG het projectfonds Kiezen en Delen ingesteld met de ‘Kiezen en Delenprijs’ voor de toekenning aan personen of instellingen die zich bijzonder inzetten voor de relatie bestuur en burgers.39